Humanistisch Scheppingsverhaal (1)

Verouderde tekst: de nieuwste versie is te vinden op deze URL

In de zeventiger jaren begonnen de kerken leeg te lopen. De kerkelijke invulling van ‘waartoe wij op aarde zijn’ spoorde van geen kant met het vrije consument-zijn. Een alternatieve invulling had de vrije markt economie niet in de aanbieding: ieder moest het maar zelf uitzoeken. Denkende jongeren begonnen naar de filosofen te kijken. Maar die hielden zich van de domme. Dat kostte hen weinig moeite want ze wisten niet meer over de mens dan wat al lang dode filosofen daarover hadden gepostuleerd – en die hadden nog geen echte (op onderzoek gebaseerde) menswetenschappen tot hun beschikking. Het humanisme had evenmin een alternatief Scheppingsverhaal te bieden en heeft dat nog steeds niet.

We kwamen massaal in een NIX-samenleving te leven. Maar daar zijn we vanuit onze prehistorie niet op gebouwd. Onze prehistorische voorouders hebben hun wereld en samenleven altijd beleefd rond het Scheppingsverhaal ervan.

Dat prehistorische verleden ga ik nu met u nalopen. Aan de hand van wat de menswetenschappen vooral sinds de zestiger jaren aan onderzoeksresultaten gingen verschaffen. Let wel: het daarmee samenstellen van het alternatieve Scheppingsverhaal is niet het pakkie-an van die wetenschappers maar van filosofen. Helaas zijn de academische filosofen daar niet in geschoold, de wenselijkheid ervan komt niet eens bij ze op.

Maar het moet wel gebeuren. Ons samenleven verloedert zonder een gedeeld Verhaal waar we het allemaal voor doen, dat samenleven. Doet u het misschien? Niet? Nou, dan doe ik het.

Waar ligt mijn Hof van Eden?

In het Ethiopië van zes miljoen jaar geleden. Dat was toen een bosrijke regio, met veel open grasgebieden daartussen. Nog geen mensen, nee. Wel hun voorouders. Nog normale dieren.

Nou ja, normaal: van oorsprong, toen daar het regenwoud nog intact was, waren ze mensapen. Maar door het koeler en droger worden van het wereldklimaat was hun voorouderlijke regenwoud, in de loop van zeker een miljoen jaar, daar plaats gaan maken voor juist genoemde omgeving. Ze waren rechtop gaan lopen omdat ze hun handen nodig hadden. Dus toch al een beetje aparte dieren. Maar er liepen meer aapmens-soorten rond daar.

De overgang was heel geleidelijk gegaan, en ook hun aanpassingen eraan gingen ongemerkt. Regenwoud kent nauwelijks seizoenen, deze savanne-achtige omgeving wel. Een paar maanden moessonregens, gevolgd door lange maanden van droogte. Maar ook dan moet er elke dag gegeten worden. Gelukkig waren ze waterside-apes : leefden ze volgens de paleo’s en blijkens de plekken waar hun fossielen vandaag gevonden worden, altijd in de onmiddellijke nabijheid van water. [Alle voor ons Verhaal belangrijke wetenschappelijke onderzoekers, zoals archeologen, antropologen, biologen, paleoantropologen, noem ik hier paleo’s.]

Hun voorouderlijke vruchtbomen waren verdwenen, maar ook de savanne heeft voedsel genoeg te bieden. Je hoeft alleen maar te weten waar en wanneer wat te vinden is. Echter: die nieuwe biotoop is een stuk gevaarlijker dan het beschermende regenwoud. Niet vanwege de graseters (antilopen, olifantachtigen, runderachtigen, zebra’s, etc.) maar vanwege de sabeltandtijgers en andere grote katten, en de hyena’s, die daar weer van leven.

De savanneroofdieren waren bepaald tuk op die aapmensen. Immers, graseters zijn geselecteerd op snelheid, of hebben dikke huiden, of hebben scherpe hoeven, of spietsende horens. Dat hebben tweebenige mensapen allemaal niet: één sprong en je hebt ze te pakken … Mooi niet. Mensapen kennen namelijk een kunstje dat andere dieren niet kennen: ze gooien met iets, ze verdedigen zich op afstand. Als aapmensen zijn ze daar specialisten in moeten worden. Ze waren niet voor niets tweebenig geworden, ze hadden hun handen nodig om stenen paraat te hebben. Elke ochtend, uit hun nesten hoog in de boomkruinen omlaag geklommen, was hun eerste werk: stenen verzamelen langs de oevers.

