13 F. BEGIN ISLAM (VERVOLG)

Het hele verdere jaar 627 genoten de moslims van de rust en de Qurayza-bezittingen; althans, de bronnen weten verder niks bijzonders te melden. Ik vermoed dat de Vrienden met wat van de Qurayza-bezittingen zich voor handel leende – ik denk hierbij vooral aan slaven – een karavaan naar Syrië hebben uitgerust.
Maar begin 628 (onze jaartelling, de islam zou later een eigen jaartelling starten, te beginnen met de aankomst van Mohammed in Yathrib in 622 – zodat we bij hun jaartallen telkens 622 jaar moeten optellen) wilde Mohammed op pelgrimage naar Mekka.
Het was in de heilige maand waarin raids verboden waren, dus ze lieten hun harnassen, kromzwaarden en strijdbogen thuis. De Mekkanen zouden hen gewoon moeten toelaten, want in deze maand had iedereen het recht om de Ka’aba te bezoeken en de tawaaf, de zevenmalige rondgang, te doen.
Eind februari vertrok hij met 1400 volgelingen. Met kamelen en andere dieren om er te offeren, en met alleen hun persoonlijke ponjaard want het was wel Arabië weet je, geen overheid of politie die je even kunt bellen als je door iemand belaagd wordt.

Toen de stoet bij Hudaybiyya aankwam, de laatste halte- en drenkplaats boven Mekka, kregen ze van twee verspieders te horen dat de Mekkanen de moslims niet wilden toelaten. Mohammed stuurde een afgezant, op zijn eigen kameel, met de boodschap dat ze ongewapend waren, hun offers zouden brengen en daarna meteen weer zouden vertrekken.
Maar die afgezant werd uitgejouwd en de kameel zelfs verminkt.
Nu vroeg Mohammed Omar, want die had bij Badr geen Quray gedood. Omar zei dat hij in Mekka niemand had om voor hem op te komen. Hij wees op Uthman, die evenmin voor weerwraak beducht hoefde te zijn maar die daar nog veel familie had.
Uthman werd inderdaad vriendelijk ontvangen, en als hij de tawaaf wilde doen kon hij zijn gang gaan. Maar Uthman zei dat hij in naam van Mohammed was gekomen. Nu kreeg hij de wind van voren en werd zelfs gevangen gezet.

Het bericht nam in het Hudaybiyya-kampement de vorm aan dat Uthman vermoord zou zijn. Mohammed riep nu zijn volgelingen bijeen  en liet ze één voor één de bayat (eed van trouw) afleggen. Hetgeen betekende dat het alsnog op knokken uit zou draaien; en warempel, er bleken tussen de bagage nog heel wat zwaarden meegereisd te zijn. Moslims bleven tenslotte Bedoeïenen,  het nieuwe geloof bleef een laagje vernis.
Het onheilspellende bericht van de bayat-ceremonie deed de Mekkanen inbinden. Ze zonden Uthman terug, vergezeld van een afgezant hunnerzijds, om te onderhandelen.

Dit resulteerde in het Verdrag van Hudaybiyya, dat inhield dat Mohammed zijn pelgrimage niet dit jaar maar het volgende jaar zou doen; dat ze een periode van tien jaar wapenstilstand zouden respecteren; dat elke stam vrij zou zijn om een coalitie met elk hunner te sluiten; en dat de moslims beloofden het komende jaar niet langer dan drie dagen in Mekka te zullen blijven.

Het Verdrag werd in tweevoud opgeschreven … door Ali. Deze was het Verdrag begonnen met de aanhef “In naam van Allah en diens profeet Mohammed …”, maar de Mekkaanse afgevaardigde had geprotesteerd tegen deze aanhef. Ali had geweigerd deze te schrappen. Toen had Mohammed de pen gegrepen en hem zelf doorgekrast.

