Deel 2: Het begon met een meidenspelletje

U en ik zouden vandaag nog steeds AP’s – dus normale dieren – zijn ergens in tropisch Afrika rond 4,5 mjg als er niet, in één van die AP-groepjes iets bijzonders zou zijn voorgevallen.

Ik bedoel, er móet iets bijzonders zijn voorgevallen, want ze werden talige wezens en gingen daardoor een van de overige dieren afwijkend gedrag aan de dag leggen. Maar wát is dat voorval dan geweest?

Voor zover paleo’s of taalkundigen zich deze vraag al ooit stellen, maken ze zich er doorgaans van af met een hersenmutatie. En vond die dan plaats in één AP-hersenpan? In alle AP-hersens tegelijk? Waar kwam die zo ineens vandaan? Waarom niet ook bij andere soorten? Waarom niet vaker? Schei toch uit. Ik ben allergisch geworden voor die alomtegenwoordige ‘hersen-neukerij’ die alleen maar meer vragen oproept zonder er ook maar één te beantwoorden. Ik verzin gewoon een just-so-story.

Nee, trek daar nou niet je neus voor op. Want wat denk je van de oerknal? Dat is toch ook een beredeneerd maar niet te bewijzen ‘feit’ – al vinden de astronomen steeds nieuwe aanwijzingen die het bevestigen? Een hypothese waarmee vervolgens alle heelal-fenomenen coherent verklaard kunnen worden?

Met mijn taalhypothese kan ik alle verdere mens-fenomenen coherent en bevredigend verklaren. En ik ruil mijn just-so-story meteen in als iemand een betere weet te bedenken. Maar kom niet aan met een hersenmutatie.

Hier komt mijn taalhypothese: een meidenspelletje. Ik heb er nog (de kaft-afbeelding laat er ook een zien) een schilderijtje bij verzonnen. Zo cruciaal vind ik dit ‘taalmoment’. Let nog even op de oerkracht van hun armen en handen, vanuit hun mensapenverleden van bomenklimmers, die savannebewoners, zelfs sabeltandtijgers, nooit hebben hoeven te ontwikkelen.

Op zekere ochtend, laten we zeggen 4 mjg, nadat de hele AP-groep uit de nesten was geklommen en al naar het water was geweest om te drinken, de mannen hun voorraad stenen hadden aangevuld, de vrouwen hun kalebassen vol water hadden en hun draagtassen en eventuele baby’s op hun rug hadden gehesen voor vertrek, had de alfa-vrouw beslist dat de foerageertocht vandaag dié kant op zou gaan.

Meteen begon haar dochter
te stralen: ze wist dat ze dan die dag het bestand bessenstruiken zouden aandoen en ze was verzot op die lekkere bessen. Haar twee vriendinnen keken haar bevreemd aan: vanwaar die plotselinge euforie?

Het meisje pijnigde haar hersens af: hoe kon zij haar vriendinnen nou duidelijk maken waar zij aan dacht? En bij ingeving imiteerde ze met haar handen [bes], [plukken]en [in haar mond steken], gevolgd door een verzaligd proeven. Geen reactie. Toen nog eens, en nog eens. De jongste vriendin begon ongeduldig te worden: de groep was zich al op weg aan het begeven en het was heel gevaarlijk om los van de groep te raken. De oudere vriendin echter wist: die bedoelt iets, maar wat in godsnaam? En ineens viel bij haar het kwartje, en ze deed de imitatie na.

Yess!! En schaterend haalden ze de groep in. De hele dag hadden ze lol en deden ze de [bes]-imitatie opnieuw. Ook andere vrouwen begrepen het spelletje en lachten.

De volgende dag ging de route een andere kant op en toen bedacht de oudere vriendin wat ze die dag dan zouden tegenkomen: [knollen uitgraven]. En weer de hele dag pret, en nog meer vrouwen deden de [knollen uitgraven]-imitatie.

Het zegt u misschien nog niks: gewoon een stom meidenspelletje. Maar bedenk wel: dit was nog nooit vertoond in de hele lange geschiedenis van het leven op Aarde: een dier kon het met een mededier hebben over iets wat er niet wás. Iets op een verre plek of zelfs in een ander seizoen.

U zegt misschien: en de bijen dan? Ja, nee, niet instinctief zoals communicatie bij (sommige) insectensoorten voorkomt, maar bewust, als keuze.

Ja maar, oppert een ander: apen kunnen elkaar ook opmerkzaam maken op een dreigend gevaar, zelfs met een aparte kreet voor [slang!] die een andere is dan voor [roofvogel!].

Jaja, de beroemde groene meerkatten. En dan maar meteen ook de voedselkreten van de chimps, bij het zien of ruiken van iets lekkers. Ze hebben zelfs een aparte kreet voor [vlees], een andere dus dan voor [banaan] of ander plantaardig voedsel.

Maar… dat is allemaal stimulus-respons reactie. Als je een chimpje een banaan geeft kan het die kreet niet eens binnenhouden. Net zoals wijzelf als we ons plotseling ergens aan branden of ons bij timmeren op de duim slaan: AUW!!

Maar als een chimp zin heeft in een biefstukje, kan hij dit niet tegen de oppassers te kennen geven met de kreet [vlees!]: die kan hij niet bewust produceren.

Zo meteen wordt duidelijk waardoor niet.

Nee, dit meidenspelletje was iets heel nieuws. Het was het overbrengen van een denkbeeld van de ene apekop in de andere. Zonder geluid.

Ja, lachen achteraf, maar niet bij het overbrengen.

Omdat het behalve leuk ook wel handig was bleef het er in en breidde het zich uit. Aanvankelijk alleen binnen dat ene groepje, en onder de vrouwen. Wanneer een vrouw iets nodig had, water of zo, maakte ze het gebaar voor [water] en dan begreep haar dochter dat ze even water moest halen. Steeds meer van die gebaren-imitaties die iets speciaals betekenden. Het werd een ‘cultuurtje’ in die groep.

Wanneer een jonge vrouw naar een andere groep verkaste voor een partner, nam ze dat ‘cultuurtje’ mee. En zo verbreidde het zich generatie na generatie over die hele stam. Onze voorouder-AP’s!

Ik noem ze hier verder VOAP’s (VOorouder AP’s), dat praat makkelijker.

Op dit punt waren de VOAP’s dus nog steeds gewone AP’s zoals er meer soorten rondtrokken, in kleine groepjes, over de Afrikaanse savannen van 4,5 mjg. Maar ze werden na een aantal generaties heel andere dieren. Niet uiterlijk, maar innerlijk, mentaal, verstandelijk. Ze voelden zich anders dan de overige AP’s die gewone dieren bleven. Ze gingen er zich losstaand, afstandelijk van voelen. Ze kwamen heel anders in het leven te staan.
Ze kregen steeds meer namen voor steeds meer dingen. Dat doét iets met een dier.

Het kwam er vooral op neer dat ze zich niet meer met de overige AP-soorten vermengden. En als dat ronde getal van 4,5 mjg van de genen-onderzoekers van het Max Planck Institut valide is, mogen we dat gebruiken als het beginpunt van onze soort.

namen voor de dingen

Je begrijpt: die gebaren-imitaties zijn woorden, symbolen. Ze zijn namen voor dingen. De VOAP’s waren de eersten (en tot vandaag toe enigen) in de dierenwereld die beschikten over namen voor de dingen.

Die namen voor dingen maakten ze dus niet met hun stem. Alle taalkundigen gaan er van uit dat de oorsprong van ons taalvermogen – voor zover een linguïst zich daar al een voorstelling van wenst te maken – een verfijning en uitbreiding is van de mensapen-kretologie. Maar ze vergeten dat mensapen geen bewuste controle hebben over hun stem.

Als een mensaap eten ziet, slaakt hij een voedselkreet. Dat komt: zijn stem wordt, zoals bij alle dieren, aangedreven vanuit het limbische systeem. Dat is een dieper hersengedeelte waar de emoties huizen, waar hij geen bewuste controle over heeft. Bewustzijn speelt zich namelijk af in de neocortex, de
hersenschors.

Je kunt een mensaap niet leren praten. Dat is in het Amerika van de jaren ’50 heel serieus geprobeerd: baby-chimps laten opgroeien binnen een gezin, samen met de eigen baby.

