Het eerste woord

Onlangs (ThoughtCo 11 juni 2018 ) las ik het artikel van Richard Nordquist “Five Theories on the Origins of Language”.
Hij begint met het citeren van Bernard Campbell (auteur van Humankind Emerging dat dit jaar zijn 9de druk beleefde): “We simply don’t know, and never will, how and where language began.” Nordquist vervolgt met te stellen: “It’s hard to imagine a cultural phenomenon that’s more important than the development of language.” En somt dan vijf van de oudste en meest algemene theorieën op die daar desondanks over zijn te berde gebracht – om ze één voor één onderuit te halen.
Hij besluit met te wijzen op het boek van de Australisch-Amerikaanse wetenschapsschrijfster Christine Kenneally The First Word: The Search for the Origins of Language (2007), die stelt: “To find out how language began is the hardest problem in science today”.
De titel van haar boek is nu ook de titel van deze blogpost.

Ik heb twee redenen om niet al te verbaasd te zijn over “the hardest problem in science today”.
De eerste is dat men ten onrechte steevast uitgaat van de veronderstelling dat taal gesproken taal is (maar gebarentaal is ook echt taal), en dat de eerste woorden dus klanknabootsingen waren. Terwijl iedere bioloog weet dat dieren geen bewuste controle over hun stem hebben (en ook wij nog steeds kreten van schrik, angst of pijn niet of nauwelijks kunnen onderdrukken, vooral bij gemarteld worden niet).
Onze soort is begonnen terwijl we nog normale dieren waren, dus neurologisch  nog niet in staat tot gesproken taal. Het zijn de eerste gebarentaal-woorden (namen voor dingen) geweest die ons op het pad zetten dat tot ons-nu zou leiden.
De tweede reden is dat het nalopen van dat pad vanaf het prille begin (‘het eerste woord’) filosofenwerk is. Dus niet van taalkundigen zoals Nordquist of antropologen zoals Campbell. Dat zijn disciplinewetenschappers en die hebben zich ‘bij hun leest te houden’. Wetenschapsschrijvers zoals Kenneally op hun beurt  populariseren slechts disciplinewetenschap.

Het is filosofenwerk, en daar was ook filosofe Susan Haeck van de Universiteit van Miami (geïnterviewd in Trouw 17 maart 2017) heel duidelijk in: “De hersenwetenschappers bieden een fascinerende inkijk in de werking van ons brein. Maar ze zullen niet een compleet antwoord geven op de vraag wat het menselijk brein onderscheidt van het brein van een mensaap … [Dat] is het werk van filosofen, en niet van hersenwetenschappers die in hun vrije tijd gaan filosoferen.”
Paleontoloog John de Vos van Naturalis stelde van de andere kant, in een artikel in Trouw 8 juni 2015 naar aanleiding van de recente vondst van een nieuwe australopithecus-soort van 3,4 miljoen jaar oud: “Wat ontbreekt is het grote verhaal. Een model waaraan je nieuwe vondsten kunt toetsen.”

Het grote verhaal. Wie hier in gebreke bleven, zijn de filosofen. Terwijl hun aartsvader Kant het aan het einde van zijn leven nog zo had benadrukt: de belangrijkste opdracht aan de filosofie is (het in kaart brengen van) ‘de mens’.
In zijn dagen waren de vereiste disciplinewetenschappen nog lang niet geboren en daar beschikte zelfs Darwin nog niet over. Toch wees die al naar Afrika als onze bakermat en naar aanleiding van de doofblind geboren Laura Bridgeman die toch middels handalfabet had leren communiceren, had hij al geconcludeerd dat er een aangeboren taalvermogen moest zijn. Hij had ook al gespeculeerd dat de controle over de stem ons deelachtig moest zijn geworden door het zingen.
Maar Darwin was gehinderd door het besluit van de eerbiedwaardige Société Linguistique in Parijs die in 1866 in haar statuten verbood om nog langer te discussiëren over het ontstaan van de taal. Met zijn gedurfde uitdaging van de kerkelijke scheppingsmythe had Darwin al vijanden genoeg en wenste niet ook nog zijn wetenschappelijke collega’s in het harnas te jagen met een gedurfde taaltheorie.

Het grote verhaal. Het is een machtspositie. Het was altijd het alleenrecht van de kerken geweest om dat aan de mensen ten gelove voor te houden, in dienst van welke dictatuur dan ook. De kerken hadden altijd een stevige vinger in de pap van de universitaire benoemingen gehad, dus een filosoof met een van hun leer afwijkende mening stelde op zijn minst zijn aanstelling op de tocht. Dat zou een echte filosoof overigens niet weerhouden hebben, maar wetenschappelijk had deze nog geen been om op te staan.

