7 HET BESTE ACADEMISCH-FILOSOFISCHE BOEK VAN 2014

Als humanosoof geef ik er herhaaldelijk blijk van, geen hoge pet op te hebben van de academische filosofie; vanwege dat zij denkkracht van docenten en studenten gevangen houdt in onderzoeksgebieden die hooguit voor academische filosofen  interessant, maar  maatschappelijk gezien volstrekt irrelevant zijn. Terwijl Immanuel Kant rond 1800 al het onderzoek aan ‘de mens’ als de belangrijkste opdracht voor de filosofie bestempelde. Maar ja, dat onderzoeksterrein bleef nog anderhalve eeuw frenetiek afgeschermd door  de kerken. Zodat de filosofie zich dan maar met waardenvrije onderwerpen als ontologie, metafysica en epistemologie bleef bezig houden.

Heel veel mensen, en met name jongeren, worstelen op verstilde momenten met Grote Vragen, zoals wie ben ik, hoe ben ik er gekomen, wat is de zin van mijn bestaan en de zin van al het leven? Vragen waarop tot de jaren 60 de kerken antwoorden fourneerden, hoe gebrekkig en ongeloofwaardig dan ook, maar waarop sindsdien geen enkele instantie meer antwoorden op aanlevert.

Jongeren die verwachtingsvol naar de filosofie keken, werden het riet ingestuurd met de kluit Wees blij dat het leven geen zin heeft (Van Heerden, 1990). Menig gepensioneerde ging op filosofie-cursus, om na een werkzaam leven alsnog antwoorden op te doen, maar kregen menu’s van stokoude Grieken en duistere postmodernisten voorgezet. Academische filosofen weten niets over ‘de mens’, kennen alleen de pessimistische visies van hun oude filosofen, die nog alleen af konden gaan op de gruwelijke oorlogsmisdaden en rampen van hun tijd.

Het is een wantoestand. Vanaf de jaren 70 groeiden onze jongeren op met NIX, werden non-conformistisch (‘Provo” en punk), pessimistisch (‘no future’) of nihilistisch (hooligans). Mensen die bij het ‘grote geld’ kunnen, hadden niet langer het gevoel nog IETS met wie dan ook te maken te hebben en gingen voor hun eigenbelang (greed is good). Hun gegok stortte de gemeenschap van de ene crisis in de andere. En de academische filosofie bleef autistisch haar eigen ding doen, zichzelf opvattend als een disciplinewetenschap – wat ze evenmin is als haar alternatief, de humanosofie, of haar bijgelovige stiefmoeder, de theologie.

Autistisch? Individuele filosofen niet te na gesproken dan toch. Mensen als Ger Groot, Piet Keizer en René Gude hebben filosofisch meer bijgedragen aan het denken in onze Nederlandse samenleving dan de hele academische filosofie. Maar hun nuttige inbreng lever(d)en ze ondanks hun academische deformatie, niet dankzij.
Dit alles gezegd zijnde kom ik eindelijk bij Pouwel Slurink en zijn Aap zoekt zin.

Slurink is de enige academische filosoof die zich – en met recht – als darwinistisch presenteert. Hij mag dan geen flamboyante verschijning zijn zoals Herman Philipse en geen sprankelend docent als Robert Dijkgraaf, maar als auteur is hij zonder meer begaafd, en wat belangrijker is, onderhoudend. En als filosofie-auteur nóg belangrijker: zijn schrijfstijl is vrij van jargon.

Zonder ook maar op enig moment zijn filosofische waardigheid te verliezen, leidt hij de lezer(-es) is over alle terreinen van de academische filosofie voor zover relevant voor het onderwerp: de mens. Dat doet hij niet vanuit metafysisch standpunt maar vanuit naturalistische standpunt. Het is niet echt helder zoals hij het verschil tussen deze standpunten uitlegt, maar ik begrijp er uit dat het metafysische vooringenomen en dus star is, terwijl het naturalistische  flexibel is en meebuigt met discipline- wetenschappen die doorlopend onderzoek aan de wereld- en mensheidsfenomenen blijven doen. En dat is vernieuwend.

Maar Slurink blijft academisch filosoof. Echt vernieuwend zou zijn als hij zou pleiten voor een filosofie die zich geheel zou richten op de info uit de voor mens- en wereldbeschouwing relevante disciplinewetenschappen, en die de ‘klassieken’ zou overlaten aan een paar liefhebbers.
Hij blijft ook nog ‘darwinist-light’ in het opzicht dat hij niets weet over ‘de mens’. Ik bedoel (als humanosoof dus) dat hij geen idee heeft over hoe mensen, van oorsprong aapmensen, dat aparte pad zijn opgegaan dat tot ons leidt. Hij heeft geen definitie van de menselijke natuur, waaraan hij evengoed wel refereert. Zo’n definitie moet stoelen op een wetenschappelijk verantwoord verhaal over hoe mensen van apen tot mensen geworden zijn.