In het begin was zo’n chimpje voorlijk in alles. Maar toen het op praten aankwam, streefde de mensenkleuter ze chimpkleuter met gemak voorbij. Een ongelijke wedstrijd: het mensenkind wordt geboren met de taalaanleg als ‘programma’ in z’n hersentjes. Het chimpje leerde hooguit een paar woordjes als mama en papa, maar dan zonder de a’s, alleen de lip-medeklinkers. En ‘cup’ kon het ook zeggen, maar dan zonder de u.

Het heeft geen bewuste controle over z’n stem. Ja, schreeuwen kon ‘ie als de beste, maar niet praten.

Wat chimpbaby’s wél konden leren was ASL (Amerikaanse gebarentaal). De beroemde Washoe heeft 250 ASL-woorden leren gebruiken, en haar (geadopteerde) zoontje Loulis heeft er, zonder mensenhulp, ook een aantal van leren gebruiken.

het bijzondere van namen voor de dingen

Onze VOAP’s waren nog mensapen, zij het tweebenige. Ons taalvermogen is dus begonnen als gebarentaal. Daar ga ik verderop meer over zeggen. Eerst iets belangrijkers: wat is nu het bijzondere van het gaan beschikken over namen voor de dingen door onze VOAP’s? Wat doét dat met een dier, zodat het onze voorouders mentaal uit de dier-zijn heeft doen migreren?

Zes dingen. Leer die maar van buiten als je voortaan paraat wilt hebben wat ons van dieren tot mensen heeft gemaakt.

1. Een naam voor een ding ís niet het ding. Er gaapt een onoverbrugbaar gat tussen het ding en de naam (symbool, woord, afbeelding) ervan/voor. Daar had Kant (1724-1804) al een theorie over, uiteengezet in zijn Kritiek van de zuivere rede. Wat ik hier aanduid als de dingen duidt hij aan als ‘de noumenale wereld’ van de Dinge an sich, die we niet kunnen kennen daar die ‘buiten ons’ bestaan. De namen (symbolen, woorden) vormen de ‘fenomenale wereld’ door onze voorstellingen ervan en die we daardoor wél kennen.

Kant komt er niet echt uit, met zijn ‘transcendentale’ benadering. We zijn met zijn bespiegelingen dan ook weinig wijzer geworden, net zo min als met die van de filosofen in zijn kielzog.

Dat onze vroegste voorouders het normale dier-zijn mentaal hebben verlaten door de dingen
namen te gaan geven, is toch helder genoeg, zou ik zeggen. Waar het hier nu om gaat is: er is met die namen voor de dingen een mentale (geestelijke) afstand tussen de ‘benoemer’ en het ‘benoemde ding’ ontstaan.

Door steeds meer dingen van hun omgeving een naam te geven, kwam er ‘licht’ tussen de VOAP’s en hun (benoemde) omgeving. Althans mentaal (geestelijk), nogmaals. Ze kwamen gevoelsmatig een beetje ‘los’ van hun omgeving, terwijl de overige dieren daar willoos onderdeel van bleven uitmaken. Ik ga dat verderop nog wat ‘invoelbaarder’ maken met het voorbeeld van Helen Keller.

Er kwam afstand tussen subject (de benoemer) en object (het benoemde ding). De VOAP’s konden voortaan de dingen objectiveren. Ze kwamen er ‘afstandelijk tegenover te staan’, kun je ook zeggen.

2. Met een naam ‘grijp’ je ahw het ding. Je kunt een naam zien als een handvatje aan het ding, waarmee je er ‘vat’ op krijgt’. Je kunt het er mee beetpakken en het overreiken aan de ander, die het ‘vatten’, be-‘grijpen’ kan. Daarmee krijgt die het (als denkbeeld) ook in zijn brein.

Onze VOAP’s zijn het pad opgegaan van het gaan ‘begrijpen’ van de dingen. Dat pad leidde hen de dierenwereld uit, leidde hen uiteindelijk naar ons, naar het mens-zijn. Op dat pad bevinden we ons nog steeds, en er is geen terug naar het niet-begrijpen. We kunnen alleen maar verder op dat pad, naar het steeds beter begrijpen van de dingen.

3. Met een naam voor de sabeltandtijger kregen de VOAP’s ‘vat’ op dat gevreesde dier. Ze kregen er ‘grip’ op. Dat verminderde hun instinctieve angst voor het monster een beetje. Ze bleven ervoor op hun hoede, natuurlijk, maar de blinde paniek ging er af. Het gekke is: het leek een beetje op hun kunnen gooien met stenen. Wij zeggen ook nog wel eens: ik doe er een gooi naar.

Mensen die te horen krijgen dat ze kanker hebben, voelen ondanks de klap toch ook iets van opluchting; ze voelden al lang dat er iets heel fout was in hun lichaam en waren bang. De vaststelling van de ziekte gaf het toch een gevoel van ‘grip’: het had een naam, en kwam daarmee onder controle. We kunnen er heel slecht tegen als we ergens geen naam voor hebben.

Dat ‘vat’ krijgen op iets of iemand is ook een aantasting. Bij primitieve stammen mag je een volwassene nooit bij zijn naam noemen, je moet de persoon omschrijven. Iemand bij zijn naam noemen wordt gevoeld als aantasting van de integriteit van de persoon. De Joden mogen hun God nog steeds niet bij zijn naam noemen.

Iemand afbeelden heeft hetzelfde gevoelsmatige effect. Ik ben portrettekenaar en ken nog het gevoel van triomf toen ik, omstoeid door mijn mede-priesterstudenten, de gevreesde pater rector portretteerde: ik had hem een beetje in mijn macht. De moslims moeten het niet wagen om Mohammed af te beelden, of zelfs enig mens of dier. Afbeelden mag niet, punt uit.

Met de naam voor de dingen kregen de VOAP’s gevoelsmatig macht over de dingen. Dat heeft er toe geleid dat ze (ik schat zo’n 3 mjg) het vuur zijn gaan gebruiken in plaats van er, zoals hun mededieren, in paniek voor op de loop te blijven gaan. Maar ook dat heel belangrijke moment komt verderop aan de orde. Eerst deze opsomming af maken.

4. Met namen voor de dingen konden de VOAP’s voortaan kennis, door de ene generatie opgedaan, overbrengen op de volgende. Kennis kon zich bij hen gaan opstapelen.

5. Met namen voor de dingen konden de VOAP’s ieders individuele scherpzinnigheid op één hoop gooien. Twee weten meer dan één, en met een hele groep kun je grote problemen aan. De VOAP’s konden brainstormen. Dat is de kracht van het mens-zijn. De kracht van de democratie ook, in tegenstelling tot dictatuur die altijd tot achterlijkheid leidt en het vroeg of laat af moet leggen tegen democratie.

6. Met hun namen voor de dingen konden de VOAP’s plannen beramen. Vooral nadat ze ook het vuur waren gaan gebruiken werden ze van bange troepjes aapmensen de hooligans van de savanne.

Zo, dat waren de zes dingen die je echt in gedachte moet houden als je wilt beseffen wat het verschil is tussen mensen en alle overige dieren. De zes dingen die ons zo bijzonder hebben gemaakt in de natuur.

Ik heb twee dingen voor me uit geschoven. Ons taalvermogen als gebarentaal. En de spectaculaire gevolgen van het vuur-gebruik (spectaculairder dan dat het hun macht over hun mededieren verschafte).

taalklanken maar geen klinkers

Gebarentaal. Nou ja, taal? Proto-taal. Het heeft in het eerste miljoen jaar (van 4 tot 3 mjg, ik doe maar een gooi) het proto-gebarentaaltje van de Washoe-familie in Ellensburg (Washington State) in het CHCI van de plaatselijke universiteit, niet veel overstegen. Met het vuur, waarover zo dadelijk, zal dit met sprongen vooruitgaan. Wat ik eerst nog wil benadrukken is, dat de taal-experimenten met chimpansees ons geleerd hebben dat blaas- en plofgeluiden met de lippen (labialen) en keelgeluiden (gutturalen) vanaf het begin, toen de klinkers (vocalen) nog niet inzetbaar waren bij het vormen van namen voor de dingen, wél inzetbaar waren.

Als bonobo-achtige mensapen waren de VOAP’s al zeer communicatieve dieren, en ten zeerste geneigd om bij hun communiceren hun stem volop te laten meedoen. Chimpansees daarentegen zijn in rust weinig luidruchtig. Onderzoekers kunnen, op zoek naar hun studie-objecten, onder een boom vol foeragerende chimps door lopen zonder hen te horen of te zien. Maar bij bonobo’s is zo’n situatie ondenkbaar; al van verre is hun onophoudelijke communicatie, klinkend als van keffende hondjes, hoorbaar.