De Mekkanen waren er blij mee, beschouwden het Verdrag zelfs als een overwinning. De moslims, en met name de muhajireen, beschouwden het als een nederlaag: ze hadden gerekend op een triomf-intocht in de stad waaruit ze eertijds verdreven waren – precies de reden waarom hen de toegang door de Mekkanen ontzegd was – en nu zouden ze dus onverrichterzake terug moeten keren naar Medina.
Maar Mohammed bleef bij zijn besluit, en produceerde bovendien een ‘ingeving van Boven’.
De opvliegende Omar was ziedend en stapte op Abu Bakr af. Die verklaarde echter dat hij zich neerlegde bij de beslissing van de Boodschapper van Allah. Omar wendde zich nu schreeuwend tot de overige muhajireen en riep hen op om met hem de Mohammed-beweging te verlaten. Maar niemand bleek bereid om de zopas aan Mohammed afgelegde bayat te breken. En Omar kroop in zijn schulp.
Maar hij zou de kampioen van de ‘harde lijn’ blijven, waar Ali die van de ‘zachte lijn’ was, die van respect en duurzaamheid.

Mohammed gaf aan om nu maar ter plekke het pelgrimsritueel te voltrekken: van het hoofd kaalscheren en de meegebrachte offerdieren slachten. Maar dat bleek van zijn kant weer teveel gevraagd. Niemand maakte aanstalten.

Mohammed keerde terneergeslagen terug in zijn tent.
De verstandige Umm Salamah, een van zijn vrouwen en van zijn belangrijkste raadslieden, zei dat hij gewoon zelf zijn hoofd moest kaalscheren en zijn offerdier slachten; dan zouden de anderen zijn voorbeeld heus wel volgen. En zo geschiedde.

De sluiting van het Verdrag moge het vertrouwen in de wijsheid van Mohammed bij vooral de muhajireen ernstig op de proef gesteld hebben, maar voor Ali had zijn vereerde oom die hem zo had teleurgesteld door de massamoord op de Qurayza,  zich hiermee gerehabiliteerd door zich nu als een apostel van de vrede op te stellen.

Maar het was gewoon ook een heel slimme zet geweest. Met dit verdrag was Mohammed door de Quraysh als een gelijkwaardige partij erkend. Medina was hiermee als stadstaat, als een politieke realiteit, erkend. Het moslim-zijn werd, begonnen als een theoretisch project van Zayyeed en Waraqa en een beweging van Mohammed,  voortaan als een gelijkwaardige geloofskeuze beschouwd. De moslims binnen Mekka hoefden niet langer ondergronds te leven, konden ‘uit de kast’ komen. De stammen die met Mohammed een verdrag aangingen, hoefde geen represailles van Mekka meer te duchten.

Nog even over Umm Salamah. Ze was Khadija’s meest gewaardeerde vriendin geweest en had met haar man tot de kring van Vrienden gehoord vanaf het begin. Ze had eigenschappen die bij Bedoeïenen nogal zeldzaam waren: zachtmoedigheid, onbaatzuchtigheid, intelligentie en politiek gevoel. Toen haar man bij de Uhud gesneuveld was, was ze 29 jaar en had drie kinderen. Zowel Omar als Abu Bakr dongen vergeefs naar haar hand; en ook toen Mohammed haar vroeg, maakte ze bezwaar. Ze had evenmin als Khadija andere vrouwen naast zich geduld en had geen zin om nu, als zowat dertigjarige en moeder van drie kinderen, als vijfde in de rij aan te sluiten (ik vermoed dat ze vooral zo’n verwend nest als Aisha niet boven zich zou kunnen verdragen). Maar ze zwichtte toen Mohammed haar er echt heel graag bij wilde hebben: zij had alles wat hij zelf niet had.
Ze heeft zich ook ten volle waar gemaakt. Ze werd de topvrouw van de hele moslimgemeenschap. Nam deel aan alle beraadslagingen, zij het altijd op de achtergrond. Nam deel aan alle belangrijke veldtochten. Stond Mohammed bij met raad en daad. Behoorde tot de ‘zachte lijn’ van Ali, die van respect en duurzaamheid. Ze overleefde al Mohammeds vrouwen (ze werd 84 jaar) en heeft 378 hadiths (overgeleverde vertellingen over Mohammed) op haar naam staan, nog iets meer dan Aisha.