Vooral de mannen deden dat. De vrouwen en kinderen moesten het voedsel verzamelen. De mannen zorgden met hun stenen in de aanslag dat dit in veiligheid kon gedaan worden. Taakverdeling tussen de seksen, en voedseldelen na terugkeer in de veiligheid van het overnachtingsbos, dat was hun belangrijkste aanpassing. En het foerageren in hechte groepjes. Groepjes die goed waren in taakverdeling, voedseldelen en groepshechtheid deden het beter (hielden iets meer kinderen in leven bijvoorbeeld) dan groepjes die daar weinig van bakten: zo selecteert dat soort gedrag zich uit.

Over ‘aapmensen’ gesproken, de paleo’s duiden ze aan als hominiden. Of Australopitheci. Voor ’t gemak kort ik dat hier verder af tot AP’s. Zes miljoen jaar geleden (afgekort: 6 mjg) waren onze voorouder-AP’s (afgekort: VOAP’s) dus nog normale dieren – op hun aan hun nieuwe leefomgeving aangepaste tweebenigheid en hypersociale manier van opereren na.

Vellen.
Hoe dragen ze die voorraad stenen en verzameld voedsel met zich mee?

Dus nu eerst iets over de sabeltandtijgers. Die waren gespecialiseerd in de jacht op dikhuiden. Ze beslopen zo’n vleesfort en na een krachtige spurt onder het dier door sloegen ze met de vlijmscherpe sabels die vanuit hun bovenkaak hingen – ze konden hun bek idioot ver opensperren – de weke onderbuik open. Vanaf een afstandje bleven ze afwachten tot het reddeloze dier de geest gaf. Om zich dan, met hun jongen, te voeden met de ingewanden. De rest van het karkas was voor de roofdieren. De gieren slaan vanaf hun hoge uitkijkpost de verrichtingen gade. De leeuwen en hyena’s houden de gieren in de gaten. Zodra die jachtig beginnen rond te cirkelen, snellen ze toe: er is weer feest in aantocht. De leeuwen eerst. Als die genoeg hebben, mogen de hyena’s. En als laatsten de gieren.

De oneetbare vellen, zeker toen, met die constante aanvoer door de sabeltandtijgers, bleven liggen. Voor de VOAP’s waren die aantrekkelijk. Er viel altijd nog genoeg weefsel vanaf te schrapen met steenscherven of schelpen; en wanneer een vel helemaal leeg gepeuzeld was, hielden ze er een prima draagtas aan over, voor hun stenen, voor verzameld voedsel, voor de kalebas met water voor de kindjes onderweg, noem maar op. Multifunctioneel waren ze, als windscherm, als zonnescherm, als matras voor hun boomnest bij de overnachting. Met scherpe steenscherven konden de vrouwen er repen van snijden. Het omgaan met de vellen hebben de vrouwen tot steentechniek gebracht. We moeten de ontwikkeling van de stenen werktuigen in de eerste plaats als vrouwenwerk zien, vind ik. En vecht dat maar eens aan, paleo’s!

Harmonie. Ik had het over hypersociaal.
In de loop van de tijd was hun in hechte groepen opereren super-harmonisch geworden. Zeker harmonischer dan de huidige chimpansee-groepen zijn, en zelfs dan de huidige bonobo-groepen.

De laatsten lossen de meeste spanningen op met seks. Dat sociale ‘smeermiddel’ functioneerde ook binnen de AP-groepjes optimaal. De belangrijkste oorzaak van spanningen bij chimpansee-achtigen is de oestrus van de vrouwen, wier vulva van tijd tot tijd opgezwollen en sterk geurend is. De mannen vechten om toegang tot zo’n vrouw in de oestrus. Een belangrijk wapen hierbij vormen hun grote hoektanden. Welnu, die voortdurende bron van hommeles konden de VOAP’s niet langer gebruiken. Hun hachelijke overleving vereiste zo groot mogelijke eendracht en harmonie. De groepen die daarin uitblonken deden het beter (hielden iets meer kinderen in leven) dan die er niks van bakten, en zo selecteerde de neiging tot harmonie zich in de loop der vele generaties uit bij de VOAP’s. Het harde bewijs van het elimineren van hommeles leveren de gevonden kaakfossielen van AP’s. Paleo’s herkennen ze aan de opvallend kleine hoektanden. Bijgaande foto toont links een chimpansee-gebit, het rechtse een hedendaags mensengebit. Het AP-gebit is fossiel.

