13 G. BEGIN ISLAM (VERVOLG)

In februari 629 was het weer tijd voor de hadj, en opnieuw vertrok Mohammed met zijn moslims naar Mekka. Nu met 2000 man en vrouw.
Mohammed had laten weten dat hij rekende op een ongestoorde pelgrimage en verzocht dus om de haram, het terrein rond de Ka’aba, vrij te laten van ongelovigen. Van zijn kant zegde hij toe, ingevolge het Verdrag, om de godenbeelden met rust te laten en na drie dagen Mekka te verlaten en terug te keren naar Medina.

De belangrijkste Quraysh hadden besloten om er dan maar een driedaagse picknick van te maken in de bergen. Vanaf de hoogte rond Mekka konden zij, onder het genot van een goed glas wijn, bekijken wat de moslims daar beneden allemaal zouden uitvreten. En voor hun ogen ontrolde zich een wonderlijk schouwspel. Voorop ging de 60-jarige Mohammed op zijn kameel, die aan de teugel werd meegevoerd door Abdullah ibn Rawaha, een geletterde ansar-dichter; hij was namelijk de man geweest die als eerste contact met Mohammed had gezocht en hem naar Yathrib (Medina) had gehaald.

Mohammeds kameel werd gevolgd door een gedisciplineerde en schier eindeloze stoet in het wit geklede moslims, die het Overwinningslied  zongen dat de profeet ‘van Boven’ had ontvangen. Steeds opnieuw het Overwinningslied, tot allen zich rond de Ka’aba hadden verzameld.
Toen beklom Bilal het heilige gebouw en riep de moslims op tot het gebed; zoals ze dat in de moskee in Medina inmiddels gewend waren.
De Quraysh waren onder de indruk. Een nog nooit geziene discipline zoals die menigte gehoorzaamde aan de oproep van … een slaaf! Een vrijgelatene weliswaar, maar toch. En in de wit geklede menigte was ook geen onderscheid tussen aanzienlijk en onaanzienlijk; allen waren gehuld in hetzelfde wit.
De preek van Mohammed, vanaf de trap van de Ka’aba, was van die afstand niet te volgen maar de vrome aandacht van de menigte zei genoeg. Hierna deed de menigte, voorafgegaan door Mohammed op zijn kameel (was Mohammed gehandicapt of wat?) de tawaaf, de zevenmalige rondgang om de Ka’aba, die dus ook voor de moslims als een heilig gebouw gold, zijnde gesticht door Ibrahim, de oudste dienaar van Allah, zoals Waraqa had gesteld.
Hierna verliet de hele stoet, nog even ordelijk en gedisciplineerd, de haram om terug te keren naar hun tenten buiten de stad.
De volgende dag voltrok zich op dezelfde tijd hetzelfde ritueel en ook de dag daarop.

De Quraysh wilden graag weer naar huis en stuurden iemand naar Ali om te vragen of dat kon. Ali ging naar Mohammed en die gaf onmiddellijk orders voor vertrek. En tot opluchting van de Quraysh ging de moslimmenigte nog diezelfde avond op pad naar Medina en legde in de koele maannacht al een flink eind af.

Misschien het beste resultaat van deze performance van zijn nieuwe geloof is voor Mohammed geweest dat twee belangrijke jonge Mekkanen, Khalid bin Al-Walid en Amr bin Aas, begrepen hadden dat – vooral de verovering van Khaybar had boekdelen gesproken –  de machtsbalans binnen het schiereiland naar de moslims verschoof; dus dat het slim was om over te stappen. Beiden zouden in de toekomst als generaals inderdaad belangrijke overwinningen op hun naam schrijven. En weet je nog? Het was Khalid geweest die in de slag bij de Uhud de kansen had doen keren. Khalid was een militair genie, maar verder een schurk. Dat laatste zou hem roemloos laten sterven.

