Post 2: een westers genesisverhaal

  Het vrije Westen heeft geen eigen Verhaal dat kan opwegen tegen het monotheïstische Adam-en-Eva-verhaal. Dat besef doemde steeds duidelijker op uit de kruitdampen van de aanslag op de Charlie Hebdo-redactie, nou ja, uit de bespiegelingen daarover van de denkers. Ze  worstelden met de vraag over wat ze ideologisch tegenover de religieus geïnspireerde barbarij te stellen hebben. 

Hans Achterhuis en Ger Groot, niet de minste denkers van Trouw’s Filosofische Elftal, kwamen er in L&G 15 jan. niet uit. Dick Pels (Groene 15.01.2015) stelde dat Europa er zijn relatieve zwakte als continent van samenwerking, overreding en onderhandeling tegenover moest stellen. Beatrice de Graaf (NRC 10 jan.’15) wees er op dat IS geen woord- of moordmiddel schuwt om jihad-jongeren te werven en zegt dat  “we moeten nadenken met welke verhalen wij onze  toekomstige generaties willen boeien. Al was het maar uit contra-terroristisch oogpunt.”

Het  vrije Westen heeft natuurlijk heel wat meer in huis dan het laten zien dat we pal staan voor onze waarden. Om te beginnen de technologie waarmee de jihadisten te keer gaan: hun eigen cultuur heeft nog geen lucifer weten uit te vinden. De bakermat van de Islam, het Arabische schiereiland, lag toevallig gunstig voor de doorvoerhandel tussen de grote beschavingen. Kortstondige opflakkeringen van Islamitische cultuur waren eveneens vruchten van doorvoerhandel tussen Verre Oosten en Westen.  Het Moorse Al-Andalus dat floreerde gedurende de Europese Duistere Middeleeuwen, had niets soennitisch over zich, lag ver van Arabië en was behoorlijk schatplichtig aan de verworvenheden van de Grieks-Romeinse cultuur en van joodse en christelijke wetenschappers. Dat de soennieten vandaag zo kunnen imponeren dat de westerse denkers zich achter de oren krabben, is toe te schrijven aan het toevallige feit dat Arabië bovenop oliebronnen zit, niet aan hun culturele inbreng.

Nu heeft de westerse voorsprong op het gebied van wetenschap, technologie en democratie ook alles te danken aan Europa’s geografische ligging, en dankt de vrije markt economie haar zege over de onderdrukkende Grote Verhalen aan de toevallige historische omstandigheid dat er  in het post-middeleeuwse Europa  een machtsevenwicht bestond tussen despoot, grootgrondbezitterselite en burgerij. Daaraan heeft het Westen de Verlichting, industrialisatie en tenslotte de doorbraak van de vrije markt economie te danken. Wij hebben als westersen geen grond voor meerderwaardigheidsgevoelens ten opzichte van de onvrije wereld. We hebben eerder een plicht: om de vrije markt vrij te houden van financiële usurpatie en haar universele tendens te versterken met een universele ideologie. Zodat de van het financierskapitaal bevrijde  vrije markt economie nog beter in staat is om ook de onvrij rest van de wereld te verlossen van onderdrukkende ‘oude vormen en gedachten’.

Dat is geen taak waartegen we hoeven op te zien als tegen een berg. We hoeven maar na te gaan hoe bij ons de groep atheïsten groter geworden is dan de groep godgelovigen – 25% tegen 17%, volgens het recente IPSOS-onderzoek. Dat is niet het werk geweest van atheïstische imams zoals Dawkins en Harris en Hitchens.  Het was de ‘marktwerking’.

Mensen denken – en hebben altijd gedacht – conform de heersende economie. Dat is in het Westen dus de vrije markt economie geworden. Vanaf de zestiger jaren was die komen te beschikken over het massamedium televisie. Daarmee bood zij in haar reclames dag in dag uit, in ieders vrije tijd, haar mensbeeld aan de massa der westerse mensen aan: dat van de vrije, aardige, vrouw- en kindvriendelijke, individualistische consument, genietend van wat zij in de aanbieding had. Een heel wat aantrekkelijker mensbeeld dan wat de kerken tot dan toe ter identificatie hadden mogen voorhouden: de nietswaardige en van Gods genade afhankelijke zondaar. En vanaf de zeventiger jaren begonnen de kerken leeg te lopen en verloren ze hun macht over ons denken.