Pas in paragraaf 24 (van de 30) van Aap zoekt zin komt Slurink eindelijk bij de ‘aap’. Met een bespreking van  de reeks mensachtigen zoals we die in alle salontafelboeken over het ontstaan der mensheid kunnen lezen. Niets mis met die boeken; alleen dat die boeken  het bij opsomming laten en zelden speculeren over de uitvinding die onze soort uit het normale dierlijke gedrag hebben doen migreren. En zoeken naar zin mag je geen normaal dierlijk gedrag noemen voor een aap.

Bij ‘abnormaal dierlijk gedrag’ denkt een humanosoof aan:
1. het gaan gebruiken van vuur,
2. het maken van schraap- en snijwerktuigen
3. het talig worden,
4. het gaan dansen/zingen van Scheppingsverhalen (religieus worden)
5. het zoeken naar zin.

Wat zien we daarvan terug in Slurinks boek?
Inzake het gaan gebruiken van het vuur.
Hij wijdt, in tegenstelling tot de meeste salontafelboeken, wel enige aandacht aan het vuurgebruik, en permitteert zich zelfs enkele speculaties over het begin van het gebruik ervan, zoals vonken bij stenen werktuig maken, of roofdier verjagen met brandende tak (van een natuurlijk ontstaan vuur?). Maar hij heeft niets te melden over:
– hoe kwamen ónze voorouder-apen tot vuurgebruik en geen enkele andere soort?
– de impact ervan, en dan niet alleen wat betreft de verbreding en voedzaamheid van hun menu  (daarin volgt hij terecht Wrangham). Maar vooral ook de impact op hun samenleven: niet langer overnachten in boomnesten maar op de grond, rond een kampvuur; dat nodigt uit tot steeds verfijndere vormen van gedanst/gezongen performances (had hij ook van Mithen mee kunnen krijgen); impact op hun taligheid dus, op het wezen van het mens-zijn.

Inzake het maken van schraap- en snijwerktuigen.
Aangezien werktuiggebruik bij chimpansee-achtigen vooral vrouwenwerk is (het heeft met eten te maken), zou het voor de hand liggen dat Slurink in deze de bias onder de mainstream paleo’s zou rechttrekken en ook bij onze vroegste voorouders het werktuiggebruik als vooral vrouwen-uitvindingen en verfijningen zou willen zien: het had ook bij hen vooral met eten te maken. De vuistbijl is een typisch vrouwenwerktuig; twee miljoen jaar lang geen verandering in het ontwerp ervan: wanneer iets ‘werkt’, hoeft het voor een vrouw niet te veranderen.

Inzake  het talig worden.
Slurink heeft geen eigen en origineel idee over het belangrijkste wat onze soort zo onderscheidt van alle andere, en haar zo machtig heeft gemaakt: onze taligheid. Hoofstuk 25 gaat over de ‘sprekende aap’, en aan het begin ervan noemt hij mijn ‘taligheidshypothese’, echter zonder die te behandelen. Ik moet mij, als leek, vereerd voelen bij überhaupt vernoemd te worden. Maar als het daarbij blijft voel ik me meteen ook tekortgedaan, temeer waar hij wel woorden wijdt aan enkele echt ‘van de pot gerukte’ speculaties van anderen.

Mijn taligheidshypothese komt er in het kort op neer  dat onze vroegste voorouders zich van alle andere vormen van  leven en in het bijzonder van de overige mensapen en aapmensen zijn gaan onderscheiden door hun uitvinding van namen voor de dingen als verrijking van hun groepsdieren-communicatie.

Het gaan gebruiken van namen voor de dingen doet iets mentaals (geestelijks) met een dier.
– Het schept een gevoel van afstand tussen de benoemer en het benoemde ding, tussen subject en object. Een naam (symbool, woord) objectiveert  het ding.
– Het geeft een gevoel van macht over het benoemde. Met een naam (symbool, woord) ‘grijp’ je het ding bij de kladden. Dat gevoel van afstandelijkheid en macht is het geweest dat het onze voorouders zijn geweest die, als enige der diersoorten, het vuur durfden te gebruiken.
Ze gingen het pad op van het be-grijpen van de dingen. Wij bevinden ons nog steeds op dat pad: van het steeds beter begrijpen van de dingen.
– Met namen voor de dingen kon kennis, verworven in de ene generatie, worden overgedragen op de volgende. Kennis kon zich gaan opstapelen.
Namen voor de dingen stelden hen in staat, individuele vindingrijkheid op één hoop te gooien, te brainstormen. Met een hele groep kun je behoorlijke problemen de baas worden.
– Ze konden plannen beramen. Voeg daar bij hun gebruik van vuur en het is duidelijk dat ze van een bang ondersoortje tweebenige mensapen weldra tot de hooligans van de savanne konden worden.
Kan allemaal alleen verklaard worden door taligheid.

