Humanistisch Scheppingsverhaal (3)

Verouderde tekst: de nieuwste versie is te vinden op deze URL

We zijn gewend om ons prehistorische verleden vooral als een mannen-aangelegenheid gepresenteerd te zien. Reconstructie-afbeeldingen van Homo erectus of andere Vroege Mensen laten vrijwel altijd mannen zien.

Maar bij de Vroege Mensen gooiden de vrouwen hoge ogen. Vanwege hun belangrijkere inbreng in het voortbrengen en voeden van de kinderen. Vrouwen zorgden elke dag voor het eten, bouwden de hut, droegen het vuur mee, en in de koelere streken maakten ze de kleding. De mannen zorgden voor de veiligheid tegen de roofdieren en later voor het veelbegeerde vlees. Een prima taakverdeling, tot ieders tevredenheid. Hoe kom ik dan bij de hogere status van de vrouwen? En wanneer en waardoor zijn de mannen daar ontevreden over geworden en zijn ze hun meerdere kracht en hun wapens gaan inzetten om macht te gaan uitoefenen?

Dat de vrouwen bij de Vroege Mensen hoog in aanzien stonden bij de mannen en zichzelf, leid ik af uit een paar feiten. Het eerste feit is dat mensen meer gemeen hebben met de bonobo’s dan met de chimpansees. Niet genetisch: wat hun genen betreft liggen ze gelijk. Maar qua uiterlijk en temperament
bedoel ik.
Dat viel Robert Yerkes, de vroegste ontdekker van het verschil tussen de twee mensaapsoorten, in 1922 al op toen de bonobo nog niet eens als een aparte soort was vastgesteld. Het zegt veel over Robert Yerkes, maar zeker ook over het karakter van de soort bonobo.

Bonobo’s komen alleen voor in Congo, en hun habitat heeft gedurende vijf miljoen jaar geen verandering gekend. De bonobo’s zijn gebleven zoals ze waren, want een soort verandert pas als haar omgeving verandert. Ze komen wegens die omstandigheid in aanmerking om het best een beeld te geven van onze gemeenschappelijke vooroudersoort. Welnu, bij de bonobo’s zijn de vrouwen het dominante gender en speelt seks een belangrijke sociale rol.

De habitats van de chimpansees zijn vanaf 2,5 mjg, toen de eerste van een twintigtal ijstijden aanbrak, aan die herhaalde inkrimpingen en uitdijingen onderhevig geweest, met alle overlevingsgevechten tussen hun groepen gedurende de inkrimpingen van dien. Dat heeft de chimpansees tot zulke grimmige macho’s doen worden. Want oorlog maakt mannen belangrijk. Maar ze zijn wel gewone regenwouddieren gebleven.

Onze soort is al rond 6 mjg haar regenwoud kwijtgeraakt, samen met een paar andere mensaapsoorten het noorden van Afrika. Ze zijn zich gaan aanpassen aan het overleven in een habitat van gewone bossen met veel open plekken met gras of dicht struikgewas: hetgeen hen dwong tot tweebenigheid, leven in hechte en harmonische groepen, en bewapening tegen de roofdieren. Onze soort is bovendien het pad opgegaan van het begrijpen van de dingen.

Een tweede feit is de grotere bijdrage van de vrouwen in het kinderen krijgen en voeden, hun fysieke toerusting daartoe, en in de huishouding. De mannen zijn in dit laatste meer zorgvragers dan zorgverleners.

Een derde feit is de blijk die pristiene volkjes zoals de Hadza, de Pygmeeën en de San-Bushmen van dit aanzien geven. Van de Hadza weet ik in deze niet zo veel, maar van de Pygmeeën en de San Bushmen des te meer. De belangrijkste vieringen bij hen zijn de eerste menstruaties van hun meisjes. Bij die eerste manifestatie van dat unieke vrouwelijke kunnen wordt een aparte hut opgericht, waarin zo’n meisje samen met leeftijdgenootjes samengebracht wordt om van een paar ervaren vrouwen onderricht te krijgen in de geheimen en gezangen van het vrouw-zijn. De jongens en veel volwassen mannen, veelal ook van naburige groepen, verzamelen zich in een wijde kring rond de menstruatiehut, om mee te zingen met de gezangen en om een glimp op te vangen van de meisjes, voor de jongens hun toekomstige partners.

Hier een iconische rotsschildering van San-Bushmen. In de cirkel de hut. Daaromheen doen de vrouwen de elanddans. In een wijdere kring de jongens, en daarbuiten de volwassen mannen. Onderaan is een scherf afgebrokkeld maar rechts daarvan gaat de rij mannen nog door.