In augustus liet Mohammed een brief opstellen en versturen naar alle heersers van de hem bekende wereld. Na Khaybar en het succesvolle optreden in Mekka moet hij zich nu op het wereldtoneel een speler van betekenis geacht hebben. De brief, bevattende een beleefde uitnodiging om toe te treden tot de islam, zijnde het nieuwe Licht der Wereld, richtte hij tegelijkertijd aan de Romeinse  (Byzantijnse) keizer, de Negus van Abessinië, de Romeinse gouverneur van Egypte, de prins van de Ghassaniden (het huidige Syrië, toen vazalstaat van de Romeinen), aan de leider van de Banu Hanifa, en zo nog wat hoge leiders.
Het is de vraag of Mohammed echt kennis heeft gehad van wat er dat zelfde jaar speelde tussen de twee grootmachten van toen: de Perzen en de Romeinen (Byzantijnen). Kozrou II en Heraclius hadden zich vrijwel doodgevochten tegen elkaar. Voor het Perzische rijk betekende het de ondergang, maar ook het Romeinse zat aan de grond.
Weinig machthebbers verwaardigden het zich om op de brief van deze woestijnpotentaat te reageren, die hen enkel zijn geloof wou aansmeren in plaats van handel of iets anders van politiek belang te bieden had.
Eén reactie was een aardige: die van de Patriarch van de Melkiden in Alexandrië: die had hem zijn lievelingsslavin Maria en de bay Ibrahim opgeleverd, alsmede de muilezel Duldul.

Een grievende reactie kwam van de Prins van de Ghassaniden, Shorhail, die de brenger van de brief liet executeren. Toen Mohammed deze grove schending van de internationaal geldende afspraken om afgezanten ongemoeid te laten, te horen kreeg, voer hij er over uit in zijn vrijdagpreek.
Vervolgens rustte hij een leger van 3000 man uit. Als aanvoerder benoemde hij zijn aangenomen zoon Zaïd. Tweede man werd de vrome ansar-dichter Ibn Rawaha. De derde vaandeldrager werd Ali’s broer Jaafar. Jaafar was niet lang daarvoor teruggekeerd uit Abessinië, waar de benarde Mekkaanse moslims welkom waren geweest en waar velen inmiddels een bestaan hadden opgebouwd. Maar Jaafar had zulke goede dingen over zijn broer gehoord dat hij nu ook gerepatrieerd was om zijn steentje bij te dragen. Mohammed was heel blij geweest met het onverwachte weerzien en zond hem nu mee in plaats van Ali.

De Ghassadiden waren als Romeinse vazallen myafytische christenen geworden. Shorhail versterkte zijn eigen troepen met een contingent Romeinse soldaten van het garnizoen in Bosra en wachtte het woestijnleger rustig op bij het plaatsje Mootah.

Bij aankomst werd het de moslims meteen duidelijk dat ze tegen een overmacht stonden. Zaïd stelde voor om eerst versterkingen af te wachten en stuurde meteen iemand terug daarvoor. Maar de vrome ansar Ibn Rawaha riep dat dit een gebrek aan vertrouwen in Allah en diens Profeet demonstreerde; dat ze gewoon moesten aanvallen en zich desnoods doodvechten. Khalid (die was ook mee) riep dat het gekkenwerk was; maar naar hem werd nog niet geluisterd.

Ibn Rawaha kreeg zijn zin. De aanval tegen de overmacht werd ingezet en het bleek al snel gekkenwerk. De eerste vaandrig die sneuvelde was Zaïd. Ibn Rawaha nam de standaard over en legde ook al snel het loodje. Jaafar onderging hetzelfde lot, maar niet dan nadat eerst zijn ene hand met de standaard was afgehakt, vervolgens zijn andere hand, waarna hij de standaard nog onder een oksel overeind wist te houden. Tot hij van achter werd geveld. Onmiddellijk greep Walid nu de standaard en die wist zich, tot zes maal toe om een nieuw zwaard vragend,  staande te houden tot de tegenpartij wegens invallend duister de strijd staakte. Morgen was er weer een dag.
Beide partijen trokken zich, met medenemen en begraven van hun gevallenen, terug in hun kampementen. Na veel over en weer geredeneer kozen de moslims nu  Khalid als aanvoerder.

Khalid overtuigde zijn mensen dat voortzetten van de strijd echt gekkenwerk was en dat de islam daar niet mee gediend zou zijn. Die zou gediend zijn met een behouden terugkeer van zoveel mogelijk strijders. Hij legde daartoe een bijzonder sluw plan voor. Dat werd aangenomen en uitgevoerd. De moslims ontkwamen zonder verdere verliezen in de voor hen veilige woestijn. De Romeinen waagden zich daar liever niet in, en waarom zouden ze ook: dat zootje nomaden had zijn lesje nu wel geleerd.