Inzake het gaan dansen/zingen van Scheppingsverhalen.
Steeds meer namen voor steeds meer dingen, op den duur bestaat hun hele omgeving uit benoemde dingen. Ze komen in een ‘woordenwereld’ te leven, een wereld van benoemde dingen. Wij leven nog steeds in een woordenwereld. Een virtuele wereld, welbeschouwd. Een ding bestaat voor ons pas als en in zoverre we er een naam (woord, symbool) voor hebben.
Steeds meer namen voor steeds meer dingen, dat wordt een chaos in je kop als je in die veelheid geen samenhang in kunt brengen. Die samenhang levert het verhaal: van hoe de dingen begonnen en zich ontwikkelden, inclusief onszelf, tot zoals ze nu zijn. Het Scheppingsverhaal. Voortgevloeid ook uit de nachtelijke performances rond het kampvuur. Met het vuur konden de Vroege Mensen zich ook buiten hun tropische bakermat verbreiden over het koelere maar wildrijkere Eurazië.

Van die Vroege Mensen heeft Slurink echter geen goed idee. Hij deelt met de mainstream paleo’s een pessimistische kijk op onze vroege voorouders. Die paleo’s redeneren als volgt. Wij zijn gewelddadig. De chimpansees zijn gewelddadig . Dus onze uit chimpansee-achtigen geëvolueerde voorouders moeten zeker ook gewelddadig geweest zijn.
Deze paleo’s veronachtzamen een paar feiten:
– de gebitten van die voorouders kenmerken zich door het verdwijnen van de mensapenslagtanden (wapens in statusgevechten) en door het onmerkbaar worden van de oestrus bij de vrouwen (aanleiding voor statusgevechten)
– de meest primitieve volkjes, nog pure verzamelaars/jagers zoals ons hele voorgeslacht tot omstreeks 50.000 jaar geleden, leven in harmonie, niet alleen onderling maar ook met hun buren.
– de chimpansees zijn pas gewelddadig geworden vanaf 2,5 mjg ten gevolge van de inkrimpingen van hun leefgebieden gedurende de opeenvolgende ijstijden. Die brachten hen telkens in overpopulatie-situatie, waarin de groepen met de meeste gewelddadige mannen overleven in gevecht met om voedsel concurrerende buurgroepen. Bij mensen is deze situatie zich pas vanaf zo’n 40.000 jg gaan voordoen.
De mainstream paleo’s hebben alleen kennis van de vele ‘wilde stammen’ zoals de Yanomamö-indianen en de Bergpapoea’s. Maar dat zijn geen pure Jager/Verzamelaars (VJ’s) meer zoals de Vroege Mensen altijd geweest zijn. ‘Wilde stammen’ telen hun hoofdvoedsel, in tuinen (horticulture) of als veehouders. Ze staan wezenlijk anders in het leven dan hun VJ-voorouders. ‘Wilde stammen’ hebben niet vrijwillig hun voorouderlijke en onbekommerde VJ-bestaan ingeruild voor het semi-sedentaire Tuinbouwersbestaan. Ze zijn producten van overpopulatie. Ze leven onder permanente oorlogsdreiging met naburige stammen.
Voor de onbekommerde VJ’s is de wereld nog eindeloos groot. Harmonisch samenleven, niet alleen binnen de groep maar ook met andere groepen, is voor hen normaal. In een hachelijk bestaan op het randje van overleven is harmonie het succesvolst, en dus uitgeselecteerd bij onze soort  in de loop der miljoenen jaren. Het heeft onze specifieke natuur gevormd.
Die natuur is sinds we als Anatomisch Moderne Mensen (AMM’s) erg succesvol werden, steeds ernstiger gefrustreerd. We konden veel grotere groepen voeden. Die groepen splitsten zich sneller. Op sommige plekken raakte de wereld vol en kwamen we in overpopulatie-situatie terecht. Gevolg: overlevingsgevechten tussen groepen. Oorlog. En oorlog maakt mannen belangrijk.