De kerkelijke autoriteiten riepen dat de mensen nu immoreel zouden worden. Maar mensen zijn van nature moreel,  niet vanuit godgelovigheid. Wel werden ze in de vrije markt economie minder collectivistisch, dus meer individualistisch. En de jongeren kregen NIX meer mee, geen vaste grond om hun identiteit op te baseren; zodat ze  nihilistisch werden en soms ook hooliganistisch. En de lui die bij het ‘grote geld’ kunnen, werden onmaatschappelijk, maakten de vrije markt neoliberaal en stortten ons in de crisis.

Gevolg van het verdampen van het christelijke Grote Verhaal?  Nou, vooral van de onmacht van de academische filosofie om het gat op te vullen. Zij had de westerse mensen en vooral de jongeren onmiddellijk moeten voorzien van een nieuw basisverhaal dat vertelt waar het leven en het samenleven om draait. Ze hadden er in elk geval een vastberaden begin mee moeten maken. Maar er kwam NIX.

De vrije markt economie beroofde  de westerse mens van het geloof in het monotheïstische Adam-en-Eva-verhaal, maar het bracht er geen nieuw voor in de plaats. Natuurlijk niet: de vrije markt is niet meer dan een economische situatie. We moeten het nieuwe Verhaal zelf maken. De vrije markt bracht welvaart en maakte bijvoorbeeld dure veldonderzoeken betaalbaar. Vanaf de zeventiger jaren begonnen de resultaten van relevante menswetenschappen rijkelijk binnen te stromen. We hoefden niets anders te doen dan er mee aan het bouwen te slaan.

Wie hadden daarmee aan het werk gemoeten? Niet de wetenschappers zelf. Die hebben ieder een kleine niche uit te diepen, dienen zich bijvoorbeeld peer reviewed bezig te houden met harde fossielen en stenen werktuigen, en hooguit met cmᶾ -inhoud van fossiele schedels. Wat er in die fossiele schedels is omgegaan, dus het verklaren van het gedrag van die wezens – gedrag dat  toch wel opvallend was gaan afwijken van dat van hun mededieren –  hoort niet bij hun discipline. Het speculeren hierover moet de core business van de filosofie zijn, tenminste volgens aartsvader Kant. Die had op het einde van zijn leven de kennis omtrent de mens als de belangrijkste taak van de filosofie aangewezen. Helaas was ‘de mens’ vanouds het frenetiek bewaakte terrein van de kerken; zij mochten uitmaken hoe de mens van nature in elkaar zit. De academische filosofie had bovendien nog geen echte disciplinewetenschappen tot haar beschikking.

Dat kwam anders te liggen toen in de jaren ‘70 de vrije markt de relevante menswetenschappen tot bloei bracht, en de filosofen volop materiaal aangedragen kregen voor hun core business..  Jammer dan,  de academische filosofie was net hopeloos aan het rond dolen in de woestijn van het postmodernisme. Ze was het spoor van nazi-sympathisant Heidegger blijven volgen: die schreef zo moeilijk dat dat dan wel het ware filosoferen moest zijn. Toen onze jongeren verwachtingsvol naar de filosofen begonnen te kijken voor het broodnodige materiaal ter fundering van hun identiteit, kregen ze van Jaap van Heerden te horen dat ze blij moesten zijn dat het leven geen zin had.

De postmoderne filosofen juichten het verdwijnen van de collectivistische Grote Verhalen van fascisme, communisme en christendom natuurlijk terecht toe. Maar ze hadden dus onmiddellijk aan het bouwen moeten gaan aan een nieuw, nu op wetenschap gebaseerd, basisverhaal over hoe wij, van oorsprong normale dieren, talige wezens geworden zijn en daardoor machtig geworden zijn in de dieren- en plantenwereld. U oppert misschien dat dit verhaal al lang door de wetenschapsschrijvers wordt aangeleverd, daar bij denkend aan de vele titels als “Het Ontstaan der Mensheid”, “Human Origins”, “How Humans Evolved”, en aan de prachtedities zoals “Evolution. The Human Story” onder uw salontafel.