In plaats van als helden ontvangen te worden in Medina werden de terugkeerders door enkele ansar van het fanatieke kaliber Ibn Rawaha met hoon overladen. Mohammed kwam snel tussenbeide en betoogde dat deze helden het tegen een overmacht hadden weten uit te houden en dus eigenlijk  overwinnaars waren.

Maar het was wel degelijk een nederlaag. Te wijten aan onvoldoende kennis omtrent de wereld buiten de Arabische woestijn; maar maak dat de Bedoeïenenstammen maar eens wijs. Die namen grif aan dat de macht van de moslims nu gebroken was en dat een ghazwa (raid, strooptocht) op Medina alle kans van slagen zou hebben.
De Qad’ha, een Bedoeïenenstam ten noorden van Medina, ondernamen het. Mohammed stuurde er een legertje van 300 man op af. Hij vroeg Khalid om het aan te voeren, maar die was zo teleurgesteld door de beledigingen na zijn eerste optreden dat hij er voor bedankte. Nu kreeg zijn vriend Amr bin Aas het aanvoerderschap. En die bleek ook zeer bekwaam.

Toen ze het kamp van de Qad’ha genaderd waren, ontdekte Amr dat ze een aantal nabuurstammen hadden weten mee te krijgen. Het was weliswaar een wanordelijke verzameling krijgers maar wel een overmacht. Dus stuurde hij iemand terug om versterking te vragen. Die kwam onmiddellijk: 200 man waarvan 30 ruiters. Onder leiding van de Vrienden Abu Obaidah, Abu Bakr en Omar.
Obaidah veronderstelde dat hij nu de leiding had maar Amr liet zich niet overbluffen.
Die nacht was het koud, en velen maakten een vuurtje om zich warm te houden. Amr gaf terstond bevel om alle vuren te doven. Omar en Abu Bakr hielden hun vuur aan. Amr kwam er op af en deelde mee dat hij het persoonlijk zou doven door hen er op te gooien. Omar keek naar Abu Bakr. Die zei: wij zijn maar kooplui, Omar; we moeten gewoon doen wat een legeraanvoerder zegt. En hij doofde het vuur.

De volgende dag joegen de moslims de Bedoeïenen op de loop. Natuurlijk wilden de moslims ze achterna zitten, belust op buit. Amr verbood het.
Ze keerden terug naar Medina. Daar bekloeg Omar zich bij de profeet over de onbeschofte behandeling door Amr. Amr legde uit dat de vuurtjes aan de Bedoeïenen zou hebben verraden dat de moslims maar met zo weinig troepen waren. Een achtervolging van de Bedoeïenen in een terrein dat die op hun duimpje kenden had op een nederlaag kunnen uitdraaien.
Mohammed stelde Amr in het gelijk. Bovendien was met deze slag aan de Bedoeïenen voldoende duidelijk gemaakt dat er met de moslims nog steeds niet te spotten viel, hoopte hij.

Maar de moslims, wier islam door de Bedoeïenen terecht als een flagrante inbreuk op hun aloude woestijncultuur werd aangevoeld, waren blijkbaar toch niet onverslaanbaar. De Mekkanen, die de islam aanvoelden als een kankergezwel dat moest worden uitgesneden, hadden door de nederlaag nieuwe hoop gekregen.

De Mekkanen hadden intussen beseft dat Mohammed hen met het Verdrag van Hudaybija toch een oor had aangenaaid; dat ze hiermee de realiteit van het kankergezwel hadden erkend. Dat Verdrag moest, nu de moslims aan het verzwakken waren, snel worden tenietgedaan.

Er deed zich een gelegenheid voor. Twee stammen die volgens het Verdrag legaal overeenkomst hadden gesloten, de ene met Mohammed en de andere met Mekka, vlogen elkaar in Mekka, toen van beide stammen een groep op daar bedevaart was, in de haren. De aan Mohammed gelieerde groep werd zodanig belaagd dat ze zich ternauwernood bij bevriende families in veiligheid kon brengen en verscheidene doden te betreuren had. Terwijl – en dat was het erge – enkele Quraysh duidelijk aan de zijde van de belagers hadden gestaan.
De sjeik van de belaagde stam reisde naar Medina en bekloeg zich over de schending van het Verdrag. Mohammed stuurde onmiddellijk een afgevaardigde naar de Quraysh met de keuze: óf bloedgeld betalen voor de omgekomen belaagden óf het Verdrag opzeggen.
Veel heethoofden onder de Quraysh gingen voor het laatste en ze kregen de meerderheid mee.