Hieronder een gegraveerde plaquette van 10,500 jg die hetzelfde tafereel uitbeeldt.

Kortom, enorme aandacht voor de overgang van meisje naar vrouw. Bij de jongens wordt bij de VJ’s die overgang gemarkeerd doordat de jongen voor ’t eerst in z’n eentje een grote graseter weet te doden. Hiermee heeft de jongen bewezen een jager te zijn, dus van overlevingsbelang voor de groep. Vanaf nu wordt hij als man beschouwd en geldt voor de meisjes als een aantrekkelijke partij. Verder geen gefeest er omheen of zo.

Als zowel de mannen als de vrouwen zes miljoen jaar harmonisch en in volstrekte gelijkwaardigheid tussen de seksen hebben samengeleefd, hoe is daar dan de klad in gekomen? Dat ga ik nu, via enkele belangrijke omwegen, vertellen.

De AMM’s (Anatomisch Moderne Mensen).

Zo’n 100.000 jg begon in Afrika een populatie Vroege Mensen, naast hun traditionele messen en schrapers van vuursteen, werktuigen te maken van ivoor, hoorn en been. De archeologen constateren dat en laten het daarbij, maar een humanosoof wil altijd een verklaring zoeken: waarom die populatie, en waarom hielden de overige Vroege Mensen zoals de Neanderthalers (NT’s) en hun Afrikaanse evenbeelden de MSA’s (Middle Stone Age people) het bij hun oeroude traditionele leefwijze?

Ik heb het starre conservatisme van de Vroege Mensen toegeschreven aan hun behoefte aan bevestiging van hun hachelijke woordenwereld, immers een virtuele wereld die hen mentaal uit de reële natuurlijke wereld van het dier-zijn had doen migreren, maar die nog zo onvertrouwd was en gebrekkig, dat die dagelijks bevestiging behoefde.

Ik geef nog even een sterk voorbeeld van het conservatisme van de Vroege mensen.

Ik nam 2004 met kameraad Ruud Oosterhof deel aan de Neandertal Convention in Tongeren. Onvergetelijk voor mij: ik ontmoette er de belangrijkste paleo’s in levende lijve, en weet je wie ik er ook nog heb gesproken? Jean Auel, de schrijfster van De stam van de holenbeer e.a. Zij wordt door de paleo’s op handen gedragen omdat zij met haar sinds 1980 vergaarde fortuin congressen zoals deze peperdure Convention mee financiert.

Waar ik het meest van op stak is van het bezoek (na afloop van die drie dagen) aan de opgravingssite Veldwezelt-Hezewater, waar twee NT-kampplaatsen zijn gevonden. Eén van 130.000 jg en één van 34.400 jg. Daar zit dus bijna 100.000 jaar tussen. Ruud, die als lijm-man vooral geïnteresseerd is in het prehistorisch gebruik van lijmsoorten, vroeg aan de onderzoekers of er verschil was in werktuigen tussen die twee periodes. Het verbluffende antwoord was: “Geen enkel verschil”.

Waardoor hebben de AMM’s dat beschermende conservatisme dan enigszins los durven laten?

Fysiek onderscheidden de AMM’s zich in elk geval van de NT’s. De laatsten hebben gedrongen gestalten en nog aapachtig korte nekken. De AMM’s leefden in de warme regio waar nu Soedan ligt, waar je met het oog op warmte-afvoer maar beter een ‘Nilotische’ (slanke en lange) gestalte kunt hebben, zoals de huidige Maasaï. Dat houdt ook in: langere nekken; dus meer plaats voor een ingedaald strottenhoofd: kenmerkend voor AMM’s.

Natuurlijk is het een onmerkbare overgang geweest, van het voornamelijk met gebaren communiceren zoals de Vroege mensen dat deden, naar het voornamelijk met de stem communiceren zoals wij dat vandaag doen. Nog steeds spelen onze gebaren een belangrijke rol, vooral bij het uitdrukken van emotie. We gesticuleren zelfs als de persoon met wie we praten, niet te zien is en die onze gebaren evenmin kan zien; zozeer zit de gebarentaal nog steeds in ons systeem gebakken. Onze gesticulatie heeft elke woordbetekenis verloren: die functie is geheel overgenomen door de stem. Nou oké, als iemand je enthousiast (zie je, daar heb je de emotie weer) een recept uitlegt en ‘goed roeren’ zegt, laat die dat ook met de handen zien.