Maar die bevatten zonder uitzondering het fysieke ontstaansverhaal, van fossiele vooroudersoorten en hun stenen werktuigen in hun opeenvolgende verschijningsvormen. Nergens het verhaal over hoe het begon, een verhaal dat het monotheïstische Adam-en Eva-verhaal pareert.

Een zeer recent  artikel (NRC 16 jan.) “Taal begon met het op elkaar slaan van stenen” kan U uit de droom helpen. Het gaat  over een gedegen onderzoek, uitgevoerd  aan de Schotse top-universiteit van St. Andrews. “De oorsprong van taal is nog altijd een raadsel”, zegt Lucas Brouwers, de auteur van het artikel, maar hij ziet de onderzoekers speculeren over een mogelijk begin ervan.  Groepjes studenten kregen vuursteenkeien en kregen een primitief stenen werktuig te zien. Probeer het maar na te maken. Een ander groepje kreeg er ook nog iemand bij die het zwijgend voordeed. Een derde groepje kreeg er praktische les bij, met gesproken aanwijzingen. Natuurlijk bakte het eerste groepje er niets van, het tweede groepje nauwelijks wat en kreeg het derde de techniek aardig onder de knie. Conclusie: “Het eerste gesprek ooit ging over steen”. Prachtig onderzoek. Maar het maakt alleen aannemelijk dat de makers van de Olduvai-werktuigen van 2,6 mjg al over talige communicatie moeten hebben beschikt.

Het maakt niet duidelijk hoe ze er aan gekomen waren. Waarom deze wezens wél en andere aapmensen en mensapen niet? Wat doét talige communicatie met een mensaap dat hij daardoor zulk ondierlijk gedrag gaat vertonen? Niet alleen gaat deze mensaap van keien schraap- en hakwerktuigen vervaardigen maar hij gaat ook het vuur waar alle normale diersoorten in paniek voor op de loop blijven gaan, gebruiken om er zijn mededieren mee de stuipen op het lijf te jagen en zich er mee buiten de tropen verbreiden over Eurazië. Wat is er in deze mensaap gevaren? Dat begin te bedenken is filosofenwerk. Het vervolg kan daar coherent bovenop gebouwd worden en dan kan het Westen ook iets geestelijks bieden aan de rest van de wereld.

Een vrije-tijds-filosoof die wél al vanaf de jaren zeventig met het aangedragen wetenschappelijke materiaal aan de gang is gegaan – ik heb het natuurlijk over mezelf, een citicen scientist naar het hart van Robert Dijkgraaf in zijn NRC column van 25 okt.’14  – heeft zeker een ‘oerknal’-punt voor onze ontstaansgeschiedenis weten te bedenken.  Ik kom daar hier mee voor de draad om aan te kunnen tonen dat het Westen wel degelijk een science-based Verhaal kan stellen tegenover het achterlijke Adam-en-Eva-verhaal waar de onvrije wereld het nog steeds mee moet doen, en waar jihadisten hun misdaden ten diepste mee rechtvaardigen.

Mensen zijn talige wezens. Daar zijn we het allemaal over eens. Maar wat houdt dat ‘talig’ zijn precies in? Wel, onze soort onderscheidt zich van alle overige communicerende groepsdieren er in, dat onze communicatie namen voor de dingen kent. Het kunnen beschikken over namen voor de dingen doét iets met een dier. Dit nu is iets wat de meeste denkers nog niet hebben ‘meegekregen’. Maar: beter laat dan nooit. Ik begin mijn beginverhaal bij de aller-onderste wortels.

Onze vroegste voorouders behoorden tot de familie der mensapen. Om preciezer te zijn: tot de soort die, ten gevolge van klimaatverandering in het Plioceen (5,3-2,5 mjg) haar voorouderlijke regenwoud-omgeving was kwijtgeraakt, zich had aangepast aan een savanne-achtige omgeving en die we gewoonlijk als hominiden (aapmensen) aanduiden. De aanpassing was voor onze nadere voorouder-hominiden versneld verlopen in een fase van isolement (tussen 7,7 en 6,5 mjg) op het tijdelijke Danakil-eiland. Isolement sluit genetische uitwisseling met verwante soorten uit en leidt tot speciatie (soort-verbijzondering); waar Darwins Galapagosvinken een bekend ander voorbeeld van zijn.