Hun stem heeft vanaf het begin meegedaan, weliswaar nog niet betekenisdragend maar als emotionele begeleiding. De k- en ch-klanken, de p- en f-klanken, de m- en ng-klanken die ze wél bewust konden maken (zijnde spiergevormd), zijn vermoedelijk al wél vanaf het begin als betekenisdragend ingezet. Een aanwijzing voor de juistheid van dit vermoeden leveren de klik!-talen van de Koi-San in Zuidelijk Afrika. De San behoren tot de oudste nog overlevende volkjes van de Anatomisch Moderne Mensen (AMM’s) die nog rechtstreekse nakomelingen zijn van de gebarentalige Vroege Mensen aldaar.

Het heeft er misschien niks mee te maken, maar ik moet er toch vaak even aan denken: het oorspronkelijke Arabische schrift – waaronder het Joodse. Dat had ook alleen medeklinkers …

Gebarentaal is vandaag doventaal. Het is echt taal – linguïsten hebben nog steeds moeite om daar rekening mee te houden. Doven kunnen een beetje leren praten door de spierbewegingen van gelaat en lippen van sprekenden te leren ‘lezen’, en na te bootsen – want ze beschikken over hun stem – zij het dat ze hun eigen stem evenmin kunnen horen; dus bepaald welluidend wordt het niet.

Maar de Vroege Mensen (de Neanderthalers behoorden daar nog steeds toe) waren niet doof en niet blind of zo; ze hadden alleen nog te weinig controle over hun stem. Dus die bleef een ondergeschikte rol spelen bij hun gebaren en hun klik! en klak! en prr- en chch- geluiden. communicatie.

Die controle brak zo’n 100.000 jg wél steeds meer door bij de AMM’s. Daardoor werden zij de Anatomisch Moderne Mensen (conventionele paleo’s spreken van H. sapiens). Zij zouden de Vroege Mensen tot uitsterven brengen; maar dat is pas zo laat in mijn verhaal dat ik die ontwikkeling nog mijlenver voor me uit schuif. Bij de AMM’s is de oorspronkelijke gebarentaal gedegradeerd tot een ondersteunend element bij het spreken; maar die zit zo diep in onze talige communicatie ingebakken dat we er nog steeds moeilijk buiten kunnen – vooral wanneer onze communicatie emotie-geladen is. Hoe emotioneler we zijn, des te breder onze gebaren.

Onze woorden komen ook beter ‘los’ als we er gebaren bij mogen maken. Je ziet iemands gesticulatie ook een fractie eerder dan je diens woorden hoort, let maar eens op bij een tv-debat.

het vuur

Maar nu snel over naar het vuur.


Zo’n 3 mjg zijn de VOAP’s het vuur gaan gebruiken. Geen enkele paleo die daar aan wil, aan zo’n vroege datering voor het vuurgebruik. Dat komt vooral doordat ze een bijzonder lage dunk hebben van de menselijkheid van de Vroege mensen. Zelfs de Neanderthalers (NT’s) werden door hen nog lang als uiterst stompzinnige oermensen aangezien. Speren? Welnee, de NT’s hadden hooguit ‘sondes’: aangepunte stokken om daar mee in de sneeuwlaag te prikken naar door de sneeuw begraven karkassen van mammoeten; stuitte een NT op iets dan rook hij aan de punt; rook hij vlees dan begonnen ze huilend het karkas op te graven en was er honk-honk-honk feest. Jaja. Totdat er in Schöningen echte professionele speren werden opgedolven, van 350.000 jg. Dus van de verre voorouders van de NT’s! Nooit meer iets over die ‘sneeuwsondes’ gehoord.

Vuur? De conventionele paleo’s erkenden alleen vuurgebruik wanneer in de archeologie echte haarden werden blootgelegd. Dus hooguit 40.000 jg. Archeologische vondsten noopten hen om het tijdstip te vervroegen naar 300.000 jg. En toen in Israël werd in een grot een kennelijke stookplaats gevonden, OK, dan naar 400.000 jg. Maar toen in Koobi Fora, waar het oudste H.erectus-skelet van 1.5 mjg is opgedolven, ook sporen van verbrande aarde werden aangetroffen, werden deze laatste afgedaan als gevolgen van bliksem of zo. Zelfs een overigens heel gezaghebbende paleo als Richard Wrangham, die aantoonde dat het slanke kakement en de grotere hersenen van dat skelet alleen een gevolg kunnen zijn van het kunnen koken en braden, vindt nog steeds weinig geloof.

Hoe durf ik dan terug te gaan tot 3 mjg?

Wel, ik ben geen paleo en niet conventioneel, ik gebruik gewoon behalve de beschikbare informatie mijn redeneervermogen en hoef geen reputatieschade te vrezen. Lekker makkelijk wel: fools jump in where angels fear to tread. Ik begin met te wijzen op het vuurgebruik van de Pygmeeën van het Afrikaanse Ituriwoud.

San Bushmen onderweg, even wat eten. Dus hebben ze een knol uitgegraven en op ’t vuurtje gelegd.

Evenmin als de Pygmeeën van de Andamanen (India), ook behorend tot de vroegste AMM’s, kunnen zij zelf vuur maken. Hoeven ze ook nooit. Elke vrouw draagt onderweg een kooltje vuur mee, en zodra ze ergens een rustpauze nemen, maken ze eerst een vuurtje. Ook in die tropische klimaten kunnen ze nooit zonder vuur, noch zitten ze ooit zonder vuur. Welnu, wat dacht je terug te kunnen vinden van zo’n vuurtje als op bovenstaande foto, na een paar maanden? Een speurder misschien zou nog iets kunnen traceren. Maar na een jaar? Echt geen spoor meer. Laat staan na 1000 jaar. Laat helemaal staan van de vuurtjes van de Vroege Mensen. Dus gebruik je redeneervermogen.

Belangrijker vind ik mijn taligheidsargument. Maar dat schuif ik nogmaals een stukje voor me uit, eerst verzin ik een just-so-story over het eerste aangelegde vuurtje. Dat moet ook weer door een vrouw gedaan zijn want het had met eten te maken. Maar deze keer een oudere vrouw, een oma. Het hoeft van mij niet eens de alfavrouw geweest te zijn.

Inleiding. De VOAP’s hadden al lang hun instinctieve angst voor het vuur verloren: ze hadden er immers een naam voor. In de droge tijd breken er in de savanne vaak natuurlijke branden uit. Voor veel savannedieren is dat weliswaar beangstigend, maar ook aanlokkelijk. Roofdieren en gieren gaan er op af om, zodra het gedoofd is, de geroosterde karkasjes van gedierte dat zich niet uit de voeten had kunnen maken, te verorberen. Zelfs antilopen komen op een gedoofde brand af, om te likken aan de zoutige as. Ook voor de VOAP’s, nog steeds aaseters als ze waren, was rook aan de horizon een teken om er zo snel mogelijk heen te gaan. Niet alleen vanwege geroosterde karkassen: daar waren ze natuurlijk te laat voor. Maar omdat ze wisten dat knollen die in rauwe toestand oneetbaar zijn (denk aan onze aardappel) dat in geroosterde toestand wél zijn, en zelfs heel lekker (denk aan onze frites).

En nu mijn verhaaltje. Als kind had oma al met de andere kinderen lopen spelen met nog half smeulende takken. Maar vandaag, nu ze weer bij zo’n nagenoeg gedoofde brand vertoefden, volvoerde ze het plannetje waar ze al heel lang op had lopen broeden. Ze sleepte een nog smeulende tak naar een veilige plek, voedde het met droog materiaal, blies het aan tot de vlammen opflakkerden. Terwijl de andere VOAP’s schreeuwend van ontzetting van een afstandje toekeken, nam ze een uitgegraven oneetbare knol, stak die aan haar graafstok, roosterde de knol langdurig. Het gekrijs van de anderen was opgehouden. In de doodse stilte proefde ze nu van de geroosterde knol. Ze kwam moeizaam overeind en liep er mee naar haar kleindochter. Die proefde ook – en die zou nooit vergeten wat haar oma die dag had gepresteerd.

Einde verhaaltje. Ik steek er mijn hand niet voor in het vuur, ik ben daar gek. Maar zoiets moet ooit een keer voor het eerst gedaan zijn.

