Humanistisch Scheppingsverhaal (4)

Verouderde tekst: de nieuwste versie is te vinden op deze URL

Geest, geesten, ziel, Heilige Geest, spiritualiteit, innerlijk ……. .

We hebben gezien hoe mensen, van oorsprong mensapen, zulke aparte dieren geworden zijn in de dierenwereld. Ze zijn mentaal in een woordenwereld komen te leven, en denken zelfs dat ze niet langer dieren zijn. Terwijl ze toch gewoon zijn blijven eten en poepen, neuken en baren, geboren worden en doodgaan. Niks afwijkends. Behalve dan dat ze het met elkaar en zichzelf kunnen hebben over de dingen. Doordat ze toevallig over namen voor de dingen zijn gaan beschikken, zo’n vier miljoen jaar geleden.

Hoe zijn we zo ver’geest’elijkt? Ons onderwerp, het Scheppingsverhaal, heeft vooral met de menselijke geest (t.o. lichaam)te maken; al hangt dat geestelijke nauw samen met hoe we aan de kost komen en evolueert het met dat aan de kost komen mee.

Vrijwel iedereen (nou ja, o.a. ik niet) gaat er van uit dat zij/hij een ziel heeft. Bert Keizer schreef Waar blijft de ziel? (2012), maar dan in discussie met mensen die vinden dat wij niet meer zijn dan onze hersenen. Ook ik leg mijn ziel en zaligheid in het project van een nieuw basisverhaal voor onze samenleving; maar dat is spraakgebruik.

Een humanosoof wil altijd het begin van alles weten. Wel, hoe mensen op het idee gekomen zijn van de ziel, is niet zo moeilijk te bedenken.

Alle dieren, de hogere zoogdieren in elk geval, de groepsdieren sowieso, dromen.

Hersenen kunnen blijkbaar moeilijk zonder slaap en zonder dromen. Het zijn dan ook ongelooflijk complexe organen, die gevaar lopen in de war te raken als ze niet geregeld kunnen slapen en dromen.

Dromen doe je in beelden; dus onbewust.

Toen mensen talige wezens geworden waren, droomden ze over van alles, en graag ook over hun dierbare overledenen. Die liepen dan rond in hun droom, communiceerden met hen, alsof ze er nog gewoon waren.

Wakker geworden, dat wil zeggen tot bewustzijn gekomen en dus namen (handvatjes) kunnende hechten aan hun droombeelden, wisten de dromers heel goed dat de dierbare overledene echt dood en opgegeten of begraven was. Dat ze in hun droom toch met hen hadden verkeerd, verklaarden ze met de aanname dat iedereen behalve een lichaam heeft dat dood kan gaan , een geest (ziel) heeft die gewoon nog ergens rond blijft zweven, of verhuist naar een droomwereld, en hun verwanten kunnen bezoeken als ze in hun slaap ook in dit dromenland verzeild raken. Makkelijk dus. De droom bewijst dat de overledenen ergens blijven voortleven ook als zijn hun lichamen verrot, verbrand of opgegeten.

Het geloven in de ziel is dus al heel oud. Te oordelen naar de vondst van een op een bepaalde manier opgestelde holenbeerschedel in een Italiaanse grot waarvan archeologen hebben vastgesteld dat die door Neanderthalers in gebruikt, waren dus Vroege mensen al met dat idee bezig.

Ziel, geest, is in het Latijn anima. Het geloof erin heet Animisme. Animisten geloven dat niet alleen mensen maar ook dieren en dingen zielen (geesten) hebben. Alle vroege AGR’s (boeren) werden animisten. Dat kwam doordat ze doordat ze hun basisvoedsel gingen telen, hun wereldbeschouwing veranderde. Hun wereld werd vervuld van slechte of goede geesten, die met rituelen te vriend gehouden moesten worden.