Een bewijs voor ‘seks als smeermiddel’ leveren onze mannenpenissen: groter dan bij alle overige mensaapsoorten. De vrouwen hebben het verlies van de enorme mensapinnen-vulva’s, danig in de weg zittend bij rechtop-lopen, ruimschoots weten te compenseren met borsten en billen.

Nogmaals, ze deden het prima daar, in de Hoorn van Afrika, waar hun oudste fossielen gevonden worden. Er was geen enkele overlevingsnoodzaak om zich uit de dierenwereld te begeven en het vreemde pad op te gaan dat tot ons leidt.

Toch gebeurde het, want kijk maar: wij, hun nakomelingen, zijn mensen.

Wat gebeurde er? Wij zijn talige wezens geworden. Taalkundigen moeten zich toch het hoofd breken hoe we dat geworden zijn? Taal fossiliseert weliswaar niet, maar dan bedenkt je toch een zo aannemelijk mogelijk scenario? De ‘big bang’ van de astronomen is ook een speculatie, maar heel werkbaar gebleken bij het verklaren van het heelal.

19-eeuwse taalkundigen bedachten inderdaad menig ontstaansscenario, waaronder gebarentaal als beginvorm van taal. Maar doordat relevante takken van wetenschap nog ontbraken en de discussies op hun congressen alleen maar leidden tot eindeloos gekrakeel, is er in 1865 rigoureus een punt achter gezet. Darwin vermeed vervolgens dit onderwerp, want hij had het met zijn nieuwe benadering van de mens als niet-geschapen wezen al moeilijk genoeg.

Chomsky was de eerste moderne taalwetenschapper die er zich weer aan waagde, en bedacht als ontstaansscenario een cosmic ray shower welke een hersenmutatie bij onze vroegste voorouders teweegbracht zou hebben. De schaarse taalkundigen die vandaag over het begin speculeren, denken eveneens aan een hersenmutatie; dan wel aan het steeds verfijnder geworden zijn van de mensapenlijke ‘kretologie’. Maar: waarom alleen bij ónze voorouders en niet bij enig andere soort? Die vraag blijft dan open.

Het kan overigens niet schelen hoe fantasierijk zo’n speculatie is, het gaat er om of er vervolgens alle menselijke eigenaardigheden mee kunnen worden verklaard. Dat doen de speculaties van de taalkundigen in elk geval niet, want de vraag naar ‘de mens’ is nog steeds onbeantwoord. Met veel nare gevolgen voor onze NIX-samenleving van dien.

De ‘just-so-story’ welke ik hier voor u ga opdissen, genereert die ophelderingen allemaal wél. Ik heb van dit voor onze menswording zo pivotale ogenblik een schilderijtje gewrocht.

Op zekere dag had de topvrouw beslist: vandaag gaan we voor de foerageertocht dié kant op. Haar dochter begon meteen te stralen: dus dan doen we het bestand met de bessenstruiken aan! En ze was dol op die bessen.

Haar twee vriendinnen keken haar bevreemd aan: vanwaar die plotselinge euforie? Het meisje pijnigde haar hersens af: hoe kon ze nou aan haar vriendinnen duidelijk maken wat zij in haar hoofd had? En bij ingeving imiteerde ze met haar handen [bes], [plukken], [in haar mond steken] en (mmm!) [lekker]. En toen nog eens, en nog eens. Het ene vriendinnetje werd ongeduldig: de groep was al op weg en het was gevaarlijk om achter te blijven: de roofdieren lagen altijd op de loer. Maar ineens viel bij de andere vriendin het kwartje, en ze deed de imitatie na. Yess!! En schaterend holden ze de groep achterna. De hele dag deden ze het [bes]-gebaar en dan lagen ze weer in een deuk.