Richard Wrangham wijst er ook nog op dat het koken ook extra tijd per dag heeft vrijgemaakt voor onze vroegste voorouders. Mensapen besteden 4 tot 7 uur per dag aan kauwen. De VOAP’s konden de vrijgekomen uren besteden aan geestelijke activiteit van hun weldoorvoede breinen.

Een ander fysiek gevolg: het energie-vretende darmstelsel van de mensapen werd bij de VOAP’s door het koken aanzienlijk korter: allemaal ten goede komend aan het energie-vretende brein.

de taalgevolgen van het vuurgebruik

Het gaat mij om de spectaculaire gevolgen van het vuurgebruik.

oude chimpansee-overnachtingsnesten, hoog in de kruinen

Vóór het moment van het eerste aangelegde vuurtje moesten de VOAP’s nog steeds voor een veilige overnachting tegen het vallen van de kortdurende schemer in de bomen klimmen en hun overnachtings-nest vlechten. Ze namen vermoedelijk wel hun vellen mee, om daar lekker zacht op te liggen, en nog een vel om zich toe te dekken, want ook in de tropen wordt het koud ’s nachts. En omdat ze prima konden knopen, werden het misschien al heel vroeg ‘hangmatten’, wie weet.

Wat hun gebaren-communicatie betreft: dat werkt in ’t donker natuurlijk niet. Die bleef dus beperkt tot het voedselverzamelen overdag en het verdelen ervan na aankomst op de overnachtingsplek. Proto-taal dus.

Maar hoe anders werd hun leven na dit vuur-moment, nu ze voortaan de nachten op de grond konden doorbrengen, rond een kampvuur dat de roofdieren uit de buurt hield. Uren en uren werden aan hun dagen toegevoegd. Uren die zich nergens anders voor leenden dan voor communicatie.

Wat communiceerden ze dan?

Natuurlijk iets dat hun gedachten erg bezighield. Bijvoorbeeld (en ja hoor, hier komt alweer een eigen verhaal) de beangstigende ontmoeting met een buffel die middag.

De mannen hadden snel een ‘muurtje’ gevormd, met hun stenen in de aanslag. De vrouwen en kinderen waren een boom in gevlucht. De buffel had geaarzeld: de VOAP’s waren berucht. Als je ze te na kwam, kreeg je ze een hagelbui van pijnlijke keien naar je kop. Na een paar keer schrapen met zijn hoef had de buffel zich omgekeerd en was weggehold.

Die avond dacht een vrouw terug aan die angstige ogenblikken. Ze sprong op en imiteerde de buffel. De overige vrouwen krijsten. Een man sprong op en imiteerde de angstaanjagende buffel, schrapend met zijn [hoef]. Nog harder gekrijs. De overige mannen sprongen op en vormden een ‘muurtje’. En de [buffel] maakte dat hij weg kwam!

Opgelucht gekrijs. De rust keerde weer. Maar het was zo’n prachtige en opwindende opvoering geweest, dus ze deden hem nog een keer, en nog een keer. Totdat ieder zich in zijn vel draaide en ging meuren. De volgende avonden deden ze weer de [buffel], tot deze performance plaats moest maken voor een nieuwe gebeurtenis. Maar er ging voortaan geen avond meer voorbij zonder een ‘performance’.

Generatie op generatie werden zo de avonden gevuld met steeds verfijndere voorstellingen waarin emotionele gebeurtenissen werden verwerkt. En nou komt het. De imitaties ondergingen een standaardisatieproces. Ik bedoel: bepaalde gebaren kregen een vaste betekenis. Een goede verstaanster heeft maar een half gebaar nodig. Je krijgt in een groep babbelende vrouwen maar weinig kans om ook je duit in het zakje te doen, en dan probeer je in je communicatiemoment met zo weinig mogelijk gebaren zoveel mogelijk te zeggen. Wanneer de aanzet van een woordgebaar al begrepen wordt binnen de context maakt je het hele gebaar niet af. Vooral veel voorkomende uitingen worden gekortwiekt: worden standaardgebaren. Dat dit proces snel kan gaan, zie je vandaag ff gebeuren met de sms-taal: in een paar jaar tijd ontstaan.

Na het trage begin van de proto-gebarentaal, bestaande uit zelfstandige naamwoorden en werkwoorden en een paar bijwoorden zoals [ver weg] en [dicht bij] – en vergeet niet de lip- en klik!-geluiden die ze erbij gebruikten – ontwikkelde rond het kampvuur elke avond de talige communicatie van de VOAP’s zich nu veel sneller tot echte gebarentaal, met verbindingswoordjes tussen zelfstandige naamwoorden en de werkwoorden. Ze konden al gauw hele zinnen vormen.

Onvermijdelijk is dan dat daarin onderwerp en gezegde en lijdend voorwerp en bepalingen hun vaste plaats krijgen: grammatica! De Chomsky-taalkundigen beschouwen grammatica als hét waarmerk van menselijke taal. Maar hoe zouden de VOAP’s hun talige communicatie hebben kunnen ontwikkelen met vermijding van een vaste woordvolgorde in hun zinnen? Taalgebruik werkt alleen als iedereen zich aan ontstane regeltjes houdt.

O zeker, de VOAP-communicatie zal erg primitief geweest zijn, wat wil je. Maar grammatica maakte er al vanaf het begin deel van uit: het is een niet te vermijden bijverschijnsel van taalgebruik. Taal is een puur sociaal fenomeen, niemand is er de baas over. Het werkt alleen als iedereen zich aan ontstane regeltjes houdt.

Hoe die ontstaan? Hoe ontstaat sms-taal? Hoe ontstaan de nieuwe woorden in de stoere jongerenwereld? Hoe ontstaat mode? Hoe ontstaan rages? Gewoon: zomaar. Allemaal sociale fenomenen.

Ik vertel best wel nieuwe dingen allemaal. Maar ik maak me geen illusie: ik vertel ze als volslagen leek, en in gewone taal. Weinig kans dat mijn nieuwe dingen brede acceptatie vinden. Dat kan pas wanneer eindelijk iemand met wetenschappelijke status hetzelfde schrijft, in nette wetenschappers-taal. Ik wou toevoegen: met de nodige verwijzende voetnoten, maar … waar, naar wie, te verwijzen? Ik kan best wel hier en daar verwijzen, zoals voor het vroege gebruik van de vellen als draagtassen. Maar zit u daar echt op te wachten? Voor mijn nieuwe dingen kán ik gewoon naar niemand verwijzen …

dansen/zingen

Waarom dansend/zingend? Wel: als gebarentaligen communiceerden ze, vooral aanvankelijk, nog met hun hele lichaam en luidruchtige stemgeluiden. Gebarentaal is nog steeds heel erg lichaamstaal. Trouwens, gesproken taal weinig minder; let maar eens op hoe je zelf communiceert als je opgewonden bent.

De dieren en planten en handelingen werden, behalve met de handen, met het hele lichaam en gelaatsmimiek geïmiteerd, weergegeven, tot uitdrukking gebracht. Bij een emotie-geladen performance leek dat steeds meer op dansen.
Vooral bij het dansen/zingen van het latere Scheppingsverhaal dat zo’n belangrijke plaats ging innemen in het beleven van hun woordenwereld (krijgen het dadelijk over) werden de gebaren, de lichaamshoudingen en –bewegingen, en de stemgeluiden steeds plechtiger, sacraler en gestandaardiseerder.

De begeleidende langgerekte stemgeluiden daarbij worden al gauw gezang.

Het feit dat wij ‘dansende apen’ zijn geworden is een argument te meer vóór de gebarentaal-hypothese, mag men zeggen.

De aanvankelijke proto-taal: losse ‘zelfstandige naamwoorden’ en ‘werkwoorden’, moet na vier miljoen jaar toch al heel wat ‘bijwoorden’ en ‘bijvoeglijke naamwoorden’ hebben gekregen, al was er misschien nog geen sprake van echte zinnen. Maar zeker heel veel herhalingen, eindeloze herhalingen, door iedereen herhaalde herhalingen. Want dat zie je bij primitieve verzamelaars/jagers als de !Kung nog steeds: veelvuldige herhalingen als bevestiging. Want bedenk: voor de dieren die we oorspronkelijk waren, was deze vorm van communicatie nog heel nieuw en gebrekkig – terwijl we er toch steeds meer in gingen denken.

Terwijl hun dierlijke lichaamstaal onmiddellijk z’n werk deed, behoefde de ondierlijke communicatie met namen voor de dingen voortdurende herhaling en bevestiging.