Maar onze ware natuur verdween niet: daar is die tijd (omstreeks 50.000 jaar) gewoon te kort voor.
We verlangen nog steeds ten diepste naar harmonie. Een optimistisch filosoof, zoals een humanosoof, heeft oog voor de historische tendens naar steeds minder oorlog en naar steeds beter begrijpen. We beginnen nu zelfs onszelf te begrijpen. Zodat we uiteindelijk  onze oorspronkelijke harmonie tussen de mensen kunnen herwinnen, overeenkomstig onze natuur. De filosofie hoort de uitdrager te zijn van dit optimisme.

Terug naar Ad 4, want Slurinks aap zoekt ZIN. Terug dus naar het dansen/zingen van het Scheppingsverhaal. Hoe verder we terug kunnen kijken naar primitief-menselijk gedrag, hoe meer we dat religieuze dansen/zingen waarnemen. Dat wijst er toch op dat de Vroege Mensen hun (woorden)wereld op religieuze wijze beleefd moeten hebben? Elke avond dansend/zingend het Scheppingsverhaal van hun (woorden)wereld rond het kampvuur dat de roofdieren uit hun buurt moest houden? Kan niet anders, maar jammer genoeg: dansen/zingen fossiliseert niet.

Maar wacht eens, dansplekken zijn er wel degelijk gevonden! Archeologen kunnen er meer aanwijzen maar voor mij is de bekendste ‘Bilzingsleben’. Daar is een travertijngroeve, en onder dat travertijn is bij ontginning een kampplek van  Vroege Mensen gevonden: drie hutten met daartussen een opvallend ‘schoongemaakt’ pleintje. Dezelfde populatie als die van de speren van Schöningen: van rond 400.000 jaar geleden – tot rond 50.000 jaar geleden leefden  er nog maar heel weinig mensachtigen op de wereld. De dansenden waren de vroege voorouders van de Neanderthalers.

Hoe kwamen die aan dat Scheppingsverhaal? Luister.
De Vroege Mensen leefden in kleine groepen. Net groot genoeg om samen aan genoeg eten te komen en net niet te groot om alle monden te kunnen voeden. Wanneer je groep door welke ramp dan ook getroffen was, trokken de overlevenden in bij een groep die nog wel genoeg te eten had. Daar waren ze altijd welkom, want een ramp kan elke groep overkomen. Wanneer zo’n succesvolle groep te groot werd, ontstonden er spanningen, en dan besloot een groepje jonge vrouwen, kinderen en mannen om een nieuw gebied in gebruik te gaan nemen. Niet te ver weg, want ze bleven elkaar nodig hebben, voor het uitwisselen van partners en weet ik wat al meer. Zeg maar tien dagreizen ver. Het is op die trage manier geweest dat de mensheid zich over de aardbol verbreid heeft.

Zo’n groepje ‘kolonisten’ was/waren in dat nog onbetreden gebied de eerste mensen die er de dingen hun namen gaven. Voor mensen betekent dat: ‘in het bestaan roepen’, scheppen. Bij hun nakomelingen leefde dat eerste groepje, tot één scheppende Figuur samengetrokken, voort als De Grote Voorouder,  wiens scheppende daden ze elke avond dansten/zongen rond het kampvuur.

De Aboriginals kennen het nog, hun antropologen beschrijven het en de humanosoof  kan het  lezen: hoe de Grote voorouder op die bepaalde plek het stamgebied binnenkwam  (hij kon onder de grond door of door de lucht) en hoe hij op Zijn reis overal de belangrijke dingen voor de stam  achterliet: bergen en heuvels, dalen en ravijnen, bomen en planten, zoogdieren en insecten. En op een bepaalde plek ook zielen, die bij een langskomende vrouw konden binnenglippen en bij haar een nieuw leven beginnen; de plek waar na overlijden de ziel terug keerde om er  een nieuwe kans af te wachten.  Ja, de ouden konden het mooi vertellen en ze werden grif geloofd.

Dat de meeste VJ’s en ‘wilde stammen’ dit Scheppingsverhaal niet meer kennen, maar nog wel een aangeboren besef hebben van die Grote Voorouder-figuur, dat leg ik in mijn teksten verder uit – ik moet het allemaal kort houden hier. Maar dat een miljoen jaar van op deze wijze je woordenwereld beleven,  als het religieuze gevoel in ons verankerd is, daar geven zelfs consumenten nog steeds, op welke wijze dan ook, onbewust blijk van. Ook iemand die met geen enkel geloof te maken wil hebben.