De volgende dag bedacht de andere vriendin wat ze die dag zeker zouden tegenkomen: een uit te graven knol. Ze imiteerde [knol] en [uitgraven]. En weer de hele dag enorme pret met het [knol uitgraven]-gebaar. Ook andere vrouwen kregen er lol in, en begonnen mee te doen.

Bestaat mijn ontstaans-speculatie uit zo’n stom meidenspelletje? Inderdaad. En ik zeg er bij dat u het pas mag verwerpen indien u er een betere voor in de plaats weet te verzinnen.

Met minstens evenveel verklaringspotentie graag.

Met dit meidenspelletje ontstond iets heel nieuws in de geschiedenis van het leven: een individu dat het met een ander kon hebben over iets wat er niet was, iets heel ver weg, of in een ander seizoen. Omdat het spelletje behalve leuk ook wel handig was: te kunnen communiceren wat je in je kop had, bleef het er in en breidde het zich uit. Het werd ’t speciale ‘cultuurtje’ van die groep. Meiden die naar een bevriende groep verkasten, namen het ‘cultuurtje’ mee en zo verbreidde het zich over de hele stam. Die floreerde door deze uitbreiding van hun communicatie. Het kwam hun samenwerken ten goede. Ze hielden gemiddeld iets meer kinderen in leven dan de overige AP-stammen die van deze communicatieverbetering verstoken bleven. Onze VOAP’s.

Ik hoor u opperen: er zijn toch veel meer soorten dan de onze die communiceren? En U noemt de dolfijnen en de olifanten. Wat? het schijnt dat zelfs planten communiceren.

Zeker. Alle groepsdieren communiceren. Sterker nog: ze zouden niet eens groepsdieren kunnen zijn als ze niet zouden kunnen communiceren.

Ja, nee, u bedoelt: met woorden; daarbij denkend aan de beroemde groene meerkatten die aparte waarschuwingskreten hebben voor gevaar van boven en beneden.

Dan heb ik een sterker voorbeeld. Chimpansees hebben een aparte voedselkreet voor [vlees], een andere dus dan die voor [fruit].

Maar … die slaken ze alleen bij het gewaarworden van die dingen, als stimulus-respons reactie. Een chimp kan die [vlees]-voedselkreet niet bewust produceren om bijvoorbeeld de verzorgers te kennen te geven dat hij trek heeft in een biefstukje. Dus je kunt niet zeggen dat hij over die voedselkreet beschikt. Hij kan hem niet eens binnenhouden als hij vlees ziet.

Voor zover taalkundigen zich al bezig houden met het begin van ons taalvermogen, laten die het beginnen met klank-imitaties (onomatopeeën) van dingen. Fout. Want nu komt het: mensapen hebben, evenmin als andere zoogdieren, controle over hun stem. Die wordt, zoals eerder betoogd, neurologisch aangestuurd vanuit het limbische systeem, een dieper hersengedeelte waar het gevoel huist en waar een dier geen bewuste controle over heeft.

Herinner u de taal-experimenten met jonge chimpansees in de zestiger jaren in Amerika: chimp-baby’s samen met de eigen boreling laten opgroeien in gezinssituatie. In het begin is het chimpje in alles voorlijk. Maar zodra het op brabbelen en de eerste woordjes aan komt, neemt de mensenkleuter met het aangeboren ‘taal-programma’ in zijn hersentjes, een groeispurt en blijft de chimpkleuter stil staan.

In een gebarentalige situatie daarentegen pikte een chimpkleuter de gebarenwoordjes wel degelijk op. De beroemde Washoe heeft zo’n 250 gebarenwoorden leren gebruiken.

Onze taalcentra zitten in de neocortex. Onze stem wordt aangestuurd vanuit het limbische systeem. Pas zo’n 200.000 jg hebben onze recentere voorouders, de Anatomisch Moderne Mensen (AMM’s) , daar neocorticale controle over gekregen. Dat gaat nog ter sprake komen.

Onze talige communicatie begon echt met imitatiegebaren. Zoiets als het spelletje Hints op tv vroeger. Het begon als een meidenspelletje en het groeide uiterst langzaam. Bedenk: ze hadden het niet nodig, ze deden het prima als normale AP’s.