Verlies van instinctzekerheid

Namen voor de dingen. Het gevoel van afstand, van macht, heeft hen, als enige van alle soorten die de natuur kent, de instinctieve angst voor het vuur doen overwinnen. Het heeft gemaakt dat zij, begonnen als chimpansee-achtige tweebeners die in kleine en bangige troepjes zich in die gevaarlijke open savanne-omgeving waagden, als VOAP’s en met hun vuur daar steeds brutaler werden – ik had het al over hooligans – en uiteindelijk zouden uitgroeien tot dé dominante zoogdiersoort van Aarde.

Eerst een nieuwe naam verzinnen voor de VOAP’s, die door het kunnen koken en braden er echt wel anders uit waren gaan zien dan hun aapmensen-voorouders. Ze waren groter van gestalte (hun dieet was rijker en voedzamer), hun kakementen waren minder fors (ze hoefden niet meer zwaar te kauwen) en ze kregen iets grotere hersenpannen. Alle paleo’s hebben het alsmaar over die grotere hersenen, en denken dan: meer intelligentie. Ik zelf denk eerder aan meer sociaal gedrag: hogere groepsdieren zoals dolfijnen en olifanten hebben ook grotere hersenen en zijn socialer dan bijvoorbeeld katten of tijgers.

Vanaf nu praten paleo’s over Homo erectus, H. heidelbergensis tot en met H. neanderthalensis. Voor mijn verhaal zijn die taxonomische onderscheidingen
minder interessant dus ik noem ze gewoon Vroege Mensen. Ter onderscheiding van de Anatomisch Moderne Mensen (AMM’s) die vanaf 100.000 jg van zich doen spreken en waar u en ik en alle mensen vandaag toe behoren.

Er zat ook een nare kant aan de overgang op het benoemen van de dingen, aan het overgaan van het instinct-gedreven handelen naar het handelen als resultaat van gezamenlijk (of inwendig) overleg. Daarmee wordt de voorouderlijke instinctzekerheid aangetast. Je kunt geen twee kapiteins op het schip van je besluitname hebben.

Laat ik het anders formuleren. Zolang de leefomgeving van een dier in de toestand blijft waarop zijn instincten in zijn specifieke evolutie zijn afgesteld, kent een dier geen onzekerheid. Maar de VOAP’s konden dat instinct-gedreven handelen steeds minder gebruiken omdat dit botste met het met elkaar overleggen over wat te doen.

Nou én? zou je zeggen, liever kwijt dan rijk toch, dat dierlijke instinct? Ja, maar hun begrijpen van de dingen was nog uiterst gebrekkig. De meeste dingen begrepen ze nog totaal niet. Het was met niks begonnen en het stelde aanvankelijk weinig voor. Maar even goed moesten ze in overlegsituaties hun instinctieve reacties onderdrukken.

Zo dreigden ze steeds meer ten prooi te raken aan een ‘existentiële’ onzekerheid. Aan getob: over de aarde die laatst zo boos was geweest en zo geschud had dat het hun hoofdvrouw het leven had gekost: dat die zo weer boos zou kunnen worden. Over de Lemagrut die weer boos dreigde te worden en misschien weer gloeiende aarde zou gaan braken en hete en verstikkende as over alles zou gaan uitblazen. Of dat de prooidieren van wie hun overleving afhankelijk was, niet zouden komen opdagen dit jaar. Verzin het maar.

We hebben namen gekregen voor steeds meer dingen, bijvoorbeeld voor de eindigheid van de dingen, inclusief onze naasten en onszelf. Namen voor de dood. Daar konden we over gaan tobben. Dat doen normale dieren nooit. Een tor die in je wastafel is gevallen, tobt niet maar blijft proberen tegen de gladde steilte omhoog te komen … tot welk einde dan ook daar is. Een hond die aan een boom is achtergelaten, is best wel ongerust maar tobt niet; hij blijft blaffen tot welk einde dan ook daar is. Natuurlijk kunnen ook andere hogere dieren depressief raken, bijvoorbeeld door het concrete verlies van kind of moeder of lief baasje – maar niet door een idee. Olifanten bezoeken jarenlang op gezette tijden het geraamte van een gestorven dierbare; maar dat is een geraamte, geen idee. Of toch ook? Hoe dan ook, ze hebben er geen namen (woorden) bij om het er met elkaar over te hebben. Hebben ze niet nodig.

Onze VOAP’s hadden evenmin namen voor de dingen nodig om hun dierenleven te leiden. Onze taligheid is een gevolg van een toevallig meidenspelletje. Nogmaals, het had evengoed kunnen uitblijven, en dan waren we vandaag nog steeds gewone dieren, ergens op de Afrikaanse savannen.

Niet weinigen menen dat het de angst voor de dood is die de oorsprong is van religie. Maar voor de oorsprong van religie heb ik, denk ik, een betere verklaring: religie spruit voort uit onze taligheid, en ik krijg het er nog uitvoerig over. Maar afgezien daarvan: dan zou je mogen veronderstellen dat, hoe primitiever een volkje is, des te meer angst voor de dood. Maar nee hoor. Het meest primitieve volkje (ik bedoel: het dichts bij hoe onze vroege voorouders miljoenen jaren geleefd hebben) zijn de Hadza (Congo). Die tobben helemaal niet over de dood. Terwijl ze toch intens religieus (maar niet in de betekenis van god-gelovig)
zijn.

Uit dat talig beleven van de wereld en het leven is het instinct-gedreven handelen, dus de instinctzekerheid, weggedrongen. Het zat in de weg, er was een modernere kapitein aan boord gekomen op het schip van ons denken die de gedragingen vanuit onderling overleg stuurde – de instincten werden naar het vooronder verdreven. En daarmee de instinctzekerheid.

Dat heeft ons tot ‘tobbende apen’ doen worden.

Met onzekerheid valt niet te leven, dus de Vroege Mensen hebben van meet af aan mechanismen ontwikkeld ter bezwering ervan. Die zijn tweeërlei: herhalen en geloven.

Herhalen: De dingen precies doen zoals ze altijd al door hun voorouders gedaan werden: traditie, gewoonte. De Vroege Mensen waren oer- en oerconservatief. Hoe vroeger terug in de tijd, des te conservatiever ons voorgeslacht. De paleo’s raken niet uitverbaasd over de vuistbijl: anderhalf miljoen jaar hetzelfde ontwerp! Mijn verklaring is dus: de aanvankelijk extreme onzekerheid, dus aanvankelijk extreme behoudzucht. Geen millimeter durven afwijken van hoe de voorouders de dingen altijd gedaan hadden. Een verklaring temeer is dat de vuistbijl vooral een vrouwenwerktuig was, en voor vrouwen hoeven dingen die werken sowieso niet te veranderen.

Een andere vorm van herhalen: wanneer iemand rond het kampvuur een talige bedenking voordanste, werd die door de anderen eindeloos en met veel emotie herhaald. Elke avond dezelfde dansen, en daar geen millimeter van afwijken. Zingen mag hier ook bij genoemd worden. Zingen in het donker maakt je minder bang, of is in elk geval een beetje rustgevend: het is oergedrag, de Vroege Mensen, en de pristiene AMM’s, zongen bij alles en vooral bij het lopen en doen.

Onder herhalen valt ook: repeterende bewegingen. Die maken ook nog eens rustgevende endorfines vrij. Daarbij denk ik onmiddellijk aan die ene olifant Burgers Zoo die ik eindeloos zijn voorpoten zag kruisen, met op en neer zwaaiende kop en slurf. Ja, olifanten zijn gebouwd op het doorkruisen van de eindeloze savannen; en hier zitten ze opgesloten in een betonnen ruimte.

Ritme bij het dansen/zingen. Daardoor is lopen ook rustgevend. Joggen is voor joggers echt geen straf. Als je opgewonden bent, ga je ‘ijsberen’ om tot rust te komen.

Geloven: dat de dingen zijn zoals je graag wilt dat ze zijn. Of dat ze zijn zoals iemand met gezag zégt dat ze zijn. Geloven in de werkzaamheid van bepaalde spreuken of handelingen of voorwerpen: magie.

Wanneer de ene mens de baas gaat spelen over de andere, of de ene groep over de andere – maar daar is 99,5 % van de tijd dat we mensen zijn, geen sprake van geweest – komt hier het bastion van heiligverklaring bij. Heilig is: mag je niet aankomen of aan twijfelen. De heiligverklaring is het bastion voor de onaantastbaarheid van het geloofde.

