10C. Het Christendom (vervolg)

Sa’ul, die zich later Paulus zou gaan noemen, was zowat 10 jaar werkzaam in de tentenmakerij van zijn familie in Tarsus.
Daar is hij, behorend tot de intellectuelen, zeker lid geweest van de plaatselijke mysteriecultus. In deze jaren moet bij hem het idee gerijpt zijn om  het Judaïsme te moderniseren met een Joodse cultus. Met de gekruisigde Jezus als cultfiguur, die zich voor de verlossing en het heil van de Joden heeft opgeofferd met zijn dood, en na drie dagen uit het graf is herrezen en verschenen aan zijn volgelingen. Vervolgens is hij ten hemel opgestegen, en zal op de Laatste Dag terug komen om zijn brave volgelingen op te halen. Een pracht van een Joodse cultus, toch?

Vermoedelijk is Sa’ul in schriftelijk contact gebleven met Barnabas, die intussen deel was gaan uitmaken van de christengemeente van Antiochië. Sa’ul zal Barnabas wel deelgenoot hebben gemaakt van zijn prachtige idee. Barnabas van zijn kant kon er op wijzen dat de Antiochië-gemeente al dermate gehelleniseerd was dat het idee van Paulus daar welllicht op steun zou kunnen rekenen. Misschien is Barnabas tenslotte naar Tarsus afgereisd om Sa’ul over te halen om lid te worden van de gemeente Antiochië, als hij tenminste gemist kon worden in de tentenmakerij. Dat laatste zal, gezien het ruzie-achtige karakter van Sa’ul, geen punt geweest zijn; kan goed zijn dat ze hem daar liever kwijt dan rijk zijn geweest. Veelzeggend is dat er in die tijd geen christengemeente in Tarsus geweest.

Ik moet ook eerst nog iets vertellen over de tweespalt die er heerste in de Jezusbeweging zelf.
Er was de fractie van de Hebreeën, aangevoerd door Jacobus, Jezus’ jongere broer. Jacobus was een gezagsgetrouwe en vrome Jood; met de rest van de familie had hij zich aanvankelijk verzet tegen de gebedsgenezerij en de Mesiaspretentie van Jezus; maar hij had gaandeweg toch respect gekregen voor Jezus’ ideeën en had zich na diens terechtstelling bij diens volgelingen gevoegd. De Jeruzalemse gemeente had de broer van hun vereerde profeet met open armen ontvangen en hij werd steeds meer als diens opvolger beschouwd. Mede dankzij zijn vroomheid, wijsheid  en rechtvaardigheid.
Jacobus trachtte zowel Jezus’ belangrijkste punten (zorg voor de armen en nadruk op het einde der tijden) tot hun recht te laten komen,  als voor het overige de Jezusbeweging zo trouw mogelijk te laten blijven aan de Joodse wetten. Hetgeen bijvoorbeeld inhield dat alleen Joden zich konden laten dopen en onbesneden heidenen niet. Gemeenteleden mochten zelfs niet verkeren in het gezelschap van ‘onbesnedenen’.
Nu was het zo dat Petrus, kort na de dood van Stefanus, te Caesarea een Romeinse legercommandant Cornelius, een vroom man, had gedoopt (Hand. 10) , en daar met een goed verhaal mee was weggekomen. Dus er was een precedent waar de hellenisten zich later op zouden beroepen.
De hellenisten waren Grieks-sprekenden. De Hebreeën, waar toe ook Petrus en Johannes behoorden, waren als Galilese boeren en vissers analfabeten en spraken een Aramees dialect. De zeven diakens die de apostelen hadden aangesteld om hen te ontlasten van zakelijke gemeentetaken zoals de zorg voor de armen en wezen, en waar Filippus en de gestenigde Stefanus toe behoorden, waren hogeropgeleiden en spraken Grieks, net als Sa’ul.
De gemeenten buiten Jeruzalem telden veel Griekssprekenden en stonden meer open voor het toelaten van niet-joden tot hun beweging. Maar het is vooral het eigengereide en koppige karakten van Sa’ul geweest dat de tegenstelling op de spits gedreven heeft.

