10a. Het Christendom

« Met de Jezus-figuur belanden we bij het Christendom”, zo eindigde ik  Post 9b.
Maar denk niet dat Jezus er ook maar part of deel in heeft gehad. Het Christendom is begonnen als het Jezuscultusproject van Paulus.

 Paulus’ bekering
Paulus heeft Jezus nooit gekend. Als rabbi-student uit Tarsus, toen nog gewoon Sa’ul geheten, was hij naar eigen zeggen in de leer bij rabbi Gamaliël in Jeruzalem. Een goede studievriend van Sa’ul, Jozef Justus uit Cyprus, sloot zich tot Sa’uls afgrijzen aan bij een sekte, volgelingen van ene Jezus de Nazireeër, leider van een groep Galileeërs die een opstand tegen de Romeinse bezetters had geprobeerd maar die was uitgelopen op de terechtstelling van die Jezus. De sekte stond nu onder leiding van Jezus’ broer Jacobus. Sa’ul moest dus echt niets hebben van die Galilese dwarsliggers.

De sekteleden leefden in gemeenschap van goederen. Ze meenden dat het einde der wereld nabij was en dat je derhalve niets meer had aan aards bezit. Jozef Justus droeg het geld dat hij van zijn rijke familie overgemaakt kreeg, af aan de sekte – uit erkentelijkheid werd hij voortaan door hen Bar-nabas  (’zoon der vertroosting’) genoemd. Met het geld werden armen, weduwen en wezen ondersteund, waardoor de sekte groeide als kool. Voor Sa’ul, telg van een succesvolle ondernemersfamilie die zelfs het Romeins burgerschap had verworven, was dit gewoon laaienlichterij, zoals door zoveel sekten gepraktiseerd.

De sekte groeide zodanig dat de Galilese adepten van Jezus er zowat een dagtaak aan hadden om al die toestromende armen op te vangen en ze nauwelijks  meer toe kwamen aan het preekwerk. Jacobus wees speciale mensen aan voor het liefdewerk.
Een van deze diakens was Stefanus. Een hoogbegaafde en welsprekende jongeman die, net als Jozef Justus,  uit de toon viel tussen de nogal boerse Nazireeërs, die bovendien een verachtelijke Galilees dialect spraken. Stefanus trad vaak op als een soort woordvoerder van de sekte bij discussie op niveau, en mogelijkerwijs is Paulus een keer goed afgegaan bij zo’n discussie. In elk geval, toen Stefanus zijn hand overspeelde, de hogepriester zich gekwetst voelde en hij door een woedende menigte werd weggesleept om gestenigd te worden, bood Sa’ul zich aan om op de kleren van de stenigers te passen.

De gebeurtenis had een razzia op de sekte als gevolg, en Sa’ul sloot zich aan bij de knokploeg.
Josef Justus was met een groep vluchtelingen uitgeweken naar Damascus. De knokploeg bood aan om hen ook daar op te pakken. Sa’ul reisde met het tuig mee.
Maar op die lange tocht is hij nadenken. Waren Josef Justus en die Stefanus eigenlijk niet veel geloofwaardiger dan het rapaille waar hij nu deel van uitmaakte? Het kan ook goed zijn dat hij onderweg onmin heeft gekregen met het schorem.

In elk geval is hij afgenokt. In Damascus wist hij Jozef Justus terug te vinden en die heeft toen dagenlang op Sa’ul ingepraat. Tenslotte bracht Bar-nabas hem  in kennis met de leider van de Nazireeërgroep aldaar, Ananias.  Deze had Jezus zelf gekend en gehoord. Ananias heeft Sa’ul heel wat over diens opvattingen bijgebracht. En er waren meer mensen die Jezus gekend hadden, en die gehoord hadden dat Jezus uit zijn graf was opgestaan en weer aan sommige leerlingen verschenen was, echt waar.
Sa’ul was vooral verrast door de onbaatzuchtige hartelijkheid waarmee die mensen hem bejegenden en welke ze zelf toeschreven aan de boodschap en het voorbeeld van hun profeet. En hij besloot zich aan te sluiten. Dat deed hij meteen weer zo fanatiek dat hij ook mee ging preken in de synagoge. Daar zagen leden van zijn knokploeg hem en ze besloten om Sa’ul uit de weg te ruimen. Deze wist met hulp  in de nacht de stad uit te komen.

Het is niet bekend waar naar toe, maar omdat hij van huis uit tentenmaker was, kon hij makkelijk werk vinden bij een tentenmakerij. Na twee jaar onderduik kwam hij terug in Damascus en draaide weer mee in de Nazireeërgroep.
De mentaliteit van die mensen was zo anders dan die van de Judaïsten in wier kringen Sa’ul altijd verkeerd had. Een goed mens was voor de Judaïsten iemand die de wetten van Mozes naar de letter en tot in de puntjes naleefde. Hoe de persoon verder in elkaar stak en zich gedroeg deed niet ter zake, het ging om de naleving van de Thora. Paulus had zelf als rabbistudent de nodige hatelijke opmerkingen moeten verduren over het vak van zijn vader: tenten maken. Dat was immers een onrein vak: tenten werden gemaakt van gelooide dierenvellen, opgekocht zonder dat je zeker kon zijn of ze van kosjer geslachte dieren afkomstig waren.