Waar je niet weet, vul je het vreeswekkende gat op met geloof. Daar is helemaal niks mis mee … behalve in een situatie van ongelijkheid. Dan kan die ‘zelfgebakken’ invulling voor de heersende elite politiek zo belangrijk zijn dat die wordt heiligverklaard. Dan wordt het geloof tot een blokkade voor het vrije onderzoek dat het vreeswekkende gat écht zou kunnen opvullen. Moslims zullen nooit vrij worden zolang ze hun Koran als heilig – dat is: onaantastbaar, mag niet aan getwijfeld worden – blijven beschouwen.

Helen Keller en onze woordenwereld

Naarmate steeds meer dingen van de omgeving namen kregen, ‘onder woorden’ gebracht werden, begrepen werden, leidde dit er toe dat voor onze voorouders hun hele omgeving uit benoemde
dingen kwam te bestaan.

Vanaf die fase zijn ze mensen geworden, talige wezens.

Wij beleven onze wereld als een benoemde wereld, een wereld van benoemde dingen. Dingen bestaan voor ons slechts als en in zoverre we er een naam voor hebben. Onze wereld is een woordenwereld.

Dat is een beetje moeilijk te begrijpen voor ons. Het laatste wat een vis zal ontdekken, is water. Maar ik zou de titel humanosoof onwaardig zijn als ik onze woordenwereld voor u niet voorstelbaar zou weten te maken.

Ik kan dat door de beschrijvingen van twee dames.

De eerste is Jane Goodall. In gesprek met Wim Kayzer in gesprek in Over de Schoonheid en de Troost in 2000. Ze vertelt over haar favoriete rustplek in het Gombe National Park, de ‘bergtop’ waar ze graag in het maanlicht zat te mijmeren, en van het moment dat er toen een insect op haar arm ‘landde’.

Het was een schitterend mooi insect, glanzend groen en goud en rood, met gouden haren op zijn onderlijf en gloeiend rode ogen. Ik wist zeker dat het nog nooit beschreven is. Als chimpansees naar zo’n vlieg kijken, hebben ze er geen woord voor, ze gebruiken niet het woord <vlieg>. Ze kennen zonder twijfel het concept <vlieg>, maar ze kijken naar dit wezen zonder zich af te vragen wát het is. Ik kreeg het gevoel dat het besef <dit is een vlieg> iets afdeed aan de schoonheid ervan en ik stelde me voor hoe het zou zijn, als ik het woord <vlieg> losmaakte van het insect op mijn arm. Ik keek nu naar het wezen dat mijn moment in tijd en ruimte deelde zonder er een benaming aan te verbinden. Toen was er alleen een gevoel van ontzag en verwondering over de evolutie van het leven waar we beiden deel van uitmaakten.

Goodall’s innerlijke observatie zegt vooral iets over het ‘aantastende’ karakter van ons benoemen van de dingen, de ‘machtsgreep’ die wij hiermee plegen op het benoemde. Het zegt iets over de macht die wij hierdoor kregen over onze omgeving; waardoor wij ook het vuur zijn gaan gebruiken; over de ‘aanslag’ die wij hiermee plegen op de integriteit van een persoon door hem zomaar bij zijn naam te noemen of door hem af te beelden.

Maar het effect van het wél of niét beschikken over namen voor de dingen wordt pas echt

invoelbaarder door de beschrijving die Helen Keller heeft gegeven van de tijd van haar leven (haar eerste zeven jaar) dat ze nog geen namen voor de dingen had. Toen ze dus nog niet in de menselijke woordenwereld leefde.

Als peuter was Helen bepaald een voorlijk kindje geweest, kon al lopen voor ze 1 jaar was. Ze brabbelde al volop … tot ze een zware hersenvliesontsteking kreeg. Toen ze daarvan herstellende was, merkte haar moeder dat Helen niet meer reageerde als de bel ging en ook niet als ze haar hand voor Helens open oogjes bewoog. Helen was doof-blind geworden, voorgoed.

Maar ze was ook veranderd. Ze was niet langer aanspreekbaar. Ze was een huisdiertje geworden. De kleine Helen was een mooi kindje, met mooie kleertjes ook, maar verder een onhanteerbaar huisdiertje. Schreeuwde het huis bij elkaar als haar iets dwars zat of lachte onbeheerst als haar iets behaagde.

Toen Helen zes jaar was, las haar moeder over een beroemde doofblinde, Laura Bridgman (1829-1889) die niettemin had leren lezen en schrijven. Ze nam contact op met de school waar die doofblinde dat geleerd had. De vader reisde er met Helen naar toe. De directeur ried hem aan, een pas afgestudeerde leerlinge, visueel gehandicapt maar geopereerd zodat ze weer kon zien en kon lezen, als lerares in dienst te nemen. En zo kwam Anne Sullivan in Helens leven.

Anne arriveerde in het gezin als gouvernante. Ze had voor de jarige Helen, net 7 geworden, een pop meegebracht en ‘schreef’ in Helens handje [p-o-p]. In hand-alfabet dus. Helen was aanvankelijk geïnteresseerd door deze nieuwe gevoelservaring, maar toen Anne maar bezig bleef met dat onbegrijpelijke gedoe in haar handje zette ze een keel op en begon wild om zich heen te meppen.

Het werd een moeilijke maand voor Anne, maar ze hield vol. Ze kreeg gedaan dat ze overdag met Helen in een leegstaande schuur op de plantage mocht toeven, en inderdaad kreeg ze daar Helen wat beter onder controle. Helen leerde een aantal woorden terug te ‘schrijven’ in Anne’s hand. Maar dat was puur africhten. Helen besefte niet dat die tekens iets te maken hadden met de voorwerpen waar Anne haar tegelijkertijd aan liet voelen. Dus dat het voorwerp (ding) en die handtekens (de naam ervoor) bij elkaar hoorden.

Op het einde van die moeizame eerste maand waren ze aan het wandelen over de plantage en kwamen ze bij een pomp. Anne pompte water over Helen d’r hand en ‘schreef’ in de andere [water]. En nog een keer. En nog een keer, steeds sneller. Ineens trok Hellen d’r hand terug en raakte toen daarmee de grond aan, haar andere hand naar Anne uitstekend. Die ‘schreef’ daarin [aarde]. Vervolgens greep Hellen naar d’r jurk, en Anne ‘schreef’ [jurk]. Het kwartje was gevallen!

Voor het slapen gaan had Helen die dag al dertig woorden geleerd, en in de dagen daarna gaf ze Anne geen moment rust meer. Let wel, Hellen was gewoon ook hoogbegaafd.

Vermeldenswaard is dat ook genoemde Laura Bridgman zo’n ‘kwartje’-moment heeft gehad. Ook zij was geboren als gezond kind, en was als tweejarige ten gevolge van roodvonk doofblind geworden. Ze had een eigen gebarentaaltje ontwikkeld, en als haar familie niet begreep wat ze wilde uitdrukken, werd ook zij razend van woede. Als zevenjarige was ze op het blindeninstituut van Samuel Howe (1801-1876) terechtgekomen. Die had een heel nieuwe leermethode ontwikkeld: het ‘hand-alfabet’. De doofblinde kreeg in de linkerhand een voorwerp en dan ‘tekende’ Howe in de rechterhand de letters van de naam van het ding. Met eindeloos geduld … tot de doorbraak kwam: het besef bij het doofblinde kind dat die gekriebelde letters in haar ene hand hoorden bij het voorwerp in haar andere hand. Bij haar was dit k-e-y geweest: een sleutel.

Anne overtuigde de ouders dat Helen met haar terug moest naar de doofblindenschool en zo geschiedde. De directeur was erg goed in public relations en het duurde niet lang of de hele westerse wereld was op de hoogte van de beroemde doofblinde Helen Keller die binnen de kortste keren de school afmaakte, met Anne universiteit deed en haar masters of Art haalde.

Anne las de boeken voor in Helens hand, en die handgebarentaal gaat razend snel. Dat zie je aan de foto niet af. Een heel boek is ze aan het voorlezen. Een moeilijk boek ook nog. Van het ene brein in het andere, via hand-alfabet!

Helen bleek ook een begaafd schrijfster. Ze schreef haar autobiografie The world I live in. Is in 52 talen vertaald.

Ze werd wereldwijd uitgenodigd en reisde weldra met Anne de hele wereld over. Overal wilden beroemdheden en presidenten met haar op de foto.