Abu Sufyan en enkele andere ouderen kregen het echter benauwd. De Mekkanen waren echt geen partij meer voor de strijdmacht van de moslims. En Abu Sufyan reisde af naar Medina. Waar men al van zijn komst op de hoogte was.

Aangekomen begaf Abu Sufyan zich eerst naar het huis van zijn dochter Ramla, die nu als Umm Habiba een van de vrouwen van de profeet was geworden. Hij zette zich bij haar neer op het kleed, in afwachting van een welkomst drank. Maar Umm Habiba trok het kleed onder hem vandaan: daar zat de profeet altijd! daar mocht hij als ongelovige niet op zitten!
Na deze grove belediging begaf Abu Sufyan zich naar Abu Bakr en Omar. Maar die deelden hem mee dat Mohammed hem niet wenste te ontvangen.
Er restte hem niets anders dan met lege handen terugkeren naar Mekka.

Mohammed had niet voor niets het ultimatum zo scherp gesteld. De opzegging van het Verdrag kwam hem bijzonder goed uit, nu hij zich met de dag beroerder begon te voelen. Hij voelde dat hij de afgesproken tien jaar niet zou halen.

Mohammed mobiliseerde zijn troepen. Begin februari 630 togen ze op weg naar Mekka, en nu niet ter pelgrimage. Het bericht ervan veroorzaakte paniek in Mekka. De daar nog wonende leden van de Banu Hashim en de Banu Muttalib verlieten de stad om zich bij Mohammed te voegen. Het moslimleger sloeg de tenten op bij de oase Merr ad-Dharran, op 5 km van Mekka.
Mohammeds oom Abbas, sjeik van de Hashimclan, uitte zijn bezorgdheid dat het op een enorm bloedbad zou uitdraaien. Mohammed zei: dat hangt helemaal van de Mekkanen af.
Abbas leende Mohammeds muilezel Duldul en reed het kamp uit. Overal brandden kampvuurtjes, op orders van Mohammeds generaals: dan konden de Mekkaanse verspieders zien welk een overmacht hen wachtte.
Buiten het kamp stuitte Abbas op Abu Sufyan en diens metgezel. Ze waren radeloos daar ze die zee van kampvuren hadden gezien. Abbas liet Abu Sufyan plaatsnemen achterop Duldul en zorgde zo voor een vrijgeleide door het kamp. Op weg naar Mohammeds tent werden ze aangehouden door Omar. Die gaf luid en duidelijk te kennen dat hij Abu Sufyan ter plekke wilde ombrengen. Abbas zei dat hij borg stond voor Sufyan. Ze begaven zich naar Mohammeds tent. Maar de profeet was uitgeput van de reis – dat was helaas geen smoesje – en zou hen morgen te woord staan.

De volgende ochtend meldde het drietal zich door het ongeduld van Omar al vroeg bij Mohammed. Omar vroeg toestemming om Sufyan ter plekke te mogen doden en trok alvast zijn zwaard. Mohammed nodigde Sufyan beleefd uit om de islam te accepteren. Dat was voor Sufyan wel erg veel gevraagd. Maar Abbas verzekerde hem dat bij weigering Omar niet langer kon worden tegengehouden. Dus zei Sufyan om het vege lijf te redden de door Abbas voorgezegde vereiste geloofsbelijdenis na.
Hierna verzocht Abbas aan Mohammed om van zijn kant een toezegging te doen. Mohammed zegde Sufyan toe dat het leven van elke Mekkaan zou worden gespaard die bij binnenkomst van de moslims binnenshuis zou blijven.

Abu Sufyan was behoorlijk opgelucht. Hij haastte zich terug naar Mekka en riep een bijeenkomst samen. Op de trap van de Ka’aba staande deelde hij de voorwaarde van Mohammed mee. Nu ontstak Hind in grote woede en kwam de trap op gerend. Ze greep Sufyan bij zijn baard en riep dat haar man kinds geworden was. Dat ze hun stad moesten verdedigen en strijden tot de laatste man. Maar haar woorden vonden nauwelijks enige bijval. Luid schreiend liep ze naar huis.