Dat kwam pas na de doorbraak van de vrije markt in de jaren zestig. Mensen denken conform de heersende economie. De vrije markt economie kan niets met geloofsverdeeldheid, ze vereist één grote consumentenmarkt. Als consumenten werden we in principe vrijdenkers. De kerken begonnen aan hun onmerkbare maar onstuitbare leegloop. Ze verloren hun status, net als alle overige autoriteiten.
Het kerkelijke grote verhaal verdampte. Maar consumenten blijven mensen, we kunnen niet goed samenleven zonder een groot verhaal dat zin en richting geeft aan waar we het voor doen, dat samenleven. De vrije markt is niet meer dan een economische situatie; op zich brengt die NIX, maar ze schept wel de ideologische leegte, dus behoefte én de mogelijkheden.

Vooral jongeren begonnen nu naar de filosofen te kijken, voor antwoorden op hun ‘grote vragen’. Maar daar hadden de filosofen in hun opleiding niets over meegekregen. Het enige geloof dat de postmodernisten onder hen hadden aangebracht, was een fobie voor de oude grote verhalen van fascisme en communisme; waarmee het hele fenomeen ‘groot verhaal’ met het badwater was weggegooid. Wisten die filosofen veel. “Wees blij dat het leven geen zin heeft!”, ried Jaap van Heerden (1990) de jongeren aan.

De vrije markt had ook welvaart gebracht. Daarmee waren de dure veldonderzoeken van de disciplinewetenschappers betaalbaar geworden. En vanaf de jaren 70 begonnen die – en dan hebben we het vooral over antropologie, archeologie, paleoantropologie, ethologie en verwante logieën – hun onderzoeksresultaten op de markt te brengen. Materiaal om daar een nieuw, nu op wetenschap berustend, groot verhaal van te bouwen.
Daar zijn de academisch-filosofische  opleidingen helaas met de rug naar toe blijven zitten.
Ik niet dus.

Wat heb ik van de relevante disciplinewetenschappen opgestoken?
Natuurlijk het fysieke en biologische verhaal. Maar zoals John de Vos van Naturalis het gevoel van vermoedelijk duizenden disciplinewetenschappers verwoordde: het wachten is op het filosofische grote verhaal. En wat kan dat anders zijn dan het westerse alternatief voor het achterlijke monotheïstische Grote Verhaal van judaïsme, christendom en islam, dat nog steeds onze menselijke natuur mag blijver verklaren zolang het niet wordt uitgedaagd door een op wetenschappen gebaseerd alternatief. Filosofenwerk. Nou, kun je lang op wachten.
Ik ben de menselijke natuur wél in kaart gaan brengen, heb een oplossing voor the hardest problem for science today, en weet wél how and where language began.
Opschepperij? Als eenoog in blindenland is zoiets niet echt moeilijk.
Ons verhaal vertel ik al in menige tekst op mijn site. Hier nog even in ’t kort.

Zoals Campbell in zijn Humankind Emerging schetst begonnen we als aapmensen op de Afrikaanse savanne. Maar hij blijft bij fysieke feiten en mist dus de mentale gebeurtenis die in één groepje van die australopitheci plaats moet hebben gevonden, alsmede het daaruit voortspruitend cultuurtje dat zich vervolgens over de hele stam van dat groepje verspreid heeft en uit welke stam wij uiteindelijk zijn voortgekomen. We zijn immers niet getoverd, wel?
Wat is dan de drijvende kracht van die mentale gebeurtenis geweest? Het gaan beschikken over namen voor de dingen.

De australopitheci, bonobo-achtige mensapen, waren 5 miljoen jaar geleden door klimaat-afkoeling en uitdroging hun regenwoud kwijtgeraakt en hadden zich geleidelijk aangepast aan wat daarvoor in de plaats komt: savanne. Hun oudste fossielen worden gevonden in de Afar-regio van Ethiopië, dus daar situeer ik het begin van ons scheppingsverhaal voorlopig.
Die aanpassing ging zo geleidelijk dat ze daar nooit wat van gemerkt hebben. Ze moesten elke dag eten. Door de klimaatverandering besloeg hun voedsel-omgeving steeds vaker gebieden met gras.