Zoals ik al opmerkte deed ook bij de Vroege Mensen, bij de vorming van de medeklinkers hun mond al volop mee met hun gebaren. En te oordelen naar de klik!talen van de San-people en andere vroege AMM-volkjes telden de medeklinkers bij de Vroege Mensen zeker zulke grote aantallen verschillende vormen als onze huidige talen.

De klinkers echter hebben, geproduceerd als ze worden vanuit het limbische systeem, er lang over gedaan om onder mede-controle te komen van de neocortex, waar ons talige bewustzijn huist. Dat het limbische systeem nog steeds volop mee blijft doen, blijkt uit het gevoel dat normaal in onze stem meeklinkt. We kunnen ons gevoel bij het spreken onderdrukken: dan klinkt onze stem ‘ijzig’. Robot-achtig. Het verklaart ook waarom robot-stemmen zo toonloos en mechanisch klinken: het limbische systeem, het gevoel, valt niet na te maken.

De medecontrole van de neocortex over onze stem is het resultaat van het avond aan avond dansen/zingen van het Scheppingsverhaal door de Vroege Mensen. Nogmaals, gedreven door de angst dat onze woordenwereld, vertolkt in het Scheppingsverhaal, zou ophouden te bestaan als ze het niet voortdurend bleven dansen/zingen. Daarbij deed de stem aanvankelijk alleen ondersteunend mee, als gevoelsuiting bij het dansen/zingen bij de performances. Hoe langgerekter en verfijnder de vocale (met de stem geproduceerde) uithalen daarbij, hoe mooier de uitvoering. Bij de sacrale Scheppingsverhalen won de uitvoering alleen maar aan emotionele (dus limbische) zeggingskracht.

Het moeten de AMM-vrouwen zijn geweest die er als eersten in slaagden om alleen met hun stem te communiceren: die hadden bij hun bezigheden steeds beide handen nodig maar ze wilden toch door kunnen kleppen. De mannen bleven nog heel lang niet meedoen met dat vrouwengedoe. Ze bleven zich bij hun jacht in gebarentaal richten tot de Grote Voorouder van hun beoogde prooidier. Priester-antropoloog Wilhelm Schmidt maakt daar melding van, ik meen in zijn beschrijving van de Semai-jagers. Ik ben een bewonderaar van hem. Wat zou hij een grote geweest zijn als zijn bloeitijd na de zestiger jaren had gelegen.

Wilhelm Schmidt 1869-1954)

Dat doét iets met die AMM’s. Bedenk dat de Vroege Mensen, met hun (voornamelijk) gebarentaal, onmogelijk konden liegen. Bij gebarentaal doet je hele lijf mee: het is nog steeds voornamelijk lichaamstaal. Dus veel te veel spieren en spiertjes om onder controle te houden: je valt zo door de mand bij die geoefende waarnemers. Maar met alleen je gezicht, met een ‘stalen’ gezicht, kun je dat wel. Niet dat ze daar nou een gewoonte van maakten, maar het feit dat ze het kónden maakte hen een ietsje individualistischer, een ietsje minder gebonden aan de starre conventie. Ik geef onmiddellijk toe dat het weer zo’n Couwenbergh-theorie is en dat ik deze onmiddellijk inruil voor een aannemelijker verklaring, maar in elk geval heb ik er een en de paleo’s hebben er geen.

Maar dan nog. Waarom zijn de mannen macht gaan uitoefenen over de vrouwen?

Dat is een uiteindelijk resultaat van het een beetje los raken van de starre conventie bij het werktuig-maken, en het gaan vervaardigen van werktuigen van ivoor, hoorn en been. Daar kun je namelijk geweerhaakte visspeerpunten mee maken. En harpoenen. Daarmee kun je gaan jagen op zeehonden, robben en walvissen. Daarmee kun je grote vissen spietsen. De waterfauna werd voor hen veel toegankelijker en aantrekkelijker.

De Vroege Mensen bleven oer-conservatief, bleven jagen op grote graseters en deden niet veel met de waterwereld. Maar de waterwereld heeft wel meer te bieden, is een constantere voedselbron wanneer je die goed weet te exploiteren. En dat deden de AMM’s. Hun archeologisch blootgelegde kampen kenmerken zich, behalve door het grotere aantal hutten, door enorme schelpenhopen. Zo enorm groot dat het duidelijk is dat de AMM’s veel langer op eenzelfde plek bleven hangen. Ja, waarom zou je verder trekken als de plek een schier onuitputtelijke voedselvoorraad te bieden heeft?

De AMM’s konden veel meer monden voeden, hielden meer kinderen in leven, hadden grotere groepen, misschien wel twintig tot dertig hutten. Die groepen splitsten zich ook nog eens veel sneller. U begrijpt het al: de AMM’s gingen ‘fokken als konijnen’, hun regio’s raakten binnen enkele generaties al overvol, en ze gingen de rest van de eindeloos grote wereld in gebruik nemen – tot die wereld niet langer eindeloos groot bleek.