VJ’s (Verzamelaars/Jagers), de mensen die hun dagelijkse eten in de vrije natuur weten te vinden, gaan spelenderwijs door het leven, en gaan spelenderwijs (maar net als kinderen bloedserieus in hun spel – anders is er niks aan) om met hun denkwereld. Voorbeeld. De nachtelijke sterrenhemel. Gevraagd aan een oude San. Wat zijn die pinkelende lichtjes? Glimwormpjes. Waarom verdwijnen ze als ze zon opkomt en het licht wordt? Wel, dan gaan ze op de vlucht, want de zon is veel te heet. Geloof je dat echt? Ben je gek! En hij legt uit dat je overdag de sterren niet kunt zien doordat het dan veel te licht is. Maar wij San people houden van het elkaar vertellen van verhalen.

Vermeldenswaard is ook dat de meeste ‘wilde stammen’ geloven in meerdere zielen. Sommige stammen kennen ieder persoon wel zeven zielen toe. Net zoals ze ook meerdere hemels kennen. Wij kunnen trouwens nog steeds in de zevende hemel verkeren: waar een geloof is, is een weg.

Voorouderverering. In alle tot landbouw overgegane gemeenschappen van Afrika was de voorouderverering de basis van de religie geworden, en waar kerstening en islamisering er geen einde aan heeft weten te maken, leeft het voort tot op de dag van vandaag.

De Bantoe’s menen – maar zij niet alleen – dat de zielen van hun Voorouders voortleven in een parallelle droomwereld, ergens onder de grond of in de hemel. Een wereld waar de Voorouders ook hun dorp hebben en hun plantages.

Voorouderverering is kenmerkend voor alle vroege landbouwgemeenschappen. De Tuinbouwers, de horticulturalisten zoals de ‘wilde stammen’, kennen dat nog niet zo. De Yanomamö bijvoorbeeld, hangen hun overledenen in hun hangmat hoog in een boom in het woud. Zodra het lichaam is kaalgevreten door de mieren en alleen de botten over zijn, worden de botten fijngestampt en wordt het meel door een pap van plantins geroerd, en plechtig gegeten door de nabestaanden. Zo kan de overledene in hen voortleven.

Bij de Papoea’s eenzelfde verhaal. De missionarissen verboden dat heidense ritueel natuurlijk. Een oude Papoea had op zijn sterfbed het Heilige Oliesel toegediend gekregen. Toch lag hij maar te huilen. De missiepater vroeg: ben je dan niet blij dat je straks in de hemel zult zijn? O ja, dat wel, maar – en weer barstte hij in tranen uit – ik moet huilen omdat ik niet mag voortleven in mijn kinderen en kleinkinderen.

In de vroege boerendorpen in het Midden-Oosten, zoals Catal Hüyük en Hallan Cemi Tepese in het huidige Turkije vertoefden de overledenen binnen de hutten, onder de als bank en bed dienende verhogingen langs de wanden. Men vermoedt dat de overledenen eerst op een plek werden gelegd waar de lijken door de gieren en andere aaseters werden ontvleesd. Het waren de overgebleven reukloze botten die in de hutten met veel ritueel werden ‘bijgezet’. Het waren relikwieën, het katholicisme draagt nog heel wat animisme in zich mee (het protestantisme heeft er zich van gezuiverd).

In Ain Ghazal, een prehistorisch boerendorp waar nu Amman, de hoofdstad van Jordanië ligt, maakten de mensen rond 7250 vC poppen van stro en bedekten die met klei, zoals de foto hiernaast laat zien. Zo vereerden ze de Voorouders om het gunstig gestemd te houden. In de omgeving van het vroege Jericho werden de schedels van overledenen kunstig bewerkt, de oogkassen opgevuld met klei en daarin kaurischelpen gedrukt (zie afb. rechts).

In het Verre Oosten (China, Korea, Vietnam, Japan) is de voorouderverering nog steeds levend en vindt daar plaats met ‘voorouderborden’: planken met daarop de naam van de overledene (en tegenwoordig ook nog een foto). De geesten van de overleden familieleden worden gunstig gestemd met offers in de vorm van wierook, fruit, bloemen en thee, vlees en wijn. Ieder gezin had (heeft vaak nog steeds) een eigen altaartje, waar voor de voorouderborden wierookstaafjes worden gebrand

De Romeinen kenden hun Parentalia, feesten ter eren van de overledenen. De Katholieke Kerk kent nog steeds het jaarlijkse feest van Allerzielen.