Bedenk ook: die gebaren-imitaties van dingen waren niet die dingen. Net zo min als de afbeelding van een pijp een pijp is. Ze waren symbolen, namen voor bedoelde dingen. Het waren woorden. Gebarenwoorden, geen gesproken woorden. De VOAP’s kwamen te beschikken over namen voor de dingen.

Bedenk ook: een naam voor een ding is ahw een ‘handvatje’ aan het beeld van het ding in je kop, waarmee je het ding kunt ‘(be-)grijpen’ en overreiken aan de ander die het ding kan ‘vatten’, ‘(be)grijpen’. Capito?

De VOAP’s betraden hiermee het vreemde pad van het begrijpen van hun omgeving. Het pad waarop wij ons nog steeds bevinden. Er is geen terug op dat pad, we kunnen er alleen maar op voortgaan, naar het steeds beter begrijpen van onze omgeving. Het is voor ons, niet meer met een paar honderd maar met vele miljarden samenlevend, wel tamelijk onoverzienbaar geworden. Maar in wezen komt wetenschap nog steeds neer op het steeds beter begrijpen.

Bedenk ten slotte ook dat de vrouwen bij het verzamelen altijd lawaai moeten maken, zodat dieren en slangen zich tijdig uit de voeten maken en niet overvallen worden waardoor ze als schrikreactie gevaarlijk worden. Mannen daarentegen moeten bij het jagen juist heel stil zijn.

Bovendien hebben de vrouwen bij het verzamelen hun handen vol. Maar ze willen toch communiceren. Dus ze hebben vanaf het begin hun gebaren begeleid met geluiden die ze neocorticaal wél kunnen produceren. Dat zijn medeklinkers, gemaakt met je lippen, wangen en keelholte: blaas- en plofgeluiden.

Ik had het zojuist over de taal-experimenten met de chimpansee-baby’s in Amerika in de 60-tiger jaren. Enkele chimpjes leerden [papa] en [cup] zeggen. Maar alleen de medeklinkers van die woordjes, niet de stemhebbende klinkers ervan.

De klik!-talen van de San-Bushmen, afstammelingen van de vroegste AMM’s, zijn veelbetekenend. De gebarentaal van de Vroege Mensen (de laatste representanten ervan waren de Neanderthalers) was blijkbaar niet geluidloos. Wel klinker-loos.

Het gaan beschikken over namen voor de dingen deed wat met die dieren. Ik bedoel: naarmate steeds meer dingen onder (gebaren)woorden werden gebracht, bleef dat niet zonder gevolgen. Het deed vijf dingen, en het is belangrijk om die te memoriseren. Deze vijf dingen, en niets anders, hebben ons tot zulke aparte wezens in de natuur doen worden.

1. Het beschikken over namen voor de dingen schiep een gevoel van afstand tussen de ‘benoemer’ en ‘het benoemde’, tussen subject en object. Er kwam ‘licht’ tussen de VOAP’s en de hen omringende natuur, ze raakten er mentaal een beetje ‘los’ van; terwijl hun mededieren er willoos onderdeel van bleven uitmaken. Ze kwamen ‘afstandelijk’ tegenover de dingen te staan. De VOAP’s konden de dingen voortaan objectiveren’.

2. Het hebben van een naam voor een ding geeft ook een gevoel van macht over het benoemde ding. Dat ze de sabeltandtijger bij z’n naam konden noemen gaf hen het gevoel hem ‘bij de taas te hebben’, maakte dat hun vrees voor hem ietsje verminderde. Ze kregen er grip op. Een naam voor iets is ook een soort aantasting van het iets. Bij ‘wilde stammen’ mag je een volwassene nooit bij z’n naam noemen: voelt als de aantasting van iemands integriteit; je moet hem omschrijven als ‘vader van’ (en dan noem je de naam van zijn zoon, want een kind mag je nog wél noemen. Al is menig jong kind nog steeds onwillig om haar/zijn naam aan een vreemde prijs te geven.). Repelsteeltje was er ook heel zuinig op: wilde niet dat iemand ‘vat’ op hem kreeg.

En de Joden mogen hun god ook niet bij Zijn naam noemen. Wat? bij ons ‘op het dorp’ noemde je nog steeds niemand bij zijn naam, maar bij zijn bijnaam. Ik was er ‘ene van de mulder’ (mijn grootvader was molenaar). En voor je gelieven heb je toch ook altijd haar/zijn koosnaam, in plaats van de wat ‘afstandelijk’ aandoende eigennaam?