Sa’ul maakte een hele cultuuromslag door. Hij besloot zich te gaan wijden aan de verbreiding onder zijn mede-joden van de leer van Jezus.
Leer? Er was geen leer, er waren alleen verhalen over Jezus’ opvattingen en woorden. Sa’ul zag het als zijn taak als ex-rabbistudent om uit dit materiaal een soort boodschap samen te stellen voor een nieuwe mens-benadering: een van liefde en barmhartigheid, van rechtvaardiging door het goede te doen in plaats van door alleen maar stipt de wetten van Mozes na te volgen. Gezien het naderende einde van de wereld en de oordeelsdag was het volgen van Jezus en diens leer van medemenselijkheid een veiligere garantie voor eeuwig heil dan het stipt volgen van de Thora.

Maar toen Sa’ul samen met Bar-nabas naar Jeruzalem was gereisd om daar zijn visie met de moedergemeente te bespreken, viel dit niet in goede aarde. Jacobus wenste zijn Jezusbeweging zo weinig mogelijk te laten afwijken van de Thora. Jacobus stond bij iedereen, ook bij veel Judaïsten, in aanzien vanwege zijn wijsheid en rechtvaardigheid, en zijn eerbiedigen van de Thora. Jacobus moest niets hebben van die Grieks sprekende en wijsneuzige vriend van Barnabas. Want hoe oud zal Sa’ul toen geweest zijn? Ik er van uit dat hij, toen Stefanus werd gestenigd en de stenigers hun mantels aan de voeten van de jongeman legden, 20 jaar was; een schatting dus, maar je moet ergens beginnen. Barnabas was als medestudent leeftijdgenoot. Nou, dan had Jacobus, toen ongeveer 35, met twee 23-jarigen te maken.
Het kan ook zijn dat  Sa’ul van zijn zuster te horen heeft gekregen  dat het niet goed ging met zijn vader en dat hij thuis verwacht werd, om mee te komen helpen in de tentenmakerij. In een latere Brief aan de Galaten zal hij vermelden dat hij toen maar 15 dagen bij Petrus en Jacobus is geweest en dat hij pas veertien jaar later in Jeruzalem is weergekeerd – daarbij dit korte bezoek dan niet meetellend.
Sa’ul is hoe dan ook teleurgesteld geweest over de reactie van Petrus en Jacobus (hij heeft toen naar eigen zeggen geen der overige apostelen ontmoet) op zijn idee . Hij is afgereisd naar Tarsus en heeft daar zo’n tien jaar verbleven voor dat we opnieuw van hem vernemen.

 

Over Jezus
Dat hij nooit bestaan zou hebben, zoals dominee Edward van der Kaay stelt in zijn boek De Ongemakkelijke Waarheid van het Christendom (2015) gaat er bij mij niet in. De houding van de moedergemeente van Jeruzalem tegenover de vergoddelijking van Jezus die Paulus preekte, spreekt boekdelen. Ze hebben Jezus daar immers als broer en konings-pretendent maar voor het overige als gewoon mens meegemaakt, kom nou. Die vergoddelijking was modernistische Griekse cultus-naäperij.

De moedergemeente is bij de Joodse opstand van 70 AD naar Jordanië uitgeweken en heeft nog lang voortbestaan als de joods-christelijke sekte van de Ebionieten, die helemaal de ideologie van Jacobus vertegenwoordigt. Ook in Arabië waren er ten tijde van het begin van de Islam, en wie weet zelfs nu nog, in ettelijke oases Ebionitische boerengemeenschappen, waar Waraqa, de oom van Mohammeds vrouw Khadija, in de leer is geweest en er zelfs een aanhanger van is geworden. Dus wat wil je, Jezus moet bestaan hebben.

Maar wat er later in de evangeliën over hem is verteld, daar geloof ik dus ook weinig van. Hoe later geschreven, hoe ongeloofwaardiger die evangeliën zijn. Als ze historische werkelijkheid zouden weergeven, dan zouden de geschiedschrijvers van zijn tijd, en met name Philo van Alexandrië (20 vC-50 AD) zeker van zijn bestaan vernomen en dus geschreven hebben.  Philo was niet alleen een betrouwbaar schrijver, hij sympathiseerde bovendien met de therapeuten, een soort joods-christelijke sekte in het toenmalige Alexandrië. Waaroven later meer.

Ik kan ook best begrijpen dat Philo nooit iets van Jezus meegekregen heeft. De Galilese messias-pretendent was er een uit velen. En zoals ik mij Jezus voorstel, was hij dit tegen wil en dank, dat blijkt uit alles. Hij trad slechts drie jaar als zodanig op, maar alleen als gebedsgenezer en helper van de armen. Ook weer als één van de talrijke in die tijd. En nagenoeg alleen in Galilea optredend. Van die drie jaar is hij ook nog anderhalf jaar op de vlucht geweest, in Syrië. Pas op het laatst heeft hij, met de moed der wanhoop, gehoor gegeven aan de wens van zijn volgelingen en heeft hij stennis gemaakt in de Tempel van Jeruzalem. Met zijn dood (kruisiging?) als gevolg.

Vermoedelijk was hij een Essener, maar van een Galilese familie met messias-reputatie. Ik denk dat hij best wel ‘charismatische’ kwaliteiten heeft gehad en menslievende dus van het Judaïsme afwijkende ideeën verkondigd heeft. Maar nogmaals, zijn optreden is te weinig spectaculair geweest om bekend te zijn geworden bij zowel Philo als nota bene Paulus zelf. Die heeft pas na diens executie kennis gemaakt met Jezus’ gedachtegoed. Van diens volgelingen, die waarom of waardoor dan ook in Jeruzalem waren blijven hangen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*