Nu we het toch even over de vrouwen hebben, even een vraagje tussendoor. Zijn de vrouwen door het uiteindelijke welslagen van de islam beter af geworden vergeleken bij de jahiliya, de ‘tijd der onwetendheid’ zoals de moslimgeleerden de tijd vóór de islam aanduiden?
Dacht ik niet. In de tijd dat de Arabieren als ‘wilde stammen’ nog veelgodenvereerders waren, was er sowieso verdraagzaamheid inzake elkaars geloof. En hoewel het een machistische mannenmaatschappij was, genoten de vrouwen er heel wat meer vrijheid en mogelijkheden dan onder de islam. Ze reisden zonder toestemming te hoeven vragen aan echtgenote of broers, en zonder dier begeleiding. Ze deden naakt de tawaaf rond de Ka’aba, zonder te hoeven vrezen voor geile verkrachters zoals de seksueel gefrustreerde moslims later zouden worden. Ze konden zeker zo goed sura’s (kernachtige spreuken en verzen) produceren als mannen, en waren als profeten even talrijk en in aanzien. Ze vergezelden met hun kinderen de mannen bij de gazwa’s, om water aan te dragen en medische hulp te verlenen. En vooral : ze konden rijkdom verwerven voor zichzelf. Khadija was er een goed voorbeeld van.

Naakt de tawaaf doen? Dat was een oeroude religieuze traditie rond de verering van de baetyls, de heilige opgerichte stenen (onze grafzerken zijn er nog een zweem van), een vorm van god-verering  die algemeen was in Arabië en de Levant. Ook de Bijbel meldt een aantal heilige stenen, zoals de steen die Jacob na zijn gevecht met de engel had opgericht en met olie had gezalfd, en de plaats Bethel had genoemd. Het zevenmaal dansen/zingen rond je baetyl deed je niet in de kleren waarin je je zonden begaan had: die legde je tevoren af.

We vervolgen ons Mohammedverhaal. De Nadir waren, als succesvolle kooplui en ambachtslieden, welkom geweest in Khaybar, dat 150 km benoorden Medina gelegen was;  maar ze bleven daar voor Mohammed een bedreiging vormen. Zoals gebleken was met de acties van hun leider Huyayy welke hem overigens persoonlijk noodlottig waren geworden.
Maar Khaybar was ook rijk. Mohammed had, wilde zijn project slagen, een groot en goed bewapend leger nodig; en dat kost heel veel geld. Khaybar was prooi, en dat het een bedreiging vormde was gerede aanleiding.

Khaybar was, net als Medina, als oase gevormd door lava-uitvloeiingen van vroegere vulkaan-erupties, waardoor winterregens die elders via wadi’s in het woestijnzand verzonken, worden opgevangen in natuurlijke bekkens. Ook daar hadden zich vanaf 70 AD enkele Joodse stammen gevestigd om er landbouw te beoefenen. Khaybar was vooral beroemd om zijn dadelpalmen; wat voor ons ‘water naar de zee dragen’ is, heette in Arabië ‘dadels naar Khaybar dragen’. Dadels vormden voor de Bedoeïenen hoofdvoedsel.
Ook daar woonden de stammen in afzonderlijke versterkingen, gebouwd tegen of uitgehakt in de hellingen. Want bedoeïenen leefden van raids op waar wat te halen viel en er was geen overheid.

De aanleiding van bedreiging was reëel. Mohammeds toegeeflijke opstelling met het Verdrag van Hudaybiyya had ook bij de Khaybar-joden de indruk gegeven dat de moslims aan het verzwakken waren. De nieuwe leider van Khaybar bezocht de Ghatafan-bedoeïenen en spoorde hen aan om raids uit te voeren op de velden en kuddes van Yathrib. Dat deden ze graag. Een perceel waar Mohammeds kamelen graasden, werd overvallen en de jonge hoeder gedood. Diens moeder die de jongen eten kwam brengen, werd met de kamelen mee afgevoerd. De moslims hadden de overvallers echter achterhaald en de kamelen en de moeder heroverd. Hierbij was ook de rol van de Nadir-sjeik aan het licht gekomen.