Over het vuur krijg ik het verderop, maar het feit dat wij de enige soort zijn die het vuur gebruikt, heeft met dit ‘ding 2’ te maken.

3. Het beschikken over namen voor de dingen stelde de VOAP’s in staat om kennis, opgedaan door de ene generatie, over te dragen op de volgende; die, staande op de schouders van de oudere generatie, op die verworven kennis kon voortbouwen. Kennis kon zich bij onze voorouders gaan opstapelen.

4. Twee weten meer dan één. De VOAP’s konden voortaan ieders individuele kennis op een hoop gooien, ze konden brainstormen. Met een hele groep kun je voor grote problemen oplossingen bedenken. Dat is de kracht van de democratie, vergeleken bij dictatuur waarin een elite het voor ’t zeggen heeft. Zeker vergeleken bij een patriarchale dictatuur waarbij ook nog eens de slimste helft van de mensen niet mag meedenken. De slimste helft, ja. Bedenk dat alle uitvindingen die ons tot mensheid hebben gemaakt, vrouwenuitvindingen zijn. Om te beginnen het begin ervan: geen jongensspelletje maar een meidenspelletje. Ik heb dat hier niet nader beargumenteerd maar ik kan dat wel.

5. met hun namen voor de dingen konden de VOAP’s plannen beramen. Vooral nadat ze ook het vuur waren gaan gebruiken, werden ze van een bang troepje aapmensen de hooligans van de savanne. Vandaag zitten al die vreeswekkende roofdieren bij ons in de dierentuin en het is nergens andersom.

Het vuur.

Ik heb lang over een tijdstip voor het meidenspelletje nagedacht, en ik hel er toe over om er het jaartal 4 mjg bij te denken. Nu een jaartal voor het vuur. Ik doe 3 mjg. Waarom?

De vroegste harde bewijzen voor het bestaan van onze voorouders zijn de stenen messen en schrapers (zie afb hiernaast) van het blootgelegde 15-tal slachtplaatsen van Kada Gona (Ethiopië), die op 2,6 mjg gedateerd zijn. Afb. (hiernaast) bij het artikel “The World’s Oldest Stone Artifacts” van onderzoeksleider Sileshi Semaw in Journal of Archaeological Science van mei 2000 is voor mij iconisch.

Betreffende onderzoekers achten het onwaarschijnlijk dat de makers van deze werktuigen hiertoe zonder talige communicatie gekomen zouden zijn.

Maar een culturele sprong van normale dieren naar dit gedrag maak je niet even nadat je spelenderwijs namen voor de dingen bent gaan ontwikkelen, er moet eer sprong tussen hebben gezeten. En dan bedoel ik niet de vondst van de Dikika site, van snijsporen, vermoedelijk afkomstig van een als snijwerktuig gehanteerde steenscherf, op een runderbot dat op 3.4 mjg is gedateerd, dus nog 800.000 jaar ouder dan de Kada Gona werktuigen.

Het stadium van proto-taal, het niveau van namen voor dingen dat de Washoe-familie in Ellensburg, het peuter-niveau van alleen losse namen, aangevuld met de nodige lichaamstaal, waarmee een kleuter vrij goed weet aan te geven wat hij wil of niet wil. Welnu, dat stadium moeten de makers van deze slachtwerktuigen (tot scherpte bewerkte stenen) overstegen hebben, denk ik. Maar hoe? Door het vuur dus.

Weer een ‘just-so-story’ voor het eerste aangelegde vuurtje. Dat moet ook weer door een vrouw gedaan zijn, want het had met eten te maken. Maar nu een oudere vrouw, een oma. Het hoeft niet eens de alfa-vrouw geweest te zijn.

De VOAP’s hadden al lang hun instinctieve angst voor het vuur verloren: ze hadden er immers een naam voor. In de droge maanden breken er in de savanne vaak natuurlijke branden uit. Voor veel savannedieren is dat weliswaar beangstigend maar veelal ook aanlokkelijk. Gieren en roofdieren gaan er op af om, zodra en waar het uitdooft, de geroosterde karkasjes van gedierte dat zich niet tijdig uit de pootjes heeft kunnen maken, te verorberen. Zelfs antilopen komen er op af, om aan de zoutige as te likken; zout is voor zoogdieren een permanente levensbehoefte, dus lekker.