In de beleving van de Bantoe’s is de wereld van de Voorouders de echte wereld en is hun actuele wereld maar tijdelijk en minder belangrijk. Dat zal de Christenen onder ons vertrouwd in de oren klinken: ook zij hebben geleerd dat we slechts tijdelijk in dit tranendal toeven, om na ons overlijden pas het hemelse geluk mogen smaken in de aanschouwing Gods – mits we braaf aan de verlangens van de ons bovengestelden hebben voldaan.

De Egyptenaren maakten in al hun gebruiksvoorwerpen gaatjes: kon de ziel/geest van het beeldje of het dienblad of welk aardewerk dan ook er uit. Ook hun piramides zijn voorzien van kleine openingen. Een heel smal gangetje vanuit de grafkamer voert helemaal naar de top, zodat de ziel/geest van de Farao met de zonnewagen mee kan reizen naar de nachtelijke onderwereld, om bij het ochtendkrieken naar zijn graf te kunnen terugkeren.

Ook wereld van de Yanomamö, een van de ‘wilde stammen’ van de Amazone-regio, is vol kleine bosgeesten, de hekura, die door de sjamanen moeten worden toegezongen om hen gunstig te stemmen zodat ze geen kwaad doen.

Hiernaast een chantende sjamaan, foto uit het boek van Napoleon Chagnon The Fierce People (1983), bezig de hekura terug te jagen naar het woud.

De Yanomamö zijn, net als de Bantoe’s Tuinbouwers. Elke familie een eigen stuk bos om en brandt het plat.

Ze telen er behalve hun hoofdvoedsel plantins (bakbananen) ook tabak, dat ze als pruim opgerold in hun onderlip meedragen de hele dag. Ze leven in een permanente oorlogstoestand met andere stammen. Dat maakt dat ze hun vrouwen mishandelen en onderdrukt houden. Hetzelfde zien we bij de Bergpapoea’s en bij andere ‘wilde stammen’ die onder overpopulatiedruk te lijden hebben.

Veel ‘wilde stammen’ zoals de Xavante, die minder onder overpopulatie-stress lijden, kennen een vijf jaar lange initiatieperiode, waarin de jongens onder leiding van enkele volwassenen gehard worden, waarna ze de vrijgezellen- jaarkring vormen. De jaarkring van de vorige initiatie schuift een jaarkring op en vormt de krijgers-jaarkring. Na weer vijf jaar mogen ze trouwen, intrekken bij de familie van hun bruid en een gezin beginnen. Ze zijn nu toegetreden tot de volwassenen, en klimmen elke vijf jaar op in senioriteit en status. Een man die zo oud wordt dat hij de laatste van de acht jaarkringen overleeft, sluit zich, ook al is hij inmiddels hoofdman, weer aan bij de jongste en doet de slopende oefeningen weer mee.

Deze structuur biedende jaarkringen-opeenvolging is eigen aan zeer veel AGR-gemeenschappen wereldwijd, in zeer gevarieerde vormen. Een zwakke naklank ervan herkennen we in de studenten- en andere ontgroeningen, zo diep is het bij ons AGR’s ingesleten.

Veel ‘wilde stammen’ zoals genoemde Yanomamö leven dermate onder permanente oorlogsdreiging dat ze zich de luxe van initiatierituelen voor hun jongens niet meer houden en die zelfs vergeten zijn. Aangezien de statushoge mannen zich ook nog eens meerdere vrouwen toe-eigenen, hebben ze een serieus jongerenprobleem.