De aanpassing hield voor onze voorouder-aapmensen vooral in:  het zich op twee benen gaan voortbewegen bij de voedselgaring. Die bestond namelijk uit schelp- en andere waterdieren, en dat noopte hen tot waden. En tot het verfijnd gaan gebruiken van hun handen en het ontwikkelen van werktuigen bij het openbreken van de schelpen. Uit het gedrag van Tai-chimpansee-vrouwen, die stenen gebruiken om harde noten te kraken (google ‘Tai Chimp Project’), en graafstokken om knollen uit te graven (google ‘Ugalla Primate Project’) en naar termieten hengelen met een geprepareerd takje, mogen we afleiden dat ook bij de aapmensen het werktuigen maken door vrouwen werd gedaan. Niet alleen bij de stenen Oldowan-werktuigen op de foto bij het artikel moeten we ons vrouwenhanden bij denken, maar ook in ons genesis-verhaal is de vrouwelijke sekse leidend. 

Toen door daling van de zeespiegel omstreeks 6,5 mjg de eilandsituatie werd opgeheven en onze vooroudersoort zich verbreidde over wat nu Noord-Afrika is, en met name Ethiopië, dat met Eritrea als onze bakermat geldt (we schrijven inmiddels rond 6 mjg), bleven onze voorouder-aapmensen – die ik hier verder als VOAP’s aanduid –  ‘oeverapen’: de vindplaatsen van hun fossiele resten en hun werktuigen waren toentertijd oevers van meren en rivieren. Let wel, mijn beschrijving tot nu toe wordt nog steeds door een top-paleoantropoloog als Chris Stringer beaamd, en ook het vervolg zal bij hem zeker genade vinden.

Er zwierven eind-Plioceen/begin Pleistoceen (2,5888 mjg-11,7 jg) verschillende AP-soorten groepjes rond over de Afrikaanse savannen, en onze VOAPs behoorden tot hun orde. Nog steeds normale dieren, even afgezien van hun tweebenigheid en handigheid. Deze specifieke verworvenheden kwamen hen uitstekend van pas toen ze hun beschermende eilandsituatie waren kwijtgeraakt en hun eten moesten scharrelen in een omgeving met nare roofdieren zoals grote katten en reuzenhyena’s; belust als deze waren op trage tweebeners die ook nog eens geen horens droegen zoals antilopen, geen scherpe hoeven hadden zoals zebra’s en geen dikke huiden zoals olifanten of neushoorns. Wel jammer voor deze monsters dat die aapmensen een akelig mensapen-kunstje hadden ‘geprofessionaliseerd’: ze gooiden met keien naar je kop zodra je in hun buurt kwam.

Wat onze VOAP’s betreft begon het ‘stenen tijdperk’ dus al heel vroeg. Elke ochtend, wakker geworden hoog in hun nest in een boomkruin, was na het verzamelen op de grond hun eerste activiteit: zich als groep begeven naar de oever van het meer of de rivier, om kalebassen te vullen met water voor onderweg, en om voorraden stenen aan te vullen. Hun uitrusting bestond behalve uit graafstokken ook uit draagtassen van huiden, overal te vinden op de open grasvlakten waar ze hun eten scharrelden. Afkomstig van de prooien van door sabeltandtijgers gevelde graseters, verder aangevreten door de leeuwen en na hen door de hyena’s en de gieren. De VOAP’s sloten aanvankelijk achteraan in de rij voor de restanten: er viel van de vellen altijd nog wat weefsel en vet af te snoepen. Als daar echt alles af was geschraapt met steenscherf of schelp, hielden ze er een multifunctionele draaghuid aan over. In de loop der generaties werden ze VOAPs steeds brutaler en drongen ze voor in de rij.