Ook voor de VOAP’s, aaseters als ze nog steeds waren, was rook aan de horizon een sein om zich er heen te reppen. Voor de geroosterde karkasjes waren ze natuurlijk te laat. Maar ze wisten dat bepaalde knollen die rauw oneetbaar zijn, in geroosterde toestand heel lekker en voedzaam zijn.

Drie San-vrouwen rond een vuurtje waarop ze een knol gaar stoven. Wat denkt u, paleo’s, wat u na 100 jaar van dit vuurtje nog kunt traceren? De paleo’s leggen grote hardnekkigheid aan de dag inzake de erkenning van een vroeg gebruik van het vuur; ze halen alles uit de kast om voor bewijzen ervan alternatieve verklaringen aan te voeren. Knarsetandend (lijkt het wel) moeten ze telkens vroegere bewijzen accepteren. Maar ik maak het wel erg bont voor ze.

Mijn ‘just-so-story’ voor het eerste vuurtje.

Als kind had de oma al met andere kinderen lopen zeulen met nog smeulende takken. Maar vandaag volvoerde ze het plan waar ze al lang op had lopen broeden. Ze sleepte een nog smeulende tak naar een veilige plek, voedde het gesmeul met droog materiaal en blies het aan tot een vuurtje. Terwijl de andere VOAP’s schreeuwend van ontzetting van een afstandje toekeken, stak ze een meegebrachte rauwe knol aan haar graafstok en hield die langdurig boven de vlammen. Het gekrijs was opgehouden: men snapte wat ze aan het doen was. In de doodse stilte proefde ze van de geroosterde knol. Ze kwam moeizaam overeind en liep er mee naar haar kleindochter – en die zou nooit vergeten wat haar oma die dag gepresteerd had.

Ik steek er mijn hand niet voor in het vuur, ik ben daar gek. Maar iets dergelijks moet zich ooit voor het eerst hebben voorgedaan.

Het gaat mij om de spectaculaire gevolgen van het vuurgebruik.

En dan niet alleen de fysieke gevolgen. Het vuur verrijkte en verbreedde het menu van de VOAP’s aanzienlijk. Richard Wrangam, de Engelse primatoloog en auteur van Catching Fire: How Cooking Made Us Human. (2009), betoogt dat ze er niet alleen grotere gestalten door kregen en een gracieler kakement en gebit, maar dat ermee ook grotere hersenen ‘bekostigd’ konden worden. En inderdaad, we moeten nu van VOAP’s gaan overstappen op een nieuwe aanduiding voor onze toenmalige voorouders: Homo habilis, H. erectus, H. heidelbergensis, etc.. Ik hanteer vanaf nu liever de algemene aanduiding ‘Vroege Mensen’.

Het gaat mij om de mentale gevolgen van het vuurgebruik.

Vóór het moment van het eerste aangelegde vuurtje moesten de VOAP’s nog steeds voor een veilige overnachting tegen het vallen van de kortdurende schemer in de bomen klimmen en hun overnachtingsvest vlechten. Wat hun gebarencommunicatie betreft: dat werkt in het donker niet. Die bleef beperkt tot het voedselverzamelen onderweg en het verdelen van het verzamelde op de overnachtingsplek. Proto-taal dus.

Maar hoe anders werd hun leven nu ze voortaan op de grond konden overnachten, rond het kampvuur dat de roofdieren uit de buurt hield. Uren en uren werden aan hun dagen toegevoegd. Uren die zich nergens anders voor leenden dan voor communicatie.

Wat communiceerden ze dan?

Natuurlijk iets dat hun gedachten erg bezig hield. Bijvoorbeeld (en ja hoor, hier komt weer een eigen verhaal) de beangstigende ontmoeting met een buffel die middag.

De mannen hadden snel een ‘muurtje’ gevormd, met hun stenen in de aanslag. De vrouwen en kinderen waren een boom in gevlucht. De buffel had geaarzeld: de VOAP’s waren berucht. Als je ze te na kwam, kreeg je zo een hagelbui van keien naar je kop. De buffel schraapte met zijn hoef. Na enige adembenemende seconden draaide hij zich om en holde weg.