De volgende dag organiseerde Mohammed de inname van de stad. Hij posteerde op alle vier uitgangswegen blokkades zodat niemand meer ongezien in of uit kon. Ali met de standaard en een afdeling ruiterij posteerde hij aan de hoofdweg. Aan de andere kant van de stad een afdeling infanterie onder Khalid. Mohammed gaf strikte orders om niemand te doden tenzij deze zelf aanviel.

Nu bevond zich in Mohammeds gelederen ene Hateb. Diens familie was in Mekka achtergebleven toen hij zelf elf jaar geleden met de moslims was mee gevlucht naar Medina. Om zijn familie te redden ingeval het op een nederlaag voor Mohammed zou uitdraaien en de wraak van de Quraysh ook hen zou treffen, had hij Mohammeds aanvalsplan op een briefje geschreven en gaf het aan een koopvrouw om het voor een paar dirhams Mekka binnen te laten smokkelen.
Helaas voor hem had iemand hem met die vrouw bezig gezien en bracht Mohammed op de hoogte. Mohammed gaf aan Ali’s blokkade de opdracht, de vrouw tegen te houden. Ze kwam zingend met haar koopwaar aangelopen: ze had nu al meer verdiend dan ze na een lange marktdag kon verwachten. Toen ze werd aangehouden wist ze van niets. Een brief? Ze kon niet eens lezen. Hoe de bewakers ook haar mand omkeerden en haar kleren doorzochten, geen brief te vinden. Ali wist dat ze loog en legde haar het zwaard op de keel. Toen trok ze de brief uit d’r haar. Omar wilde Hateb nu ter plekke de kop afhakken maar Mohammed kende de arme stumper die gewoon iets voor zijn familie had willen doen. Hij zei dat Hateb dapper had meegevochten in de slag bij Badr en dat ze hem moesten laten gaan.

Op zijn favoriete vrouwtjeskameel, met de jonge zoon van Zaïd voor zich op het zadel, trok Mohammed over de hoofdweg Mekka binnen. Hij hield het hoofd gebogen en zong zacht het Overwinningslied. Achter hem reed Ali met de standaard en de cavalerie.
Acht jaar tevoren was Mohammed berooid en als een dief in de nacht uit Mekka weg geslopen. Nu hij als overwinnaar terugkeerde wenste hij geen machtsvertoon. Het belangrijkste moest trouwens nog gebeuren: de heilige Ka’aba moest ontdaan van de 360 godenbeelden.
De intocht verliep zonder bloedvergieten. Op enkele doden na bij de door Khalid bemande blokkade, maar die hadden zich verzet, beweerde Khalid. Ja, er heerste veel dronkenschap onder de Mekkanen.

Na afgestegen te zijn, ontbood Mohammed Ali. Samen met hem besteeg hij de trap van de Ka’aba. De ontboden sleutelbewaarder ontsloot de deur. Een voor een droeg Ali de godenbeelden naar buiten waar Bilal ze met enige anderen stuksloeg. Het beeld van Hubal stond op een hoge sokkel. Mohammed zette zich met de rug tegen de sokkel, liet Ali op zijn schouders klimmen en die wist het beeld er af te duwen.
Hierna waren de muurschilderingen aan de beurt. Ze werden er af geschrobd met het heilige water van de Zamzambron. Er was ook een afbeelding van Miryam met haar kind Isa, maar die mocht blijven.

Het belangrijkste werk was nu gedaan. De uitgeputte Mohammed liet Bilal weer het dak beklimmen en de oproep voor het gebed doen. De hele menigte der moslims bad mee.
Hierna besteeg Mohammed zijn kameel en reed, gevolgd door al zijn volgelingen, zeven maal rond de Ka’aba.

Nu liet hij de Mekkanen uit hun huizen roepen en zich bij de Ka’aba verzamelen.
Op de trap staande, omringd door zijn lijfwacht en met zijn troepen op enige afstand, deelde hij de Mekkanen mee dat hij hen al het hem aangedane onrecht vergaf. Dat hij hen in vrijheid liet en hun bezittingen onaangetast. Dat hij slechts hun bayat  (solidariteitsverklaring) eiste, aan hem en aan de islam. Dat hij niet meer dan de normale belastingafdracht aan zijn gouverneur eiste. Dat hij zo spoedig mogelijk de stad weer zou verlaten en naar Medina zou terugkeren. Maar dat van nu af de Ka’aba de plaats van Allah zou zijn voor heel Arabië, zoals de Ka’aba dat al vanaf zijn stichting door Ibrahim geweest was.