Een belangrijker gevolg is dat bij de AMM’s ‘verandering en vooruitgang’ een kans kreeg.

Ook in een kleine groep, zoals bij de Vroege Mensen normaal was, kan iemand op een nieuw idee komen. Binnen zo’n kleine groep echter krijgt het weinig of geen navolging, en sterft het in schoonheid. Maar in een grote groep vindt het al gauw een of meer ‘volgers’, en wordt het geperfectioneerd door de inbreng van die anderen. Door de veel frequentere uitwisseling van ideeën tussen de veel talrijkere groepen krijgen nieuwe ideeën ook veel meer voedingsbodem en verbreiding.

Het conservatisme bleef sterk bij de AMM’s, maar het was niet langer onbeweeglijk zoals bij de Vroege mensen.

Prachtig. Maar waar blijft nu het antwoord op de vraag waarom mannen macht zijn gaan uitoefenen op de vrouwen? Nog even geduld, het komt er aan.

De AMM’s gingen ‘fokken bij de konijnen af’. Ze verbreidden zich eerst over het hele Afrikaanse continent. Dat wil zeggen de kustgebieden ervan, ze waren kustbewoners. Vooral de kustgebieden van Zuid-Afrika waren in trek. En enkele AMM-groepen migreerden ook buiten het continent, naar de Levant en richting India.

Tot 74.000 jg de megavulkaan Toba (Sumatra) explodeerde. Een milieuramp van de eerste orde. 2800 km3 ging in een paar dagen de lucht in en verduisterde de aardse stratosfeer gedurende wel zes jaar. Planten moeten het hebben van zonlicht, dieren moeten het hebben van planten of van dieren die het van planten moeten hebben. Kortom, massa-uitsterving van alle soorten.

De aspluim ging vooral over India. Daar zijn vandaag nog dikke lagen van op te graven.

Maar we zijn taai. Niet alleen de AMM’s hebben het overleefd, vooral in Zuid-Afrika. Maar ook de NT’s. Want 34.000 jg kamperen hun nakomelingen in Veldwezelt-Hezewater, bijvoorbeeld.

Wie het ook overleefden? De eerste verspreidingsgolf AMM’s die richting het Verre Oosten migreerde. Ik noem die Out of Africa-II A (OoA-I was immers die van de vroege Vroege Mensen, zoals de Java-mens en de H. pekinensis). De eerste golf AMM’s was India al gepasseerd en overleefde de zes jaren van ‘vulkanische winter’ in de regenwouden van Maleisië. Om daarna verder te migreren en uiteindelijk Nieuw-Guinea, Australië en Tasmanië te koloniseren. Dat was toen nog één continent, omdat de zeespiegel enorm laag was wegens de laatste ijstijd. Ze hebben zich en passant enigszins vermengd met de Vroege Mensen van het Verre Oosten, de Denisova-mensen, getuige het Denisova-DNA dat hun nakomelingen nog in hun genoom hebben – zoals wij hier nog een beetje NT-DNA in ons genoom hebben.

Na zes jaar leefde de natuur weer op. De planten begonnen weer volop te groeien, de overlevende plantenetende dieren begonnen zich weer te herstellen van hun decimering, en de dieren die leefden van de plantenetende dieren eveneens. Dus ook de AMM’s. Ze manifesteren zich eerst vooral in de grotten aan de kust van Zuid-Afrika, waar in de Blombos-grot de hierboven afgebeelde brok oker is gevonden. Naast veel meer afgeschraapte brokken oker. Op dit brok heeft de poeder-afschrapende vrouw de brok kruislings ingekrast: dat schraapt lekkerder. Onder de verse inkrassingen zie je de vorige nog. Dat de onderzoekers hier de eerste tekenen van ‘kunst’ of zelfs ‘schrift’ in zien, moet mogen: hun waardevolle opgravingen kosten klauwen met geld en ze leveren niets dan kennis op. Maar daar wordt iemand alleen maar geestelijk rijk van.

Ze vinden naast die bekraste brokken oker veel belangrijkere dingen: meer gesofistikeerde werktuigen en sieraden van schelpen. Ze betekenen een stadium in onze wordings-geschiedenis.

Je kunt zeggen dat de ramp de AMM’s nog vindingrijker heeft gemaakt. De toename van hun groepen, hun ‘fokken als konijnen’ wordt alleen maar sneller. 65.000 jg hebben ze hun aantallen in Afrika hersteld en begint hun OoAII-b.