Sa’ul, hij was inmiddels 31 jaar,  heeft zich laten overhalen om mee te komen draaien in de gemeente Antiochië. Daar kreeg Sa’uls idee inderdaad redelijk aanhang. Wat hield dat idee in?
Het was ingegeven door de toenmalige inhoud van de mysterieculten: met als cultfiguur Jezus, als zoon van God, naar de aarde gezonden om zich als zoenoffer te laten kruisigen, waardoor allen die in hem geloofden, gered zouden worden bij het op handen zijnde Laatste Oordeel. Maar zonder de uitgebreide inwijdingsrituelen: na het geloven in de reddende Christus was een simpele doop genoeg. Het belangrijkste ritueel van De Weg (zo noemde Paulus zijn nieuwe geloof) was elke week bijeenkomen voor een gezamenlijke avondmaalsviering.
Natuurlijk wilde Sa’ul De Weg voor de hele Jezusbeweging als leidend geloof gevestigd zien te krijgen, maar Barnabas had daar een hard hoofd in.
Twee jaar later was er hongersnood in Jeruzalem, en de gemeente Antiochië bracht geld bijeen om  de arme gemeente Jeruzalem te hulp te komen. Barnabas en Sa’ul reisden er naar toe. Barnabas drukte  Sa’ul op het hart om zijn idee daar nog voor zich te houden.
Ze hebben toen van de Hebreeën gedaan gekregen om in Anatolië en Griekenland te mogen missioneren, niet alleen onder de Joden maar ook onder de onbesnedenen. Voor dat laatste hadden ze gewezen op het precedent dat Petrus geschapen had.

Barnabas en Sa’ul hebben in Antiochië geld voor hun missiereis gespaard, en zijn okt. 45 eerst naar Cyprus gevaren, om ook van Barnabas’ rijke familie nog wat geld los te krijgen. In dat Grieks sprekende land veranderde Sa’ul zijn joodse naam die voor een Griek klinkt als ‘halve gare’, in de Romeinse naam Paulus (‘de geringe’).
Ze boekten daar een eerste succes doordat de gouverneur Sergius Pulus belangstelling toonde voor hun nieuwe leer. Deze man was afkomstig van het Pisidische Antiochïe (een ander Antiochië dan hun thuisbasis, het grote Syrische Antiochië), en hij ried hen aan om die stad, gelegen in het bergland van centraal Turkije,  zeker aan te doen.

Ze boekten op een schip dat naar Attalia voer, havenstad aan Turkije’s zuidkust. Vandaar liepen ze  via Perge naar dat Antiochië. Ik ontleen voor Paulus’ reizen veel aan Fik Meijer Paulus (2012), die voor zijn boek alle reizen van Paulus heeft nagereisd. En voor het overige leun ik erg op Reza Aslan De Zeloot (2014). Reza Aslan (Teheran, 3 mei 1972) is een Iraans-Amerikaanse godsdienstwetenschapper, gespecialiseerd in de islam. Aslan heeft een weinig kritische blik op de dikke duim van met name evangelieschrijver Lucas.
Aanvankelijk was Marcus, Barnabas’ jongere broer, met hen meegegaan, maar die had in Attalia al genoeg van het gezelschap van Paulus. Barnabas begon trouwens ook steeds meer moeite te krijgen met de eigengereidheid van zijn vriend, die werkelijk in alles zijn zin doordreef en voor wie de mening van de ander nooit telde.

Zoals gewoonlijk wendden ze zich eerst tot de Joden in de synagogen van elke stad die ze bezochten. Paulus haalde dan eerst de hele Bijbelse geschiedenis overhoop, om aan te tonen dat zijn Christus als Gods Zoon al voorspeld was en wiens blijde boodschap hij hen nu kwam brengen. Want die Christus was hem op de weg naar Damascus verschenen en had hem met deze opdracht opgezadeld.
De Joden hadden er hoegenaamd geen oren naar en joegen het tweetal min of meer de stad uit. Ze reisden nu noordwaarts, naar Ikonium. Daar maakten ze wel enkele bekeerlingen, onder andere ene Thecla, maar ontmoetten verder nog ergere vijandschap, zodat ze onder een stenenregen de stad uit moesten vluchten.