En nu mijn punt. In haar The world I live in (1904/08) beschrijft Helen haar belevingswereld van vóór de tijd dat Anne in haar leven was gekomen. Ze beschrijft die als een “niet-wereld”, een wereld van “nietsheid”. Ze begreep niets. Ze begreep bijvoorbeeld niet dat ze bestond, dat ze iets deed of iets wilde of iets koos.

Ze kende ook geen gevoelens, ook al had ze die blijkbaar wel. Dat ze zich dit alles toch herinnerde kwam doordat ze wel een tast-geheugen had. Ze kende haar omgeving op de tast, de reuk en het gewaarworden van de trillingen ervan, zoals voetstappen. Als ze toen een mens had getekend, zou ze diens hersens als vingertoppen hebben getekend, zei ze later wel eens.

Pas vanaf dat ze namen had voor de dingen, ‘bestonden’ de dingen pas en bestond ze ook zelf pas, bestonden er gevoelens en bestond er een wereld om haar heen, met al zijn rijkdom aan geuren en vormen en trillingen en tastbaarheden.

We leven in een woordenwereld, ook al hebben we dat niet door. Maar dat is het wat ons onderscheidt van alle andere levende wezens. Wij begrijpen de dingen, kunnen het er met elkaar over hebben, kunnen onze intelligenties op één hoop gooien. Dankzij ons beschikken over namen voor de dingen. En het verhaal over hoe wij zo geworden zijn, is ons Grote Verhaal, ons humanistische scheppingsverhaal.

Maar ik sla iets belangrijks over. Verderop in haar boek schrijft Helen, dat die namen voor de dingen voor haar aanvankelijk alleen maar een handig middel waren om dingen te krijgen die ze wou. Als vijfjarige had ze al ontdekt dat ze een ijsje kreeg van haar moeder als ze aan de knop van de koelkast draaide. De nieuw aangeleerde namen voor de dingen waren gewoon ook zoiets.

De eigenlijke waarde (betekenis) ervan drong pas tot haar door toen het besef tot haar doordrong dat ze ‘iemand’ was, het besef van een eigen ‘ik’.

Menig moeder herkent dit bewustwordingsmoment – niet dat van zichzelf, omdat dit verloren gaat onder volgende bewustzijnsgroei, maar – van kleuters, die plotseling beweren: “Jij is Iris”. Dan duurt het even alvorens de volwassene beseft dat het kind tot dan toe meende dat ze “jij” heette omdat men zich immers altijd tot haar als “jij” richtten; maar dat ze nu begreep dat haar naam “Iris” was.

Bij mijn kleindochter Ceder ging dit overigens omgekeerd. Het was altijd “Ceder wil (dit of dat)” tot bij haar het besef doordrong dat ‘Ceder’ en ‘ik’ allebei op haarzelf sloegen. Sleutelmomenten. (Bij Laura Bridgman was dat dus letterlijk een sleutel geweest.)

Wij kunnen ons deze bewustzijnsontwikkelingsfase niet meer van onszelf herinneren, maar omdat die bij Helen vanwege de tussentijd van de ‘niets-wereld’ pas rond haar achtste jaar plaatsvond, en ze bovendien over een fenomenaal tastgeheugen beschikte, kon ze er nog over vertellen.

Ze vertelt ook over haar inner speech: haar praten in zichzelf. Bij haar was dat uiteraard vingerspelling-in-haar-eigen-hand. Op die manier ‘praatte’ ze ook tegen haar pop, tegen haar blokken, haar honden, tegen alle dingen van haar tastwereld die voor haar, nu beschikkend over namen voor de dingen, in het bestaan geroepen waren. Het op deze wijze ‘praten in zichzelf’ door het spellen in haar eigen hand werd later gedeeltelijk verdrongen door ‘lispelen’ doordat ze had leren liplezen, maar belangrijke gedachten bleef ze in haar eigen hand spellen.

Tot zover over Helen Keller, ter illustratie van ons leven in een woordenwereld.

De oude filosofen hebben ook wel met onze bijzondere woordenwereld geworsteld. Voor Plato was die – hij sprak over de ‘wereld der ideeën’ – belangrijker dan de zintuiglijke wereld der dingen. Want de dingen veranderen. Een rivier bijvoorbeeld. Een zee. Of een paard: kan wit of zwart zijn, kan oud worden of kreupel. Het enige wat blijft is het idee ‘paard’, of zee’, ‘rivier’. De waarheid over was is heeft dus alleen betrekking op de Ideeën, de metafysica, niet op de veranderlijke dingen van de zintuiglijke wereld, de fysica. Thema’s die de metafysica bestudeert zijn: Wat betekent ‘zijn’? Waardoor, waarvoor bestaan wij? Wat voor manieren van ‘zijn’, zijn er (bijvoorbeeld, personen).

Het denkend subject werd voor Descartes het fundament van wat is. Het denkend subject denkt de Ideeën en buiten de Ideeën van de dingen kan hij niets denken. Dat vond ook Kant: is is wat van het Ding-an sich aan ons bewustzijn verschijnt; het Ding-an-sich bevindt zich achter de horizon van onze kennis. Waarom kwamen die dan al niet tot het besef van de namen voor de dingen die ons van dieren tot mensen hebben doen worden? Ach, die hadden nog geen weet van de dierlijke oorsprong van de mens; dat was de grote vernieuwing die Darwin heeft ingebracht.

Ik denk heus niet dat ik zo uniek ben dat ik de enige mens ben die ontdekt heeft dat we in een virtuele wereld (woordenwereld) leven. Ik denk dat heel wat mensen dat op sommige peinsmomenten bevroeden. De ‘vader’ van het surrealisme André Breton (1896-1966) trachtte met écriture automatique voeling met de onbewuste (dus dierlijke) échte wereld te krijgen, of via hypnose. De schilder René Magritte (1898-1967) beeldde het verschil tussen de twee werelden nuchter uit. Hun tijdgenoot Alfred Korzybski (1879-1950), een taalkundige, kwam ook tot de conclusie dat de mens in twee werelden leeft: “De landkaart is niet het gebied”. Hij bedacht er zelfs een nieuwe filosofische richting voor: Algemene Semantiek GS . Maar met de discipline-wetenschap semantiek heeft het weinig van doen. Hij lijkt mij wel, met mijn humanosofie. Hij is dan ook niet echt serieus genomen door de academische wereld.

Maar alle drie tijdgenoten zijn gestorven voor dat er echte disciplinewetenschappen als antropologie, archeologie en paleoantropologie vleugels (geld) kregen, en materiaal voor gefundeerd denken op de markt brachten. De humanosofie heeft alle kans van de wereld gekregen, en gegrepen. Alleen nog steeds een beetje knullig aan de man gebracht. Jaja, ik ken mijn beperkingen.

De geboorte van de God van het Scheppingsverhaal

Hoe heeft het gaan leven met namen voor de dingen ons tot religieuze dieren doen worden? Dat is een gevolg van onze taligheid, onze behoefte aan een Groot Verhaal.

Tienduizenden namen voor tienduizenden dingen, dat is een onbeheersbare en onwerkbare chaos in je kop als je ze niet ‘op een rijtje’ hebt: als in die chaos geen samenhang heerst.

Die samenhang wordt gecreëerd door een a tot z–verhaal, dat vertelt hoe de dingen begonnen en zich ontwikkelden, inclusief de mensen, tot zoals ze nu zijn.

Ons talig geworden bewustzijn kon (en kan nog steeds) niet zonder een dóórlopend en samenhangend verhaal waarin alle dingen inclusief wijzelf be’grijp’elijk samenhangen. Wie ben ik, wat is mijn plaats in het geheel der dingen en waar moet het met mij naar toe? Wanneer we daar geen verhaal over hebben, leven we niet lekker. Wanneer er geen Verhaal heerst in onze omgeving waarin ons eigen bestaan past, dan maken we ons eigen verhaal – maar omdat we sociale wezens zijn, is dat is fragiel en onbevredigend wanneer of zolang of in zoverre het niet door een gemeenschappelijk Verhaal wordt ondersteund. Je kunt voor sommige dingen wel eigen woordjes verzinnen, maar dat blijft waardeloos, daar kun je bij een ander niet mee krijgen wat je hebben wilt.

Zo lang er geen gedeeld Scheppingsverhaal (Ontstaansverhaal, Groot Verhaal) is, hebben we niet het gevoel, IETS met elkaar te maken te hebben. Je kunt dan iemand nergens op aanspreken, of jezelf aangesproken voelen. Nu ja, moeilijk, en niet echt: je hebt NIX om op terug te vallen.