Zeker, ook weer richting Verre Oosten, nog steeds de kustlijnen volgend, en aldaar de primitievere OoAII-a populaties verdringend naar de minder interessante regio’s zoals de regenwouden en Andamanen-eilanden. En naar Siberië, waar ze op Beringia (wat nu de Bering-zee is maar toen door de lage zeespiegel land) het laatste ijstijd-maximum gerieflijk doorbrengen. Om na 14.000 jg het Amerikaanse continent te gaan koloniseren.

Maar ditmaal ook naar Europa, de gebieden van de NT’s in. Ook deze laatsten der Vroege Mensen worden door hen verdrongen naar voor hen minder interessante regio’s.

Het moet voor de NT’s een nare confrontatie geweest zijn. Niet alleen dat de AMM’s er voor hen vreemd uitzagen, met die enorm hoge voorhoofden (NT’s hadden nog aapachtige, vanaf de hoge wenkbrauwen naar achter wijkende schedels) en naar voren uitstekende kinnen (die van de NT’s weken naar achter) en hun kleine neuzen. Maar vooral door hun luidruchtigheid: je hoorde ze al van uren afstand aankomen. Bovendien reageerden ze totaal niet op je gebaren. Erger nog, ze hadden kleine werpspiesen die ze met een apparaat (speerwerper) van grote afstand dwars door je heen konden gooien. En ze hadden wolven bij zich die ze op je af konden jagen. Nee, je kon ze maar beter uit de buurt blijven.

45.000 jg arriveerden de vroegste AMM’s in West-Europa. In de loop van 10.000 jaar of meer zijn de NT’s door hen naar steeds afgelegener gebieden verdrongen en in aantallen zodanig gereduceerd dat ze ook niet langer met andere NT-groepen partners konden uitwisselen. 28.000 jg stierf de laatste NT, misschien in Gorham’s cave (Gibraltar), misschien in een grot in Kroatië. Daar moet ik vaak in gedachte bij verwijlen. Misschien hebben de laatst overgebleven groepjes, hun lot beseffend, wel aansluiting gezocht bij wat tolerantere AMM-groepjes en zijn ze er hier en daar bij ingetrokken. Misschien dat zo hun DNA ook een beetje in het onze terechtgekomen is.

En nu dan eindelijk de machtsgreep van de mannen. Na zes miljoen jaar van harmonie, gelijkwaardigheid tussen de seksen en mannelijke eerbied voor de alles-regelende vrouwen: waar, wanneer en waardoor hebben de mannen daar genoeg van gekregen en is het fout met ons gegaan?

Waar? Overal waar er teveel groepen met elkaar om het bestaan moesten vechten, in een te krap geworden leefgebied. Hoe groot dat ook was: waar vrouwen op hun foerageertochten op de aanwezigheid van vreemde vrouwen stuitten, joegen ze er hun mannen op af om er mee af te rekenen. Oorlog maakt mannen belangrijk.

Wanneer? Dat kan al in Afrika begonnen zijn. De migratie Out of Africa II kan al wijzen op populatiedruk. Alle vandaag levende Out of Africa-populaties vinden (het genetische onderzoek is daar duidelijk in) hun oorsprong in één van de Zeven dochters van Eva. Er is vandaag geen enkele VJ-gemeenschap waar niet van een zeker overwicht van de mannen sprake is, hoe gelijkwaardig de verhoudingen tussen de seksen er ook nog moge zijn. Zelfs bij de egalitaire Pygmeeën hebben de mannen zich van de heilige molimo-fluit meester gemaakt en moeten bij het ritueel de vrouwen in hun hutten blijven.

Het oprukkende ijs van de laatste fase van de laatste ijstijd in Europa moet eveneens oorzaak geweest zijn van populatiedruk in de leefbare streken van Zuid-Europa. De mannen hebben daar eigen initiatierituelen ontwikkeld in beangstigend diepe en duistere grottengangen, zoals die van Lascaux en Chauvet en tientallen andere, ook in Italië en Spanje. De vrouwen ontwikkelden er , getuige het alleroudste vrouwen-beeldje van de Hohlefelsgrot (in de Schwäbische Alb bij Schelklingen (Duitsland) dat al van zo’n 35.000 jg dateert (zie hiernaast) hun verering van Moeder Aarde daar ze niet langer vrij konden rond foerageren en zorgvuldiger moesten omgaan met hun voedselplanten.