Ze liepen naar het kleine Lystra, een plaats waar zich veel Romeinse veteranen gevestigd hadden. Daar heeft Paulus een gebedsgenezing verricht aan een lamme, die daar baat van leek te hebben. Maar nu was het nare gevolg dat ze voor goden werden aangezien door de mensen. Toen ze met de grootste moeite de mensen hadden overtuigd dat ze juist niets met de Romeinse goden te maken wilden hebben, sloeg de stemming om. Zeker toen enkele boze Joden uit Antiochië en Ikonium de bewoners wezen op het ‘valse profeetschap’ van Paulus. Weer kregen ze stenen naar hun hoofd. Nou ja, vooral Paulus dan, want Barnabas hield zich meer gedeisd.
Toch hebben ze hier een belangrijke bekeerling gemaakt, Timoteüs, die Paulus op latere reizen trouw zou vergezellen.

Nu naar het stadje Derbe, dat ze na zes dagen bereikten. Hier werden ze gastvrij onthaald en kon Paulus zijn boodschap vrijelijk uitdragen. Hij kon er op verhaal komen ook, en van zijn opgelopen verwondingen genezen.
Vanaf hier keerden ze om en bezochten opnieuw Lystra, Ikonium en Antiochië. Ditmaal zonder veel problemen,  en de weinige bekeringen tot blijvende gemeenten bevestigend. En daarna terug naar hun thuisbasis Antiochië, om verslag uit te brengen.

Ze arriveerden er in het late najaar van 45 AD. Hun verhaal werd met bewondering aanhoord, maar ook met zorg. De gemeente was bezocht door enkele apostelen uit Jeruzalem, en was gekapitteld over hun ‘paulinische’ idee van de leer van Jezus die echt niet strookte met die van de moedergemeente. Alle christenen dienden zich te gedragen volgens de wetten van Mozes, en volgens de richtlijnen van de Tora besneden te zijn.
Veel christenen in Antiochië waren niet besneden en voelden zich nu ineens tweederangs christenen. Paulus echter, en ook Barnabas wel, zij het aarzelend, vielen deze christenen nu bij. De tweespalt hellenen contra Hebreeën liep hoog op. Zo hoog  dat besloten werd om naar Jeruzalem te reizen voor een oplossing.
De conferentie daar vond plaats voorjaar 46. De meningsverschillen werden tenslotte door Jacobus beslecht: het laatste wat die wilde was een splitsing in de geestelijke nalatenschap van zijn broer. Zijn voorkeur bleef besnijdenis. Maar die kon je aan niet-Joodse bekeerlingen moeilijk opleggen. Wat je wel van dezen mocht eisen was dat ze zich onthielden van afgoderij, van hoererij en van verstikt vlees en bloed.

Paulus was tevreden. Zijn belangrijkste punt, het Zoon van God-zijn van zijn Christusfiguur, was niet ter sprake gebracht en was ongeschonden uit de conferentie gekomen. Teruggekeerd bereidde hij in Antiochië een volgende reis voor, wat neerkwam op het bijeengaren van reisgeld. Petrus bracht in die dagen een bezoek, en zat gewoon met onbesneden christenen aan tafel. Maar toen een paar Hebreeën uit Jeruzalem arriveerden, trok hij zich, tot grote woede van Paulus, terug. Maar Petrus wilde geen praatjes dat hij in gezelschap van niet-Joden had verkeerd. Dus toch nog het orthodoxe Joodse wetticisme wat de klok sloeg! Paulus voer heftig uit, maar daarmee verspeelde hij ook nog de steun van Barnabas. Die had al langer zijn twijfels bij de afstand die Paulus in zijn leer nam van de Joodse Wet, en nu besloot hij te kiezen: met Petrus en voor de Hebreeën-benadering.