Om te overleven was voor de VOAPs een taakverdeling tussen de seksen onvermijdelijk. De vrouwen en kinderen scharrelden alles wat eetbaar was en voerden dat mee in draagvellen. De mannen deden niets anders dan zorgen dat de voedselgaring in veiligheid kon geschieden. Deze taakverdeling, met vrouwendominantie, zou mutatis mutandis gehandhaafd blijven tot lang na het eerste verschijnen van onze huidige soort, de Anatomisch Moderne mens (AMM). Aangekomen in het overnachtingsbos van die dag werd het voedsel verdeeld en daarna klom ieder voor zich een boom in om het overnachtingsnest te vlechten boven in de boomkruin. de nieuwe frontjes 002Verder nog steeds normale dieren dus. Tot … op zekere dag, in één van hun groepjes, een meidenspelletje geboren werd.

De alfa-vrouw had die ochtend beslist: we gaan vandaag dié route doen. En haar dochter begreep onmiddellijk: O, dan komen we vandaag langs de plek met bessenstruiken waar ik zo dol op ben (daar had ze voor het slapen gaan al op gehoopt). En ze straalde van blijdschap. Haar twee vriendinnen keken haar verbaasd aan: vanwaar die plotselinge euforie? Het meisje pijnigde haar hersens af: hoe kon ze nou aan haar vriendinnen duidelijk maken wat ze in haar hoofd had? En ineens imiteerde ze met haar hand [bes], [plukken] en [in haar mond steken], gevolg door verzaligd [proeven]. En nog eens. En nog eens. De ene vriendin werd ongeduldig: de groep begaf zich al op weg en het was gevaarlijk om los van de groep te raken. De andere vriendin wist: die bedoelt iets, maar wat? En ineens viel bij haar het kwartje: ze snapte wat die herhaalde gebaren betekenden en zij deed ze na. Yess!! En luid lachend renden de meisjes nu de groep achterna. De hele dag deden ze de [bes]-imitatie en dan was het telkens dolle pret. Enkele vrouwen kregen er schik in en begrepen weldra ook de betekenis van de imitatie. De dag erop bedacht de andere vriendin koortsachtig wat de groep die dag zou tegenkomen. Uit te graven knollen! En ze deed voor haar vriendinnen [graven]-[graven] met de [graafstok], en dan [knol]. En weer de hele dag pret met die imitatie.

Behalve leuk, was het op den duur ook wel handig: zo kon je het met elkaar hebben over iets wat niet in de omgeving waarneembaar was en wat je toch in je kop had.

Stom meidenspelletje, zult u misschien denken; zoiets als het gebarenspel Hints.  Maar … hiermee was er wél iets geboren dat de Aarde in haar drie miljard van leven en de evolutie van dat leven nog nooit had gezien: een individu dat het met een ander individu kon hebben over iets wat niet in de omgeving waarneembaar was; iets op een verre plek of zelfs in een ander seizoen. Die gebaren-imitaties van dingen waren niet de dingen zelf maar woorden, symbolen, voor die dingen.

Gebarenwoorden. Natuurlijk kan de lezer(-es) met gemak een ander scenariootje bedenken voor de geboorte van de eerste met de handen geïmiteerde mededeling. Prima. Zolang u maar niet denkt dat het met de nabootsing van het geluid van het bedoelde ding is ontstaan (nog afgezien van het feit dat belangrijke dingen zoals planten geen geluid maken). Voor zover onze taalkundigen zich gedachten maken over het ontstaan van ons taalvermogen,  menen ze  dat dit begonnen moet zijn als geluidnabootsingen met de stem. Maar dan realiseren ze zich niet dat dieren geen bewuste controle over hun stem hebben. Alle normale functies zoals handvaardigheid en zelfbewustzijn worden bij mensapen net als bij ons aangestuurd vanuit de hersenschors, maar juist de stem wordt bij dieren uitsluitend aangestuurd vanuit het limbische systeem, waar het gevoel (angst, woede, begeerte) zetelt.

Mensapen hebben derhalve geen bewuste  controle over hun stem. Taal-experimenten met chimpansee-baby’s in de zestiger jaren door ze in mensengezinnen, dus talige omgeving, te laten opgroeien, haalden niets uit. Wel soortgelijke experimenten in een gebarentalige omgeving.