Waardoor? Door de oorlogvoering ten behoeve van de overleving van de eigen groep kregen de mannen er een gewichtige taak bij: hun leven riskeren in gevecht met vreemde mannen. Een taak die volgens de mannen opwoog tegen het kinderen kunnen baren van de vrouwen, en derhalve even belangrijk voor het voortbestaan!

De oeroude balans tussen de genders (vrouwen zorgden voor alles en voor het eten, de mannen zorgden voor de veiligheid en later voor het vlees) raakte verstoord. De mannen begonnen zich ineens héél belangrijk te vinden, werden minder geneigd de tweede viool spelen. Vooral de jongemannen, boordevol dadendrang om hun mannelijkheid te bewijzen, ervoeren de voorzichtige beslissingen van het vrouwenberaad als volslagen achterlijke en nodeloze, wat? schadelijke hinderpalen.

Het leidde er toe dat de mannen eigen rituelen gingen ontwikkelen, op afgelegen plekken, zoals diep in het woud, of, zoals in Zuid-Frankrijk, in duistere onderaardse grottengangen. Aanvankelijk stiekem, later steeds openlijker, en in het dorp zelf. Tenslotte verboden de mannen de vrouwen-rituelen en verboden de vrouwen om naar de mannen-rituelen te kijken: ze moesten in hun hutten blijven. Dat is de religie zoals we het bij de ‘wilde stammen’ aantreffen.

Boekdelen spreekt voor mij de molimo-viering bij de nog tamelijk VJ-achtige Mbuti-pygmeeën in het Congolese Ituriwoud, bekend van het prachtige boek The Forest People van Colin Turnbull (NY 1961) waar ik het al over had.

De molimo is een heilige fluit, waarmee door ervaren toeteraars een veelheid van tonen en klanken kunnen worden voortgebracht. De molimo verbeeldt de stem van het Woud, en wordt bij ruste verborgen diep in het Woud. Om tevoorschijn gehaald te worden door een groepje jonge mannen wanneer iemand overleden is of iets anders verontrustends aan de hand is, waarvoor Het Woud uit zijn sluimer gewekt dient te worden omdat zijn kinderen in nood zijn.

De vrouwen moeten daarbij in hun hutten blijven, met afgesloten ‘deur’. De mannen zingen rond het gemeenschappelijke vuur op de open ruimte. De molimo komt vanuit de verte steeds dichter bij, naar de mannen rond het vuur, die daarbij veelal in trance geraakt zijn.

Het is dus een mannen-aangelegenheid geworden, zelfs bij de Pygmeeën al. Maar … bij hen blijkbaar nog niet zo lang. Eens per jaar worden de rollen omgekeerd en nemen de vrouwen er de ceremonie over. Ze blijken dan alle gezangen minstens zo goed te beheersen als de mannen. Die laten de vrouwen gelaten, ahw schuldbewust, hun gang gaan. De vrouwen laten merken dat de molimo-ceremonie oorspronkelijk een vrouwen-aangelegenheid was. Wanneer ze hun punt gemaakt hebben, ‘bevrijden’ ze de mannen en trekken zich tevreden terug in hun hutten (hutten maken en onderhouden is vrouwenwerk; de mannen wonen dus vanouds in vrouwenhutten). Hierna vervolgen de mannen de molimo-ceremonie tot in het ochtendkrieken.

Op veel plaatsen in de antropologische literatuur lees je dat de mannen de heilige fluiten van de vrouwen geroofd hebben, en niet alleen in Afrikaanse veldonderzoeken. Maurice Godelier, de Franse veldonderzoeker bij de Baryua Papoea’s tussen 1967 en 1988, vertelt dat de jongens bij hun initiatie leren dat de heilige fluiten door een voorouder-man gestolen zijn uit het vrouwenverblijf, en tekent de opmerking van een oude man op: “De eerste vrouwen wisten hun macht niet goed te gebruiken. Bijvoorbeeld, ze doodden teveel prooidieren [sic], en veroorzaakten teveel wanorde. Het was nodig dat de mannen hun de macht [!] ontnamen zodat de orde kon terugkeren in de gemeenschap en in de kosmos.”

Besnijdenis: hoe kwamen de mannen zo gek?

De mannen wilden niet langer braaf blijven toekijken bij de prestigieuze meisjes-initiatiefeesten rond de elima (menstruatiehut). Ze wilden eigen mannen-initiatierituelen. Bij de Pygmeeën en de San is het nog niet zover, maar bij de Baruya’s worden de jongens op (gespeeld) ruwe wijze uit de armen van de moeders gerukt, als hun ‘bevrijding’ uit de vrouwenwereld, en voor hun maandenlange initiatie opgesloten in het mannenverblijf.