In mei 628 vertrok het moslimleger, ruim 1500 voetvolk en ruim 150 ruiters groot. Tegenover een sterke stad als Khaybar was dat toch een waagstuk. De oase omvatte acht forten. Het sterkste ervan was al-Qamus, dat de best getrainde vechters huisvestte en wier aanvoerder Merhab was, een der befaamdste vechtersbazen van het schiereiland.
De moslims hadden echter een geloofsfanatieke doodvechtersmentaliteit. Belangrijker nog: ze hadden de Pers Salman, die niet alleen kennis had over belegeringstechniek maar ook nieuw: militaire discipline in hun gelederen had weten te brengen. Waar bedoeïenen tot nu toe ongeordend vochten om de buit en om persoonlijke heldendom.
Salman had de plaatselijke situatie verkend en een strijdplan ontworpen.

Inderdaad wisten de moslims het ene na het andere fort, te beginnen met het zwakste, in te nemen. Met het buitgemaakte wapentuig, waaronder een belegeringsmachine, werd het volgende onder handen genomen. Maar het fort al-Qamus bleek een struikelblok. Abu Bakr met zijn afdeling liep er op stuk. Omar met de zijne faalde eveneens. De moraal onder de moslims zakte.
Mohammed beloofde dat wie het fort zou innemen, voor altijd als ‘de leeuw van de islam’ te boek zou staan. Hij zou de volgende dag iemand uitverkiezen om het wonderzwaard Dhu’l Fiqar te mogen dragen.

Zodra de zon op was stond menig aanvoerde bij de tent van Mohammed om de standaard van Mohammed in ontvangst te nemen en Dhu’l Fiqar omgegord te krijgen. Maar Mohammed vroeg waar Ali bleef. Die was nog in zijn tent, had iets in zijn oog gekregen.  Mohammed maakte de punt van zijn mantel nat en veegde Ali’s oog; en nog na-knipperend kreeg Ali het zwaard omgord. Vandaag ging het om alles of niets.

En het zou alles worden. Het spannendste moment was, toen er na een paar bestormingen even gepauzeerd werd en Merhab Ali uitdaagde voor een tweegevecht.
Merhab verscheen, zijn rijzige gestalte op en top geharnast. Hij droeg twee zwaarden, aan beide zijden een; maar zijn sublieme wapen was … een drietandige speer.
Ali was fors gebouwd maar middelmatig van lengte. Hij had rossig haar en een wilde baard. Hij was in alles het tegendeel van de schreeuwerige maar niet bijster dappere Omar. Ali zei nooit veel, was geen drinker, drong zich nooit op. Hij bekeek elke situatie in alle rust en wist vervolgens van geen wijken.
Ook nu niet. Hij deinsde wel achteruit toen Merhab hem met dat vreemde wapen aanviel. Maar hij herstelde zich, zette zijn sublieme schermkunst in, weerde met een schijnbeweging de drietand af en in dezelfde second flitste Dhu’l Fiqar dwars door Merhabs helm én hoofd.

Onverwacht beroofd van hun aanvoerder trokken de Joodse strijders zich terug binnen de burcht en grendelden die hermetisch af. Op Salmans aanwijzingen en met een buitgemaakte stormram werd een bres geslagen. Er volgde een man tegen man gevecht waarbij Ali z’n schild verloor. Hij rukte een deur uit zijn hengsels en gebruikte die als schild.
De overwinning was een feit toen de belegerden zich overgaven; ze hadden 93 man verloren, waaronder hun kampioen Merhab. De moslims 19.

Met Khaybar was de rijkste oase van het toenmalige Arabië aan de moslims gekomen. Een schat aan goud en zilver, gedurende eeuwen door de nijvere Joden vergaard in hun fortificaties. Grote kuddes paarden, kamelen, rundvee, schapen en geiten. Uitgestrekte bouwgronden en vooral dadelpalmboomgaarden: de grootste inkomstenbron van Khaybar. Vergelijk het met de verovering van de oliebronnen door IS.