Ik ben er van overtuigd dat de communicatie bij de Vroege Mensen tot en met de Neanderthalers vermoedelijk nog vooral gebarentalig is geweest, en dat onze stem pas bij onze soort, de Anatomisch Moderne Mens (AMM’s), gedurende de lange culturele evolutie uiteindelijk onder mede-controle van onze cortex gekomen is en dus vooral spraak geworden is. En dat deze meer ‘afstandelijke’ vorm van communiceren ook gedragsverandering heeft meegebracht, met alle gevolgen van dien.

Waar  het hier  om gaat is dat wij, van oorsprong normale dieren, door het gaan beschikken over namen voor de dingen mentaal heel aparte dieren geworden zijn. De VOAP-communicatie was wezenlijk anders geworden dan de normale groepsdierencommunicatie zoals van hun familieleden de chimpansees. Het was talige communicatie aan het worden. En dat doét iets met een dier. Het doet vijf dingen.

  1. Het beschikken over namen voor de dingen schept een gevoel van afstand tussen de ‘benoemer’ en ‘het benoemde ding’. Er komt ‘licht’ tussen ons en de dingen; tussen subject en object. Wij kunnen We komen ‘afstandelijk’ tegenover onze omgeving te staan terwijl normale dieren er willoos onderdeel van blijven uitmaken. Filosofen: hier wordt jullie metafysica geboren!
  2. Een naam is een soort handvatje aan het denkbeeld van het ding, waarmee wij het kunnen (be-)grijpen en kunnen overreiken aan de ander die het kan vatten. Capito? Met het gaan begrijpen van de dingen hebben onze VOAPs een afslag genomen die hen steeds verder verwijderde van het normale dier-zijn. Er was geen terugkeer meer mogelijk. Wij kunnen alleen verder gaan op het pad naar het steeds beter begrijpen van de dingen.
  3. Doordat ze het middels de naam ervoor met elkaar konden hebben over de sabeltandtijger, verminderde hun instinctieve angst voor het monster. Ze kregen er ‘grip’ op. Je zou het kunnen zien als een uitbreiding naar het domein van het mentale van het kunnen gooien. Het kunnen noemen van een ding geeft een gevoel van macht over het ding. Macht uitoefenen over elkaar was evenwel not done bij onze vroege voorouders. Bij primitieve stammen mag je een volwassene nog steeds niet bij zijn naam noemen, je moet hem omschrijven. Joden mogen hun god ook niet bij zijn naam noemen. Belangrijk: het is deze gevoelsmatige macht geweest die hen hun instinctieve angst voor het vuur heeft verminderd, zodat ze, als enige der dieren, het vuur zijn gaan gebruiken.
  4. Kennis, verworven in de ene generatie, kon hiermee worden doorgegeven aan de volgende; kennis kon zich, in tegenstelling tot andere soorten, bij ons gaan opstapelen.
  5. Onze VOAPs konden individuele vindingrijkheid op één hoop gooien, konden plannen beramen. Twee weten meer dan één, en met een hele groep kun je behoorlijke problemen aan. Ze kregen macht over hun mededieren; met hun macht over het vuur veranderden onze VOAPs van bange troepjes aapmensen tot de hooligans van de savanne.

 

Hiermee heb ik het begin neergezet van onze taligheid. Ik kan hier natuurlijk niet verder uitweiden  over de consequenties van het talig geworden zijn van onze voorouders; zoals over de gevolgen van het vuurgebruik voor hun taligheid; over hun omgaan met het verlies van hun dierlijke instinctzekerheid; over de aard van de menselijke natuur; over hun tot religieuze wezens worden; over hun vrouwelijke dominantie; over het ‘recente’ ontstaan van onze huidige AMM-soort; over de overpopulatie ervan en de machtsgreep van de mannen; over de landbouw als laatste der vrouwen-uitvindingen. Maar ik kan u hiermee wel een idee geven dat dit Verhaal heel wat inspirerender, vrouwvriendelijker en bemoedigender is dan het Adam-en-Eva-verhaal van de geloofsfanaten.