Ik heb bij Godelier niet gelezen dat besnijdenis van de jongens deel uitmaakt van de initiatie. Maar dat is het bij veel stammen in Afrika en bij de Aboriginals wel geworden. Hoe kwamen de mannen toch tot dit vreemde en voor de kinderen pijnlijke ritueel?

Om de jongens-initiatie als overgang naar de volwassenheid zo dicht mogelijk op het oorspronkelijke ritueel van de voor het eerst menstruerende meisjes te laten lijken, moesten ook de jongens bloeden. In Afrika werd dit bewerkstelligd door het afsnijden van de voorhuid, maar bij ettelijke Aboriginalstammen heeft het tot nog barbaarsere insnijdingen geleid. De Aboriginals behoren, hoewel ze nog pure VJ’s zijn, niet tot de voorbeeld-gemeenschappen waaraan we nog kunnen aflezen hoe onze vroegere voorouders samengeleefd hebben. Ze horen daar niet bij, omdat Australië, althans in de leefbare stroken van dat woestijn-continent, al lang volgepakt met stammen was. Dus al lang overpopulatie. Maar Australië kent (van oorsprong) geen domesticeerbare planten. Dus er heeft nooit landbouw kunnen ontstaan onder Aboriginals. Er zat voor de Aboriginals niets anders op dan hun kinderaantallen niet verder te laten groeien, het te doen met het stamgebied en met de buren een gewapende vrede te onderhouden. Een gedwongen VJ-bestaan. Geen puur en vrij VJ-bestaan, althans niet in de dichtbevolkte delen van het continent.

De Mbutu-pygmeeën, beschreven door Colin Turnbull, leven al zeker 200 jaar samen met de Bantu-boeren die delen van het regenwoud platbranden om er tuinbouw te plegen. De Pygmeeën zijn natuurlijk begerig naar de ijzeren messen van die boeren en ook de bananen en de palmwijn en de tabak zijn erg in trek bij ze. De boeren van hun kant zijn begerig naar de bushmeat en de honing die de Pygmeeën kunnen leveren. Ook de arbeidskracht van de Pygmeeën bij het omkappen van de percelen voor hun tuinen, en bij het oogsten in oogsttijd, is in trek. De Bantu’s beschouwen de Pygmeeën als hun slaven. De Pygmeeën laten hen in die waan: wanneer ze genoeg hebben van hun tijdelijk vertoeven in het Bantu-dorp (en het bestelen van de plantages), trekken ze gewoon het woud in om daar weer een tijd hun eigen vrije leven te leiden. Tot ze weer zin krijgen in palmwijn, tabak en andere Bantoe-dingen.

Maar in de loop van generatie op generatie zijn de Pygmeeën toch zo verknocht aan wat die domme Bantu-boeren te bieden hebben dat ze zelf grotendeels Bantu zijn gaan spreken. En dat niet alleen: ze laten hun jongetjes ook deel nemen aan het initiatie-ritueel van de Bantu’s. Hetgeen vooral besnijdenis inhoudt: de Bantu’s beschouwen een Pygmee niet als een man wanneer die niet besneden is.

Je kunt je voorstellen wat een frustratie dit betekent voor een vrij opgegroeid pygmee-jongetje, dat nu ineens zo’n barbaarse besnijdenis heeft moeten ondergaan. Het kan er echt met zijn verstand niet bij.

Zijn oom Masalito houdt hem beschermend en troostend vast. Later zal Kaoya het wel begrijpen.

(Foto van Colin Turnbull, 1960)

Dus vroeger heerste bij onze voorouders matriarchaat? zullen sommigen nu denken. Maar dat is niet juist. ‘archè ‘ = Gr. ‘heerschappij’. Bij de Vroege Mensen, en ook nog heel lang bij de AMM’s zoals bij onze controlegroep (de M’buti, de Hadza en de Bushmen), was echter niemand de baas. Geen denken aan dat bij VJ’s iemand de baas kon spelen over een ander. Dat deden de ouders niet eens over hun kinderen. Dat zou ook helemaal niet werken.

Nu het toch ter sprake gekomen is: voor mij zijn de pygmeeën van Turnbull, samen met nog wat andere pure VJ (Verzamelaars/jagers)- groepen zoals de Hadza en de San Bushmen, de vandaag nog voorhanden voorbeeld-gemeenschappen van de Vroege Mensen. Ze zijn namelijk een soort ‘levende fossielen’ van hoe onze vroege voorouders samenleefden.

Edele wilden. Zijn die genoemde voorbeeld-gemeenschappen voor mij dan soms ‘edele wilden’?