En toen Paulus ook nog weigerde om Marcus, Barnabas’ broer, mee te vragen voor de tweede reis (want die had hen immers op de eerste reis al vroeg in de steek gelaten), besloot ook Barnabas niet mee te gaan.
Paulus koos als reisgezel na lang nadenken Silas, een Hebree: om zich in te dekken tegen verdenking. Slimme keus: er is niets bekend van tegenspel van Silas tegen Paulus, en deze hield van zijn kant  rekening met diens aanwezigheid.
Paulus had besloten om niet weer eerst per schip naar het zuiden van Anatolië te varen om vandaar de plaatsen van zijn eerste reis te herbezoeken; hij wilde het nu over land doen. Dus noordwaarts, via de  Cilicische Poort (de Belempas) naar Tarsus en vandaar naar Lystra en Derbe. Daar hoopte hij vooral Timoteüs weer te ontmoeten.
Dat zijn geen geringe voetreizen. In Tarsus heeft Paulus geen prediking aangedurfd: hij was geen debater, was niet sterk in het zich verplaatsen in de zienswijze van de ander. Hij was meer van: het is zoals ik het zeg, en daarmee uit. Daar kom je in gesprek met intellectuelen niet ver mee.

In Lystra ontmoette hij inderdaad Timoteüs weer, en wist deze over te halen, mee te reizen. De moeder van Timoteüs was Jodin, maar ze had haar zoon niet laten besnijden. Om Silas te gerieven haalde Paulus Timoteüs over om zich alsnog te laten besnijden.
Na diens herstel bezocht het drietal Ikonium en het Pisidische Antiochië. Ze brachten er de onbesneden christenen de boodschap dat de moedergemeente had ingestemd met hun onbesneden-zijn.
Ze reisden door naar Galatië (Centraal-Anatolië, het huidige Turkije): Paulus’ voorkeur ging uit naar afgelegen gebieden, waar nog geen andere missionarissen waren geweest. En hij meed grote steden waar hij intellectuele oppositie kon verwachten: eerst een behoorlijk achterban van simpele gelovigen opbouwen.
Want denk niet dat Paulus de enige zendeling was. Veel apostelen en andere christenen waren hem voorgegaan en hadden gemeentes gesticht, vooral in havensteden. Zelfs in Rome bevond zich al een behoorlijke christengemeente. Toen hij in 37 met Barnabas bij Petrus en Jacobus in Jeruzalem was, had hij daar al geen andere apostelen aangetroffen: die waren toen al op zendingsreis her en der en dat was ononderbroken doorgegaan.

Galatië werd geen denderend succes. De bevolking daar was van Keltische origine. De Galaten zagen er anders uit dan Joden, Grieken en Romeinen. Ze waren rijziger van gestalte en hadden rood of blond haar, en een vervaarlijk uiterlijk. Maar ze verstonden gelukkig wel Grieks. Niet dat ze zich vijandig toonden bij Paulus’ betogen, in tegendeel, ze leken er wel oren naar te hebben. Maar of er wat van bleef hangen was maar de vraag.
In zijn latere Brief aan de Galaten herinnert Paulus hen er aan dat hij, toen hij bij hen was aangekomen, ziek was, en dat ze hem desondanks liefdevol hadden ontvangen en verpleegd. Over de aard van Paulus’ kwalen tasten we in het duister maar zeker is dat hij geen sterk gestel had. Hij draaide vooral op wilskracht en koppigheid.

Paulus’ aanvankelijke einddoel was Bitynië, de noordelijke regio van Anatolië. Maar hij kreeg nu te horen dat de reis daarheen alleen veel zwaarder zou zijn; terwijl het bereiken van de Galaten al het uiterste van zijn krachten had gevergd. Hij besloot nu vanaf Galatië westwaarts te reizen, dwars door centraal Anatolië (Turkije) dus. Een barre tocht over nauwelijks begaanbare bergpaden, deels de loop van een rivier volgend. Tot ze eindelijk de streek van het vroegere Troje bereikten. Het heette nu Alexandria Troas, en was een stad waar Paulus op verhaal kon komen. Fik Meijer volgt het verhaal van Handelingen op de voet en merkt op dat de schrijver ervan, Lucas, hier  ineens over ‘wij’ praat. Dus dat die zich wellicht hier als vierde man bij het gezelschap heeft gevoegd.