Die open savannes met hun rondzwervende grote roofdieren waren gevaarlijker dan het regenwoud. Ze leverden ook andere voedselbronnen (baobabvruchten, uit te graven knollen, bessen, restjes van door roofdieren achtergelaten prooi). Het overleven daar vereiste ook andere hulpmiddelen (bijvoorbeeld werpstenen, en draagtassen van dierenhuid); het impliceerde een meer specifieke taakverdeling tussen  vrouwen (voedsel verzamelen)  en mannen (met werpstenen beschermen van de groep). Het bevorderde via natuurlijke selectie de onderlinge samenwerking binnen en tussen de kleine rondzwervende groepjes.

Door deze nieuwe leefstijl werd ook hun normale groepsdierencommunicatie van steeds groter belang. Elk groepsdier heeft een soorteigen vorm van communicatie; zonder dat kun je niet eens groepsdier zijn. Chimpansees en bonobo’s blijken volgens een recent onderzoek veel communicatiegebaren te delen; hetgeen er op wijst dat hun gemeenschappelijke voorouder, dus ook die van ons, die gebarencommunicatie al kende.
We mogen aannemen dat we afstammen van een voorlijke groep, waarin het bijvoorbeeld al gebruikelijk was geworden dat, voordat de hele groep zich op de dagelijkse foeragetocht begaf, een patrouille van een paar bewapende mannen  al bij het eerste ochtendkrieken de voorgenomen route ging verkennen. Dan hoefde niet de hele groep vrouwen, kinderen en oudjes een vergeefse tocht te maken. Was de patrouille op gevaar gestuit (meute hyena’s, sabeltandtijger, buffelstier) dan ‘aapten’ ze, teruggekomen bij de groep, de betreffende gevaarlijke dieren ‘na’ en kozen de vrouwen voor een andere route.

En nu volgt hier mijn ‘geïnformeerde speculatie’: het ‘oerknal’-moment dat hun groepsdieren-communicatie verrijkt werd met taal – dus de geboorte van het eerste woord.
Op zekere ochtend vijf miljoen jaar geleden besloten de vrouwen om vandaag dié kant op te gaan. De dochter van de alfavrouw begon te stralen: dan zouden ze vandaag langs dat bestand met die lekkere bessen komen waar ze zo dol op was. Haar twee vriendinnen keken haar verbaasd aan: vanwaar die plotselinge euforie?
Het meisje pijnigde haar hersens: hoe kon zij haar vriendinnen nou duidelijk maken waar zij aan dacht?  En ineens, de imitaties van de patrouillemannen indachtig, imiteerde ze [bes], [plukken], [in haar mond stoppen], verzaligd kijken en wijzen naar de richting waarheen de groep zich al op weg aan het begeven was.
Geen reactie. Dus nog eens. En nog eens. De jongste vriendin begon al ongeduldig te worden: het was gevaarlijk om los van de groep te raken. De oudere vriendin bleef echter piekeren: die bedoelt iets maar wat? En ineens viel bij haar het kwartje, en ze deed de gebaren-imitatie na. Yess!! En schaterend holden ze de groep achterna. De hele dag hadden ze lol in het [bes]-gebaar. Een paar vrouwen begonnen het te snappen en die kregen er ook lol in.
De volgende dag bedacht de oudere vriendin wat ze die dag zouden kunnen verwachten. Knollen uitgraven met hun graafstokken. En opnieuw dolle pret met de [knol] [graven met graafstok] en wijzen in de routerichting, en nog meer vrouwen kregen er lol in.

Stom meidenspelletje, het tv-spelletje hints of zo, zult u zeggen.
Ja, voor ons is het een spelletje. Maar voor een voorlijk aapmens-meisje zat er drang achter. En vergis je niet: voor het eerst was hier een dier dat het met een mededier kon hebben over iets wat niet ter plekke gewaar te worden  was. Een dier dat iets kon communiceren wat alleen in haar hoofd bestond, een denkbeeld van iets. Het had geen overlevingsnoodzaak: ze deden het prima zónder. Van de andere kant: waar iets kán, gebeurt het ook, vroeg of laat.