De Mekkanen durfden hun oren nauwelijks te geloven: dat zij er nu zonder weerwraak van af zouden komen was een voor Arabieren ongelooflijk vertoon van zachtmoedigheid.
En één voor één kwamen de Mekkaanse mannen hun bayat en hun voorgezegde geloofsverklaring afleggen. Abu Bakr voerde zijn onwillige oude vader persoonlijk naar de profeet.
De vrouwen moesten hun bayat doen bij Omar. Abu Sufyan moest Hind duwend en als allerlaatste naar Omar voeren en knarsetandend de geloofsverklaring laten nazeggen.
Hun zonen, Yadid, Uthba en Moe’awyiah, hadden daar minder moeite mee en waren al heimelijk Mohammed-aanhangers geweest. Ze hadden, net als hun vrienden Amr ibn al-Aas en Khalid ibn al-Walid, begrepen dat de moslims de nieuwe macht in Arabië aan het worden waren, maar de Sufyan-broers vreesden de toorn van hun moeder Hind en hadden op dit moment gewacht.
Moe’awiyah, op dat moment 28 jaar, zou weldra zijn diensten als schrijver aan Mohammed aanbieden. Hij zou mee strijden, net als zijn broers, in de veldslagen, eerst onder het kalifaat van Abu Bakr en vervolgens onder het lange kalifaat van Omar. Ook vader Abu Sufyan zouden aan ettelijke veldslagen deelnemen, en zelfs moeder Hind, die eindelijk eieren voor haar geld had gekozen (het islamitische ‘vuur’ was vooral veroveringsdrift aan het worden)  en haar zoons steunde die snel opklommen in de rangen van de macht. Yazid werd door Omar tot gouverneur van Syrië benoemd, in 639. Maar in datzelfde jaar brak er een verschrikkelijke pest-epidemie uit, waar vooral veel moslim-milities slachtoffer van werden. Eerst stierf Yazid en daarna Uthba. Moe’awyiah overleefde de epidemie en de vreselijke hongersnood die er op volgde. Hij werd nu benoemd tot gouverneur van Syrië en zou uiteindelijk zelfs het kalifaat verwerven en de grondlegger worden van de soennitische Umayyaden-dynastie.
Maar kom zeg, we waren bezig met Mohammeds zegevierende bayat-afname in Mekka.

Niet allen mochten profiteren van Mohammeds amnestie. Wie hij zeker door Ali wilde laten terechtstellen was de Ethiopiër Wahshi, de vrijgelaten slaaf van Hind die zijn betreurde oom Hamza had gedood. Toch bloedwraak dus. Maar Wahshi bleek al een week eerder te zijn uitgeweken naar Taïf.
Ook de bij Badr gevangengenomen jongeman Abdullah, die vanwege zijn geletterdheid door Mohammed in dienst genomen was als schrijver, raakte nu in de penarie. Abdullah was de aangenomen zoon van de broer van Uthman, een van de Vrienden. Mohammed had meer schrijvers in dienst genomen, maar deze Abdullah was bijzonder bekwaam. Hij had onder meer Ali lezen en schrijven geleerd, en ook Aisha.
Het was fout gegaan toen Abdullah bij het opschrijven van de vaak wat stuntelig vormgegeven recitatieven beter ‘lopende’ versies had voorgesteld. Mohammed had toen zo makkelijk gezegd: ja, doe dát maar! dat hij steeds meer was gaan twijfelen aan de goddelijke herkomst ervan. Tenslotte was hij afgehaakt en teruggegaan naar Mekka. Daar had hij verkondigd dat de ‘ingevingen van Boven’ van Mohammed gewoon uit diens eigen koker afkomstig waren. Dit was Mohammed natuurlijk ter ore gekomen.
Hij wilde Abdullah nu laten onthoofden. Maar Uthman pleitte voor Abdullah. En Mohammed kon Uthman moeilijk verplichten tot bloedwraak op zichzelf. Toch een moeilijke beslissing voor de profeet.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*