Paulus besloot nu over te steken naar Macedonië. Ze gingen de havenkantoren langs en vonden een kustvaarder met bestemming Filippi. Via het eiland Samotrake bereikten ze in twee dagen de havenstad Neapolis. Vandaar nog 16 kilometer lopen naar Filippi, waar zij een eenvoudig onderkomen vonden. Op de sabbatdag begaf Paulus zich naar een wasplaats buiten de stad, omdat hij vernomen had dat daar veel vrome vrouwen kwamen. En inderdaad raakte hij er in gesprek met ene Lydia, purperverkoopster. Een vrome vrouw, die zich door Paulus liet bepraten. Ze bood het viertal woonruimte aan in haar huis en ze heeft vermoedelijk ook wat geld gefourneerd, waarvoor Paulus haar later nog per brief heeft bedankt. Via Lydia raakten ook nog enkele vermogende vrouwen in de ban van Paulus’ boodschap.

Op de wasplaats was ook een getroebleerde slavin die helderziend was. Als ze Paulus met zijn gezellen zag, schreeuwde ze dat deze mensen dienaren waren van de allerhoogste God. Paulus voelde er zich ongemakkelijk bij en hij dreef de geest die haar bezeten had, bij haar uit. Nu bleek ze ook beroofd van haar voorspellende gaven. Haar eigenaar, die goed verdiende aan haar gave, was woedend. Met een aantal anderen sleurde hij Paulus en gezellen naar de markt, en overtuigde de magistraat dat deze lui een gevaar voor de stad vormden. Ze werden zonder vorm van proces gegeseld en in de kerker geworpen.

Die nacht was er een aardbeving, waardoor de celdeur opensprong. Toen de volgende ochtend de gevangenbewaarder de open deur zag, was hij er zeker van dat zijn gevangenen er vandoor zouden zijn en wilde zelfmoord plegen. Maar ze zaten nog gewoon binnen en Paulus stelde de man gerust. Die was zo opgelucht dat hij zich met zijn familie liet dopen. De magistraat sprak hen ook vrij, ze mochten de stad te verlaten. Maar daar nam Paulus geen genoegen mee. Hij wees er op dat hij Romeins burger was en dus deze behandeling met geseling niet had mogen krijgen. Na Lydia en de andere dames  gegroet te hebben, verlieten ze het aangename Filippi en begaven zich op weg naar het verre Tessalonica.

Paulus had in Filippi voor het eerst met machtige vrouwen te maken gekregen. Vrouwen die misschien zelfs beter dan mannen in staat waren, leiding te geven aan een gemeente. Dit zou hem er in het vervolg toe brengen, meer vertrouwen in vrouwen te stellen.

In Tessalonika gingen ze eerst weer naar de synagoge, vooral om Silas een genoegen te doen, en Paulus hield er op drie achtereenvolgende sabbatdagen toespraken over de Bijbel en over de lijdende Christus die na drie dagen was herrezen, voor het heil van zijn volgelingen. En een aantal Joden bekeerden zich, en een nog groter aantal onbesneden Grieken, waaronder veel vrouwen,  die op de andere dagen benaderd werden.
Maar het geld raakte op en ze moesten die weken ook werken om wat te verdienen. Ze hadden onderdak gevonden bij een gehelleniseerde Jood, Jason geheten. Orthodoxe Joden keerden zich ook steeds meer tegen de bezoekers en op zekere dag hadden ze een knokploeg gevormd en trokken naar Jasons huis. De bezoekers bleken afwezig. Ja, die hadden tijdig de stad weten uit te komen.  Nu werd de arme Jason meegesleurd. Hij werd beschuldigd, mee te werken aan ondermijners van de keizercultus. Maar de Romeinse magistraat kon geen spoor van misdrijf ontdekken en vond dat ze het zelf maar moesten uitzoeken.
Jason’s huis zou het centrum worden van de nieuwe christengemeente. Dus toch succes. Maar ze hadden geen gelegenheid meer gehad om nieuw reisgeld in te zamelen bij rijke dames, en dus moesten ze nu onderweg werken of bedelen om wat eten. En ze leden vooral veel honger.
Na een paar dagen bereikten ze Berea. Ook daar weer eerst de Joden benaderd, op de sabbatdagen in hun synagoge. En op andere dagen werken en onbesnedenen benaderen. En weer met enig succes.
Tot er Joden uit Tessalonica verschenen en de Joden van Berea tegen Paulus opstookten. De grieven waren eigenlijk vooral tegen Paulus gericht. Dus besloot Paulus alleen te vertrekken en Silas en Timoteüs in Berea achter te laten om verder te missioneren. Enkele Berea-bekeerlingen gingen voor de veiligheid met Paulus en Lucas mee, naar de kust, waar ze afscheid namen. Paulus en Lucas gingen scheep (ze hadden kennelijk reisgeld meegekregen) op een kustvaarder naar Athene.