In de jaren ’90 las ik in de krant een rechtbankverslag. Een jongeman was meerdere malen bij studentes de kamer binnengedrongen en had ze verkracht. De rechter vroeg hem: waarom deed je dat? Zijn antwoord: waarom niet? En de rechter was even van haar á propos: er was inderdaad geen algemeen gedeeld Verhaal meer waar naar verwezen kon worden en waarop de knaap kon worden aangesproken.

Een verhaal ordent de werkelijkheid: brengt structuur in de veelheid van namen voor dingen in onze woordenwereld. Met name een scheppingsverhaal: het vertelt hoe de dingen begonnen en zich ontwikkelden, inclusief onszelf, tot zoals ze nu zijn. Het geeft ‘grip’ op de werkelijkheid.

Elke stam had zijn eigen Scheppingsverhaal, om greep mee te houden op de veelheid van namen voor de dingen. Geen stam die het ooit zonder heeft kunnen of hoeven stellen. Hoe kwam elke stam er aan en hoe zagen die Verhalen er oorspronkelijk uit? Dat gaan we nu zien.

De Vroege Mens-groepjes waren nog steeds klein, levend op de rand van het bestaansminimum maar wel gezond en sterk. In regelmatig contact met bevriende en/of verwante groepjes, elkaar tegenkomend waar hun ‘zangroutes’ (voedselverzamel-tochten binnen een zeer uitgestrekte regio, volgens een door de seizoenen bepaald patroon) elkaar kruisten. Routes die ze zingend aflegden. Zangroutes.

Die ontmoetingen vonden plaats op vaste plekken. Wanneer de ene groep daar arriveerde, bleef die daar wachten tot de andere groep arriveerde. Dan was het feest en werden er nieuwtjes en dingen uitgewisseld. De groepen hadden elkaar nodig, al was het maar voor het uitwisselen van huwelijkspartners. Als ze na een paar dagen ieder huns weegs gingen, waren ze beide enigszins van samenstelling veranderd. Niet alleen doordat partners bij elkaar introkken. Maar ook doordat iemand die het niet goed kon vinden met een of meer andere leden van haar/zijn groep of haar/zijn partner, dan overstapte naar de andere groep.

Gemiddeld waren de groepen niet groter dan een mens of 25. Maar het kon zo gebeuren dat zo’n groep door een of andere ramp te klein geworden was. Dan sloot die zich aan bij een welvarendere groep.

Wat ook kon gebeuren was dat een welvarende groep door dergelijke aanwas te groot was geworden. Dan ontstonden er makkelijk wrijvingen en spanningen.

Dan besloot een groepje vrouwen, kinderen en mannen om een heel nieuw gebied in gebruik te gaan nemen. De wereld was nog eindeloos groot. Maar … niet te ver weg. Zo’n dagreis of tien verder. Want de groepen bleven elkaar nodig hebben, voor van alles.

Toch is het op deze manier gegaan dat de Vroege Mensen zich over heel Eurazië hebben verbreid, in de loop van de honderdduizenden jaren. Maar … al die lange-lange tijd bleef ‘de mens’ een marginale soort in het geheel van de natuur”.

Zo’n groepje eerste ‘kolonisten’, dat waren dan de eerste mensen die zo’n gebied betraden, de eersten om er de dingen hun namen te geven. Voor talige wezens betekent dit: in het bestaan roepen. Dichters zijn scheppende kunstenaars. Creatief zijn betekent dat je graag dingen schept. Voor hun nakomelingen was dat eerste groepje, samengetrokken tot één Figuur, de Grote Voorouder, die hun wereld (stamgebied) geschapen had.

Elke avond dansten/zongen ze rond het kampvuur dat de roofdieren uit de buurt hield, hoe de Grote Voorouder, op een bepaalde plek het stamgebied was binnen gekomen en op Zijn tocht overal de voor de stam belangrijke dingen had achtergelaten: bergen en heuvels, rivieren en meren, kloven en moerassen, bomen, planten en dieren.

Op één bijzonder heilige plek ook de zielen die bij een passerende vrouw konden binnendringen en bij haar een nieuw leven beginnen. Om na het overlijden weer naar die plek terug te keren en een nieuwe kans af te wachten.

Daar hebben we dus het Scheppingsverhaal.

Geen stam die het ooit zónder heeft kunnen of hoeven stellen.

het gedanst/gezongen Scheppingsverhaal

Met deze Grote Voorouderfiguur ontmoeten we, u vermoedde het al, de oer-God, de proto-God. Honderdduizenden generaties van het op deze manier de (woorden)wereld en het samenzijn beleven, dat heeft onuitwisbare sporen nagelaten in onze aanleg, in onze menselijke natuur.

We geven er nog steeds blijk van. Als er ergens dansmuziek opklinkt, krijgen we de kriebels en gaan danspasjes maken.

De Grote Voorouder mag zich dan wel steeds verder hebben teruggetrokken, ergens hoog in de lucht, en zich niet meer direct bemoeiend met zijn schepping, maar hij is er nog steeds, in ons onderbewustzijn, als ‘iets’. Ook al zien we nooit meer een kerk van binnen, we blijven voelen ‘dat er IETS moet zijn’. We blijven ‘talige wezens’. Atheïsten snappen dit niet. Ze zijn een soort filosofen: ze weten niks over ‘de mens’.

Onze baby’s worden nog steeds geboren in de verwachting, terechtgekomen te zijn in een gemeenschapje van Neanderthalers of indianen of zo, weet die boreling veel. Boreling beschikt alleen over aangeboren ‘kennis’, en over een onuitputtelijke leerdrang. Boreling verwacht in eerste instantie geluiden van activiteiten en gezang, de reuk van een moederlichaam, de geur van vuur vermoedelijk ook.

In elk geval menselijke geluiden en meegedragen worden. Wanneer boreling niets van dat alles gewaar wordt en alleen stilte en bewegingloosheid gewaar wordt, begint ‘ie te huilen: zijn enige manier om uit deze heilloze situatie verlost te raken. Als mama kindje hoort huilen, pakt ze het op en gaat er mee rond deinen, zachtjes zingend. Doen alle moeders, en zonder te beseffen waarom ze dat doen. Kindje wordt meteen stil en lacht: dit kent het ‘ergens’ van, het is alvast iets. Als mama kindje neerlegt, begint het teleurgesteld weer te huilen: het wil meer en constantere tekenen van menselijke nabijheid. Zou het goed zijn als mama zou wéten wat er in haar boreling leeft? De meeste moeders weten niet beter dan dat een baby of peuter het lekker vindt om geschud te worden, door een rijdende kinderwagen dan wel door er ‘wild’ mee te doen. Vaders doen dat ook onbewust. Die doen dat nog iets ‘wilder’, en dat is ook prima.

Bij de meeste ‘wilde stammen’ en pure Verzamelaars/Jagers (VJ-) groepjes leeft de Grote Voorouder alleen nog voort als een ver Hoogste Wezen, ergens hoog in de lucht, een Wezen dat zich niet meer met de wereld bemoeit en waar de mensen ook verder weinig mee doen. Diens plaats is bij hen al lang ingenomen door geesten die van veel directer belang zijn.

Ik kan niettemin verwijzen naar een populatie waarin de Grote Voorouder nog in Zijn pure vorm voort bestaat: in de Scheppingsverhalen van de Australische Aboriginals. Althans bij “De clan van de Wilde Honing” (1996) van de Nijmeegse antropoloog Ad Borsboom; met de Scheppingsverhalen van de overige 170 clans ben ik minder bekend, ik ben geen specialist natuurlijk.

Ik weet veel van de Ituri-pygmeeën, door het prachtige boek The Forest People (1961) van Colin Turnbull dat ik wel tien keer gelezen heb en nog heel vaak zal herlezen, als een bijbel. Vooral ook omdat daarin ook veel wordt verteld over de Bantoes met wie de Pygmeeën in nauwe relatie staan. Maar daarover later meer.

Voor de M’buti is hun regenwoud de schenker van alle goeds en ze zingen tot Haar/Hem/Het vol vertrouwen. Een ‘Allerhoogste’ kennen ze desgevraagd ook wel, maar die woont ergens hoog in de lucht en daar onderhouden ze geen contact mee en Die niet met hen. Een Allerhoogste Schepper-figuur is bij alle ‘wilde stammen’ als vage notie altijd blijven hangen, zoals ik zei.

De latere patriarchen hebben daar volop gebruik van gemaakt voor hun ideologieën.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*