U denkt: apen kunnen toch ook elkaar waarschuwen voor een bepaald gevaar?
Ja, de beroemde groene meerkatten, die een aparte kreet hebben voor [slang!] en een andere voor [roofvogel]. Dan ook maar meteen de voedselkreten van de chimps erbij gehaald, bij het zien van iets lekkers. Chimps hebben zelfs een aparte kreet voor [vlees], een andere dan die voor [banaan] of ander plantaardig voedsel.
Maar dat zijn allemaal stimulus-respons reacties. Als een chimp aan zijn verzorgers duidelijk wil maken dat hij zin heeft in een biefstukje, kan hij dat verlangen niet met die [vlees!]-kreet tot uiting brengen: geen bewuste controle over zijn stem. Koko, de onlangs overleden gorillavrouw, kon dat wél, maar die had dan ook gebarentaal geleerd van Penny Patterson. Koko ‘seinde’ haar: [you][key][there][me][cookie] als ze zin had in een koekje uit de met een sleutel afgesloten kast.
Ook voor die patrouille-aapmannen was het nog steeds, zij het uitgestelde, stimulus-respons reactie, niet het communiceren van iets waar je toevallig aan denkt.

Het hierboven beschreven meidenspelletje betrof evenwel het communiceren van een denkbeeld. Over haar gebaren had ze daarnaast wél bewuste controle.
Nogmaals: dieren, dus ook mensapen, dus ook onze aapmensvoorouders, hebben/hadden geen corticale (bewuste) controle over hun stem, omdat die wordt aangestuurd vanuit de gevoelscentra in het limbische systeem. Maar spieren worden wél corticaal aangestuurd, dus ook hun gebaren. Daarom lukte het spelletje hints ook om het eerste woord vijf miljoen jaar geleden te laten geboren worden.

Het is het spelletje hints  geweest dat ons, van aapmensen tot mensen heeft doen worden.  Door vijf dingen die het gaan beschikken over namen voor de dingen dóet met een dier.
1. Het schept een gevoel van afstand tussen de benoemer en het benoemde ding (ceci nést pas une pipe zoals Magritte het in een schilderijtje wist uit te drukken). We kwamen gevoelsmatig los te staan van de omgeving waar de overige dieren  willoos onderdeel van blijven uitmaken.
2. Het geeft een gevoel van macht over het benoembare ding. Je krijgt er gevoelsmatig grip op. Je kunt het ermee grijpen. We gingen ermee het pad op van het steeds beter be-grijpen van de dingen, het pad waarop we ons nog steeds bevinden. Capito? Got it?
Ik bedoel maar: progressief (dus links)-zijn is geheel conform de menselijke natuur.
3. Kennis, verworven in de ene generatie, kon hiermee worden overgedragen op de volgende. Kennis kon zich bij ons gaan opstapelen.
4. Individuele intelligentie kon hiermee op één hoop gegooid worden, de groep kon nu brainstormen. Twee weten meer dan één.
5. Ze konden plannen beramen. Door het gevoel van macht (zie 2.) konden ze het vuur gaan gebruiken, in plaats van zoals normale dieren er in paniek voor op de loop te blijven gaan. Gecombineerd met (4.) werden ze van bange aapmensgroepjes de hooligans van de savanne.

Het gaan gebruiken van het vuur heeft hen niet alleen wat grotere gestalten en wat ‘menselijker’ uitziende gezichten gegeven, maar vooral werden aan hun dagen extra uren rond het nachtelijke kampvuur toegevoegd. Uren die zich alleen leenden voor communicatie.
Die ‘vrije-tijds’ uren werden gevuld met performances: uitbeeldingen van gebeurtenissen welke hen op hun dagelijkse foerageertochten overkomen waren en die ze ter verwerking met elkaar konden delen. Hun gebarenwoorden werden niet alleen veel genuanceerder maar mondspier-gestuurde klanken zoals alle mogelijke clicks en puffs en mms konden hiervoor wél gemaakt worden. Een gebaar waarvan de eerste aanzet al begrepen werd binnen de context, werd niet helemaal afgemaakt. De performances werden ook sacraler, de uitvoering ervan (het hele lichaam speelt mee met gebarentaal) begon op ballet te lijken, op dansen.
Enfin, zo evolueerde het eerste gebarenwoord cultureel tot language.

 Ter conclusie terug naar de vraag van Campbell waarmee we begonnen: “how and where language began.”
How? Doordat dat bij onze vroegste voorouderpopulatie hun normale groepsdieren-communicatie (rechtstreekse reacties op wat men ter plekke kon zien of had gezien) door het spelletje hints werd verrijkt met het door middel van gebaren imiteren van hetgeen men in gedachte had.
Where? In het Afargebied van de Hoorn van Afrika van 5 miljoen jaar geleden. Het begon met proto-taal en het duurde tot na het gaan gebruiken van het vuur dat het cultureel tot taal zou evolueren en de vuurgebruikers tot Homo.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*