Ze landden in de haven van Piraeus. Paulus was gespannen. Nu zou hij met echte intellectuelen in debat moeten. Ze begaven zich naar de prachtig aangelegde Agora, waar Atheners en Romeinen elkaar ontmoetten in de zuilengangen. Atheense filosofen waren gewend om aan hun Romeinse bezoekers alles over Plato en Aristoteles en over de beroemde tragedieschrijvers te vertellen; nu werden die geleerde mannen geconfronteerd met armoedzaaiers die hén wat trachtten bij te brengen en kritiek hadden op al die prachtige beelden overal, in hun ogen afgodsbeelden.
Niettemin luisterden ze aanvankelijk beleefd. Maar Paulus had geen uitgekristalliseerde denkbeelden te bieden; alleen wat geraaskal over oude Joodse geschiedverhalen en profetische voorspellingen van ene Christus die zich tot redding van de wereld had opgeofferd. Vragen ter opheldering werden door hem ongeduldig afgewimpeld. Dus het duurde niet lang of Paulus stond tegen een pilaar te oreren: van zijn aanvankelijke gehoor hield de een na de ander het voor gezien.
Een paar stoïcijnen, altijd benieuwd naar nieuwe religieuze ideeën, troonden hen mee naar de Areopagus (een enorme rots in een rustig park) , zetten Paulus neer en verzochten hem om zijn boodschap te verhelderen. Nu kwam Paulus op het idee om hen te wijzen op dat ene altaar van hen dat gewijd was aan een onbekende God. Nou, die onbekende God kwam Paulus hun dus nu openbaren.
Paulus idee van een ‘opstanding van de doden’ ging er sowieso bij hen niet in. Voor hen was dood gewoon dood, weg. Maar het is vooral Paulus’ te weinig doordachte en te onsamenhangende filosofie geweest waardoor de Atheense denkers hem niet de moeite van het aanhoren waard vonden.
Toch lijkt hij er nog een paar bekeerlingen gemaakt te hebben, waaronder een haetare, Damaris geheten. Behorende tot de weinige hoogontwikkelde vrouwen die aan de discussies der mannen deelnamen.

Een illusie armer reisde Paulus met Lucas af naar Korinthe. Ze passeerden daarbij Eleusis, met de heiligdommen voor de graangodinnen Demeter en Korè; voor Paulus niets dan afgoderij. Langs gevaarlijke bergpaden – favoriete overvalplekken voor boeven: je kon je slachtoffers na beroving gewoon de afgrond in kieperen –  bereikten ze de Isthmus, de smalle verbinding tussen Noord-Griekenland en de Peloponnesus (Zuid-Griekenland). Scheiding ook tussen de Adriatische zee en de Egeïsche zee. Nu is er een kanaal, maar toen moesten de scheepsvrachten aan beide zijden worden uitgeladen en op speciale ossenwagens zeven km vervoerd naar de overzijde. De westelijke haven was Korinthe, de oostelijke was Kenchreeën. Omdat óm de Peloponnesus heen varen  niet alleen zes dagen langer zeilen maar vooral ook gevaarlijk was, werd van deze dure route druk gebruik gemaakt en was Korinthe een bloeiende stad. Een handelsstad, met een zeer gemengde bevolking en dus met tal van religies. Vanwege de tempel van Afrodite met haar vele tempelhoeren was het ook een frivole stad. Paulus voelde zich er meteen thuis en zou er anderhalf jaar blijven.