Natuurlijk konden de moslims die opbrengsten aan dadels en zo niet zelf produceren: de muhajireen waren kooplui en stadsmensen, de ansar  Bedoeïenen, geen boeren. Mohammed liet dus de Joden van Khaybar in het bezit van hun land, vee en boomgaarden, maar bedong de helft van de productie en nijverheid. Dat betekende alleen aan dadels al 200.000 korven per jaar. Mohammed benoemde een gouverneur en vestigde een moslimgarnizoen in het al-Qamus fort, om de afdracht zeker te stellen.
Een kleinere Joodse oase, Fadak, nier ver van Khaybar, gaf zich hierna zonder strijd over aan de moslims. Ook daar benoemde Mohammed een gouverneur. Hij bestemde de helft van de productie van Fadak tot inkomen voor zijn vrouwen en zichzelf. En tot erfenis voor zijn dochter Fatima en haar man Ali, de held van Khaybar. Vanaf nu was Mohammed van zijn geldzorgen af.

Mohammed had zich uit de buit aan slavinnen voor zichzelf de jonge en schone Safiha, dochter van de door hem geëxecuteerde Nadir-sjeik Huyayy, toegeëigend. Een verhaal apart.

Safiha was getrouwd met haar jonge en knappe neef Kinina, die Huyayy was opgevolgd als Nadir-leider en o.m. schatbewaarder van de Nadir was. Kinina werd nu door de moslims wreed gemarteld om hem de plek van de Nadirschat te ontwringen. Onder meer door een vuur te ontsteken op zijn borst. Kinina stierf zonder het geheim prijs te geven.
Terwijl ze bezig waren Kinina te martelen, kwam er iemand binnen die vertelde dat Dihya, een van Mohammeds strijders, zich meester had gemaakt van Safiha. Nou en? Ja maar – de boodschapper misgunde Dihiya de fraaie buit –  Safiha was mooi, en bovendien de dochter van Huyayy, die hoorde aan de profeet.
Mohammed stuurde Bilal om Safiha op te halen. Bilan vond haar in gezelschap van haar twee nichten; hij nam ze alle drie mee, en de verontwaardigde Dihiya ging ook mee.
Niet bepaald fijngevoelig om de meisjes te confronteren met het misvormde lijk van Kinina en ze begonnen dan ook deerlijk te krijsen. Mohammed liet het lijk afvoeren en berispte Bilal om zijn gebrek aan fijngevoeligheid.
Mohammed zag dat de boodschapper gelijk had: Safiha was buitengewoon fraai en pas achttien. Hij schonk de boodschapper één der nichtjes, aan Dihiya het andere en zegde deze bovendien zeven kamelen uit de buit toe. Want, sorry, hij moest inderdaad de dochter en echtgenote van een sjeik zelf als vrouw nemen, fatsoenshalve zie je.

Over fijngevoeligheid gesproken, Mohammed wenste haar diezelfde nacht nog te bezitten. De gechoqueerde Sahifa wist de profeet zich voorlopig van het lijf te houden door te zeggen dat ze ongesteld was. De volgende ochtend vroeg zag Mohammed een der ansars bij zijn tent staan. Die had daar de hele nacht op en neer gelopen. Waarom dat? vroeg Mohammed hem. De man was bang geweest dat een vrouw wier vader het vorige jaar en zojuist haar jonge echtgenoot door de profeet was gedood, wraak zou willen nemen.
Macht corrumpeert altijd alles en iedereen. Uitgezonderd enkelingen zoals Mandela of Ali; maar Mohammed hoorde daar niet onder.

Toch is Khaybar de profeet op een andere manier noodlottig geworden: hij heeft er een vergiftiging opgelopen die hem drie jaar later zou doen overlijden. Of het door een vergiftigde pijl geweest is of door gif dat in een maaltijd was gedaan, weet men niet. Vanaf Khaybar is zijn gezondheid achteruit gegaan.

Op de verovering van Khaybar beroept IS zich bij haar veroveringen van de oliebronnen van Irak en Syrië. Op de massamoord van de Qurayza-mannen beroept IS zich bij haar moordpartijen; en met het zich toe-eigenen van de vrouwen en huizen der andersgelovigen om daarmee duizenden jonge jihadisten van overal te lokken volgt IS nog steeds het voetspoor van de profeet.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*