Inzake het zoeken naar zin.
We zijn nog steeds apen. Mensapen. Aapmensen. Afkomstig van dat ene groepje aapmensen waarin die ‘uitvinding’ van namen voor de dingen  plaatsgevonden heeft. Met alle gevolgen voor de mentaliteit van die aapmensen. Bijvoorbeeld dat ze geestelijk in een woordenwereld kwamen te leven. Een virtuele wereld die ze met het Scheppingsverhaal ervan geestelijk hanteerbaar en bevattelijk hebben weten te houden.
Vijfduizend jaar geleden kwamen we te leven in grote rijken waarin een heersende elite ons ondergeschikt hield met een aangepast en aan iedereen opgelegd Scheppingsverhaal.
Het is de vrije markt geweest die ons, in het vrije Westen, van dat collectivistische ‘Grote Verhaal’ is gaan bevrijden:  die economische situatie vraagt om vrije individuen (consumenten).

Vrijheid is conform onze menselijke natuur. Toen we nog VJ’s waren, was het ondenkbaar dat iemand macht uitoefende over een ander; zelfs niet eens ouders over hun kinderen. Dat zou helemaal niet ‘werken’ in dat altijd hachelijke  overleven waarin je ’s morgens vol vertrouwen op pad ging op scharreltocht maar zonder de zekerheid dat je met gevulde maag zou gaan slapen.
We zijn pas vijfduizend jaar geleden in slavernij en andere vormen van onderhorigheid geraakt. Wij, westerse mensen, zijn de eersten die vrij leven. Een groot goed, omdat het dus menszijns-conform is. Maar we zijn wel ons Scheppingsverhaal kwijt. Het had dan wel een onderdrukkende monotheïstische vorm, maar het wás er wél. Nu leven we vrij, maar met NIX. En ik liet al zien dat dit van geen kanten goed gaat. Hoe staat Slurink in dit probleem?

Nou, als academisch filosoof niet eens zo slecht. Hij toont zich aan het einde van zijn wel-geschreven en wel-geconstrueerde boek wel degelijk een wereldverbeteraar. Hij toont compassie met kansarmen, met de manier waarop we met de Aarde omgaan, en met de aangeboren ‘oermens’ in ons. “We lijken gevangen in de houdgreep van de economie en de grote bedrijven”.

Dat wereldverbeteren doet Slurink vooralsnog niet op bevredigende wijze. Hij durft zich niet te ver te verwijderen van de door mainstream paleo’s ‘gevestigde’ opvattingen. De humanosoof denkt echter dat discipline-wetenschappers als antropologen, paleoantropologen, archeologen en ethologen juist aan het wachten zijn, zij het onbewust,  op een filosofie die het voortouw neemt in het gebruik maken van wat al die verschillende (en verschillend moetende blijven) disciplines aan informatie aandragen.
Het zijn filosofen die met hetgeen disciplinewetenschappen aandragen, het ene en universele Scheppingsverhaal moeten wrochten.
Een Verhaal dat aan voortdurende bijstelling onderhevig moet blijven omdat de discipline-wetenschappen maar door blijven wroeten.
Ik zou zeggen: kom Pouwel, schrijf snel een nieuw boek, maar dan nu met humanosofische bagage. Dan krijgt de humanosofie eindelijk een echt boek!

One thought on “7 HET BESTE ACADEMISCH-FILOSOFISCHE BOEK VAN 2014

  1. Frans Couwenbergh Post author

    Beste Paul,
    Welkom op mijn blog.
    >>>Het humanisme (Humanistisch Verbond) doet een poging een seculiere wereldbeschouwing in de plaats te geven. De denkers van het HV zijn academische filosofen, en die weten vanuit hun opleiding niets over hoe de mens vanuit zijn ontstaansgeschiedenis in elkaar zit. Dus daar heeft onze samenleving voorlopig weinig aan.
    <<>>Van de universiteit Gent komt ook veel goeds, en Johan Braeckman lijkt me ook interessant.<< Helemaal eens.
    >>Het boek van Pouwel Slurink ‘Aap zoekt zin’ ga ik na uw betoog maar niet kopen/lezen.<<< Waar ik het 't beste academisch-filosofische boek van 2014 noem, kan ik hier niet in meegaan. Het is echt heel leerzaam, en lezersvriendelijk geschreven. Een aanrader.
    Pouwel vindt mijn theorie over hoe mensen van apen tot mensen geworden zijn, zeker wel interessant. Maar aangezien ik in het wetenschapswereldje een nobody ben, kan hij er als wetenschapper niets mee.
    Ik ben benieuwd naar je commentaar op verdere lezing van mijn teksten.

    Reply

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*