Belangrijk voor Paulus was de kennismaking met het Joodse echtpaar Aquila en Priscilla, die een kleine tentenmakerij hadden.  Ze hadden hun bedrijfje in Rome in de steek moeten laten  toen keizer Claudius in 41 zich tegen de grote Joodse gemeenschap  had gekeerd. Dat was geweest naar aanleiding van onlusten tussen de Joden en de christenen – voor de Romeinen één pot nat.
Er waren, zoals in elke havenstad zeker, veel meer  tentenmakerijen, en zoals overal in het rijk waren die in een soort gilden verenigd. Aquila en Priscilla hadden daar als vrome christenjoden niet bij gewild. Ze hadden het ook daardoor moeilijker, en waren blij dat ze in Paulus een christen-tentenmaker konden begroeten. Hij kreeg bij hen werk en onderdak.

Dat was echter geen onverdeeld genoegen voor de arme Paulus. Zeilen maken is zwaar handwerk, en je handen worden er eeltig van. Bovendien was hij geen arbeider maar een intellectueel. Een geloofsverkondiger bovendien. Natuurlijk kon hij met klanten over zijn missiewerk praten en dat had soms ook wel succes. Maar er bleef heel weinig tijd over voor de echte prediking. Aquila en Priscilla hadden het niet zo breed dat ze hen gratis in de kost konden houden.

Maar de overkomst van Silas en Timoteüs vanuit Berea bracht redding. Ze hadden een mooie som geld meegekregen. Vanaf nu kon de geloofsverkondiging pas echt van start gaan. En dat was te merken. Weldra was het huis van het echtpaar te klein geworden. Hoewel de meeste bekeerlingen arbeiders waren, handelaren, marskramers en anderen met lage maatschappelijke positie,  waren er ook rijken bij en die stelden hun huis open. Paulus koos het huis van Titius Justus, omdat dat naast de Joodse synagoge lag. De overste van de synagoge, Crispus, was namelijk ook een sympathisant. Een andere hoge piet die was toegetreden was Erastus, beheerder van de stedelijke financiën. Een rijke was Stefanas, die met zijn hele familie, inclusief slaven en ander personeel, was toegetreden tot de christengemeente. En laten we Febe niet vergeten, een rijke dame in Kenchreeën, de oostelijke havenstad. Toen ze later naar Rome verhuisde, prees Paulus haar in een begeleidende brief aan als adelphe (zuster), diakonos diaken) en prostatis (patrones, geldschietster).

De christengemeente groeide behoorlijk, en de orthodoxe Joden moesten met afgrijzen toezien dat hun eigen synagogebeheerder zijn baan opzegde en tot de christenen was toegetreden. Ze vreesden nu dat er in Korinthe hetzelfde zou gebeuren als in Rome: dat er hommeles tussen beide Joodse geloofsvarianten zou ontstaan en dat ze, op één hoop geveegd, allemaal de stad uit zouden moeten.
Ze wendden zich tot de Romeinse gouverneur, Gallio geheten. [Diens korte gouverneurschap daar liep, getuige een brief van keizer Claudius, van  eind 51 tot begin 52; mooi dat die brief een van de weinige data oplevert. Claudio werd weldra ziek en moest het gouverneurschap opgeven.]
Hun woordvoerder, Sosthenes, deed zijn best om een voor een Romein begrijpelijke aanklacht  te formuleren. Maar de zieke Gallio, die op zijn minst een misdrijf of onrechtmatigheid had verwacht, kon niets met een interne geloofstwist, en hij stuurde iedereen weg. Toen Sostenes buiten de rechtszaal door boze christenen werd aangevallen en zelfs afgetuigd, liep Gallio er straal langs heen, huiswaarts.

Maar Paulus begon zich na anderhalf jaar overbodig te voelen. De gemeente had hem niet langer nodig, hij wilde weer terug naar Antiochië, verslag uitbrengen van zijn tweede reis. Aquila en Priscilla wilden met hem mee, en ze verkochten hun armzalige boeltje. Het gezelschapje nam afscheid en vertrok naar Kenchreeën, waar ze door Febe werden ontvangen en ze op een schip wachtten dat hen zou overvaren.
En Paulus liet zijn kop kaal scheren. Waar dat mee te maken had is tot nu toe niemand duidelijk. Het enige schip dat nog zo laat in het seizoen die kant op ging, voer naar Efese. Oke, Efese dan maar. Wij schrijven najaar 51 en Paulus is nu naar mijn berekening (niet die van Fik Meijer) 37 jaar.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*