Inderdaad. De ‘edele wilden’ bestaan nog echt. Wat? Eigenlijk zijn wij nog steeds edele wilden! Ten diepste voelen wij dat het leven zoals de Pygmeeën, de Hadza en San dat leiden, eigenlijk zo hoort, en menigeen vandaag probeert vanuit dat gevoel af en toe dat primitieve leven als ‘naturist’ her te beleven.

De mainstream paleo’s nemen nog steeds de ‘wilde stammen’ (bijv. de indianen) als voorbeeld-gemeenschappen voor ons prehistorische verleden. Ze trekken de lijn tussen de oorlogvoerende chimpansees, via de oorlogvoerende ‘wilde stammen’, naar ons-nu, die immers ook oorlogszuchtig zijn.

Maar zij hebben het echt mis. Wij zijn pas 10.000 jaar in overpopulatie-stress geraakt en dus is er pas 10.000 jaar sprake van met elkaar in overlevingsstrijd geraakte groepen.

Terwijl onze natuur gevormd is in de vele miljoenen jaren daarvóór. Al die lange-lange tijd waren we vreedzaam. Edele wilden. Niet doordat we toen betere mensen waren, maar doordat vreedzaamheid en harmonie de overleving dienden.

Om het verschil tussen de VJ’s, de vrij in een nog eindeloos grote wereld rondscharrelende Verzamelaars/Jagers-groepjes enerzijds, en de aan één territorium gebonden ‘wilde stammen’- clans anderzijds duidelijk te markeren, noem ik de laatste AGR’s. Die aanduiding slaat niet alleen op hun onderlinge agressie maar ook op het feit dat ze hun voedsel telen, zij het nog niet op bewerkte velden maar in tuinen, aangelegd in de bossen door een plek vrij te hakken en te branden. En, als ze ook varkens telen, zoals de genoemde Baruya-papoea’s, stevig te omheinen.

Vanwaar dit scherpe onderscheid?

Als VJ’s scharrelden ze hun kostje op, vrij rondstruinend – zij het een vast, door seizoenen bepaald, patroon van ‘zangroutes’ volgend, routes welke die van bevriende groepen op bepaalde punten kruisten, waar ze enkele dagen feestelijk samen konden zijn en van alles en ook partners konden uitwisselen – in een nog eindeloze wereld. Maar nu ze als ‘wilde stammen’ AGR’s geworden waren en gedwongen om hun basisvoedsel te telen, kwamen ze heel anders tegenover de omringende natuur te staan.

Als VJ’s hadden ze een aanvaardende en vertrouwensvolle houding tegenover de natuur, de Schenker van Alle Goeds. Maar nu ze hun basisvoedsel (plantins dan wel zoete aardappelen) zelf teelden, kregen ze een controlerende houding tegenover de natuur. Die diende gewoon te doen zoals het hoorde. En zodra hier iets in mis ging, lag dat ergens aan. Dan gaven ze graag gehoor aan een gezaghebbende sjamaan, die in contact stond met de geesten.

Ik had het zojuist over zangroutes. Hoezo ‘zangroutes’? Wel, de VJ’s kenden nog geen territoria. Maar ze zwierven ook niet de wereld rond, ze bleven in een weliswaar zeer uitgestrekt gebied maar waarvan ze elk heuveltje of rotspartijtje kenden. Naarmate ze animistisch waren behoorde elk landschapselement tot een bepaalde geest aan wie een gezang gewijd was. Met hun gezang benaderden ze telkens een nieuwe geest die gerustgesteld en gevleid moest worden bij hun nadering. Door de opeenvolgende gezangen werd de afstand van punt A naar punt B al zingend afgelegd. Duizend generaties lang al.

Ach, waar praat ik over. Nog steeds lopen we de Vierdaagse het lekkers al zingend, Alleen zijn die liedjes beschamend onbetekenend vergeleken bij die van onze verre voorouders.

Dit Deel 3 heeft het einde van de lange-lange fase van harmonisch en egalitair VJ-bestaan laten zien, en de overgang naar het AGR-bestaan als AMM’s.

Een relatief recent gebeuren (hier nog even de tijdlijn), maar waar de kortzichtige mainstream paleo’s en de filosofen de indruk van hebben dat dit onze menselijke conditie is.

Ik hoop te hebben laten zien dat het de lange-lange VJ-fase is geweest die onze natuur heeft gevormd, en dat de ‘recente’ AGR-fase slechts een frustratie van onze ‘edele wilde’-natuur is. En dat we die, dit eenmaal inziende, weer kunnen terugwinnen.

Voorlopig is het nog even doorbijten. Om te beginnen: hoe komen we aan het geloof in geesten?

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*