Dat is precies de boodschap die ik hier wil afgeven. Wij, in het vrije Westen, zijn sinds de zestiger jaren bevrijd gaan worden van de onderdrukkende collectivistische Grote Verhalen welke de beschavingen vanaf de IJzertijd hebben beheerst en waar de nog niet door de vrije markt bevrijde rest van de wereld nog steeds onder geknield of zelfs geprosterneerd gaat ligt. Het is zo betreurenswaardig dat het vrije Westen nog steeds te kampen heeft met een achtergebleven academische filosofiebeoefening. Het gebruikmaken van wat de overige menswetenschappen aan inzichten over de mens aandragen, is daardoor nog steeds amateurwerk  – daar is schrijver dezes zich pijnlijk van bewust. Ik heb er wel een leuke oude dag mee, maar had het toch heel graag anders gezien.

Wat ik dus in concreto aan boodschap aan te bieden heb, nu onze denkers (en steeds meer dominees!) een beetje radeloos aan het worden zijn, is het idee van het gaan werken aan een op actuele menswetenschap gebaseerd filosofisch Scheppingsverhaal, als alternatief voor het IJzeren-Tijdperk- Adam-en-Eva-Verhaal waarop de religieuze Grote Verhalen van Judaïsme, Christendom en Islam gebaseerd zijn.

Daaraan te gaan werken is een betere reactie op het jihadisme dan contraproductieve aanvallen op en bespottingen van gekoesterde moslimgedachtegoed. Met iemands geloof mag nooit gespot worden. Het adequatere westerse antwoord moet zijn: het presenteren van het op wetenschap gebaseerde alternatief: het Verhaal dat opgaat voor elke mens die vandaag ademt. En mijn idee is dat het een project moet worden. Over wat alle mensen, van welk geloof en welke cultuur dan ook, bindt: het mens-zijn. Dus met universele pretentie.

Ik geef u ten besluite het volgende ter overweging.

We hebben als mensheid tot nu toe al één universeel document tot stand weten te brengen, te weten de Universele Verklaring van 1948. Die is al gebaseerd op het mens-zijn van iedere mens. Dit mens-zijn is nog steeds niet nader uitgewerkt. Daar is de westerse wetenschapsbeoefening vandaag zeker toe in staat. Zij beschikt over internet en haar universiteiten staan wereldwijd met elkaar in contact, in een universele taal, het Engels.

Mensen zijn ten diepste geneigd te denken conform hun heersende economie. De vrije markt economie heeft het Westen al bevrijd uit de kluisters van de collectivistische Grote Verhalen. Ze heeft een globaliserende, dus universele, invloed. Alle Menschen werden Brüder Konsumenten. Zij dringt ook de niet-vrije samenlevingen via tv en films en de social media binnen. Het jihadisme is er een reactie op; de Arabische lente een eerste ontluiking. Het fundamentalisme is echter een bij voorbaat verloren achterhoedegevecht, hoe vreeswekkend het zich ook mogen manifesteren. De vrije markt is geen politiek instrument of regime waartegen mensen in opstand kunnen komen; het is een economische situatie. Het is een wind of change. Het is de ‘moderne tijd’. In het Westen is er ook nimmer een instantie of overheid aan het werk geweest om de mensen de kerken uit te lokken. Jongeren willen niet achterblijven, willen ‘met hun tijd mee’. De oudere generaties zullen hun kracht verliezen en tandeloos worden.  Zie je, dat is ten diepste wat er aan de hand is.

De vrije markt situatie heeft de westerse mensen bevrijd van de collectivistische Grote Verhalen en tast die van de onvrije samenlevingen eveneens aan. Maar die economische situatie is geen mens of instantie, ze kan er geen nieuw Verhaal voor in de plaats aanbieden. Dat zullen we echt zelf moeten maken. Dat kunnen we ook, en het had in het reeds bevrijde Westen al decennia geleden ter hand genomen moeten worden. Zou ons wellicht voor de crisis behoed hebben.

Het is niet het pakkie-an van de wetenschappers: die moeten er de bouwstenen voor blijven aandragen. Het is het pakkie-an van filosofen. De academische filosofie moet zich opnieuw uitvinden of anders wegbezuinigd worden. Leve de filosofen.

Het alternatief moet geen Boek worden maar moet de vorm krijgen van een project, van een work in progress. Bescheiden, falsifieerbaar, democratisch, zoiets als Wikipedia.  Het blijft ieders persoonlijke overtuiging respecteren, maar reikt ieder zoekende persoon de helpende hand.

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*