Die avond rond het vuur dacht een vrouw terug aan die angstige ogenblikken. Ze sprong op en imiteerde de buffel. De vrouwen begonnen te krijsen. Een man sprong op en deed de buffel na, met zijn handen als [horens] en schrapend met zijn [hoef]. Nog harder gekrijs. De overige mannen sprongen op en vormden een ‘muurtje’. En de [buffel] maakte dat hij weg kwam.

Opgelucht gekrijs. De rust keerde weer. Maar het was zo’n prachtige en opwindende opvoering geweest, dus deden ze hem nog een keer. En nog een keer. Totdat ieder zich in zijn vel draaide en ging meuren. De volgende avonden deden ze weer de [buffel], tot deze performance plaats moest maken voor een nieuwe gebeurtenis.

Er ging voortaan geen avond meer voorbij zonder een ‘performance’.

Generatie op generatie werden zo de avonden gevuld met steeds verfijndere voorstellingen waarin emotionele gebeurtenissen werden verwerkt. En nou komt het. De imitaties ondergingen een standaardiseringsproces. Ik bedoel: een gebarenwoord waarvan binnen de context alleen de aanzet al begrepen werd, werd niet helemaal afgemaakt. De afkortingen van veel voorkomende gebaren woorden kregen een vaste betekenis. Een goede verstaanster heeft maar een half gebaar nodig. Je krijgt in een groepje babbelende vrouwen maar kort de kans om ook je duit in het zakje te doen. Dan probeer je in je communicatiemoment met zo weinig mogelijk gebaren zoveel mogelijk te zeggen. Vooral veel voorkomende uitingen worden gekortwiekt, worden standaardgebaren. Dat dit proces snel kan gaan zie je vandaag ff gebeuren met de sms-taal: standaardwoorden worden ernstig gekortwiekt.

Cruciaal is dat het een sociaal gebeuren is: niemand is er de baas over of stuurt het. Het is ‘familie’ van de mode en de rages, de onvoorspelbaarheid van het succes van het ene en de flop van het andere. Wij zijn hypersociale groepsdieren.

Na het trage begin van de proto-taal, bestaande uit zelfstandige naamwoorden, werkwoorden en een paar bijwoorden zoals [ver weg] en [dicht bij] – en vergeet niet de lip- en klik!-geluiden die ze er bij gebruikten – ontwikkelde rond het avondlijke kampvuur de talige communicatie van de Vroege Mensen zich nu razendsnel tot echte gebarentaal, met verbindingswoordjes tussen de zelfstandige naamwoorden en de werkwoorden. Ze konden al gauw zinnetjes vormen.

Onvermijdelijk daarbij is dat daarin onderwerp, gezegde en lijdend voorwerp hun vaste plaats krijgen: grammatica!

De taalkundigen beschouwen, in het voetspoor van Chomsky, de grammatica als hét waarmerk van de menselijke communicatie. Maar hoe zouden de Vroege Mensen hun talige communicatie hebben kunnen ontwikkelen met vermijding van een vaste zinsdelen-volgorde? Zeker, hun zinnetjes zullen nog erg primitief geweest zijn, wat wil je. Maar grammatica maakte er al vanaf het begin deel van uit: het is een niet te vermijden bijverschijnsel van het puur sociale talige communiceren. Dat werkt alleen als iedereen zich aan de spontaan ontstaande regeltjes houdt. Kijk maar naar de sms-taal.

Dansend/zingend. Aan hun talige communiceren, vooral bij de avondlijke performances, kwamen hun lichaamshoudingen en hun emotionele stem-uitingen veelvuldig te pas. Onze doventaal nog steeds heel erg lichaamstaal. Trouwens, onze gesproken taal weinig minder, vooral als het gesprek emotie-geladen is.

Vooral bij de emotie-geladen performances leek dat talig communiceren steeds meer op dansen, op ballet. Het feit dat wij ‘dansende apen’ geworden zijn, is een argument te meer voor de gebarentaal-hypothese. De begeleidende steeds langer gerekte stemgeluiden ontwikkelden zich tot gezang. Let echter wel: het dansen/zingen heeft pas echt goed vorm gekregen door het avond aan avond tot uitdrukking brengen van het Scheppingsverhaal van hun (woorden)wereld, dat in het hier na volgende Deel II ter sprake komt.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*