Hoe zit het met hun Scheppingsverhaal? Na afloop van het zware werk in hun tuinen nemen veel mannen drugs en chanten dan de oude gezangen. De overigen luisteren of zingen mee, en raken zeer verstoord als een ‘chanteur’ onder invloed een foutje maakt in een gezang. Daar kunnen ze even slecht tegen als wanneer iemand bij ons een taalfout maakt: dat blijft gevoelig liggen omdat het een zootje wordt als dat versloft.

Als de vrouwen zijn terug gekeerd van het zware hout halen voor de nachtelijke vuren en zich gebaad hebben, maken ze zich mooi met veertjes en ‘jaguar-snorharen’ als sprietjes door de gaatjes in hun wangen gestoken (gaatjes net als bij ons door oorlellen).

De mannen nemen hun vrouwen overdag mee naar hun tuin, om ze in de gaten te kunnen houden vooral. De kinderen blijven in de sjabono, het dorp, gevormd door een in een ovaal aan elkaar gebouwde woon-eenheden, rond een groot binnenterrein waar op de foto boven de sjamaan zijn bezwerings-chants naar de hekura’s loopt te houden, en waar alle gemeenschaps-activiteiten plaatsvinden.

Elke man probeert zijn tuin zo klein mogelijk te houden, in de hoop dat hij bij zijn buren kan aankloppen als hij tabak of plantins te kort komt. Dat free-riders gedrag wordt natuurlijk niet op prijs gesteld. De hoofdman is gedwongen er een grote tuin op na te houden, omdat met de opbrengst ervan , delegaties van andere stammen moeten worden onthaald. Hij wordt daarbij wel door andere mannen geholpen; die stijgen daar door natuurlijk in aanzien.

De hoofdman. VJ’s kennen de functie ‘hoofdman’ nog niet. VJ’s leven met hun kleine groepen nog steeds in een eindeloze vrije wereld, en verdragen geen enkele vorm van baas-spelerij. Maar het AGR-zijn is het resultaat van overpopulatie, van niet langer vrij kunnen rond voedselscharrelen : hun wereld is opgedeeld in territoria waarbuiten ze zich niet kunnen wagen en ze indringers zijn die moeten worden afgemaakt. Ze zijn krijgers geworden, en oorlog voeren, als gezamenlijke actie, vraagt om een coördinerende aanvoerder, een leider.

De hoofdman bij de ‘wilde stammen’ is bepaald nog niet de despoot die hij in de latere fase van de ‘beschavingen’ zal worden. Hoe wordt iemand hoofdman? Hij moet gewoon de beste zijn: intelligent, welbespraakt, uit zijn op vrede en bekwaam zijn in het bemiddelen bij conflicten. De verstandigste, de meest evenwichtige en gezaghebbende. En vooral: hij moet vrijgevig zijn. Een inhalig en vrekkig iemand of een onbeheerste agressieveling wordt echt niet tot hoofdman gekozen: die maakt de gemeenschap onleefbaar.

Veel heb ik in deze geleerd van Our Kind (1989) van antropoloog Marvin Harris. En van Manhood in the Making (1991) van David Gilmore, over de ‘Big Man’-figuur in onze culturele evolutie.

Mooi is dat we dat bij onze familieleden, de in oorlogstoestand levende chimpansees, al kunnen zien. Van Chimpansee Politiek van Frans de Waal (1982) kunnen we veel leren.

De mate van leefbaarheid in een chimpansee-groep hangt veel af van persoonlijkheid van de alfa ervan. In Burgers Dierenpark begon de chimpansee-kolonie met alleen vrouwen, en Mama was de leidster. Maar dat ging niet goed. Veel ruzie, veel verwondingen waar de dierenarts aan te pas moest komen. Er werden dus mannen aangevoerd: die kunnen beter met conflicten omgaan dan vrouwen, dat is algemeen bekend.

De aangevoerde mannen scheten van angst voor de gewelddadige Mama. Maar geleidelijk won Yeroen, een listig mannetje, het leiderschap doordat hij steeds meer vrouwen wist te paaien (vlooien) om voor hem partij te kiezen.

Yeroen werd na een paar jaar uitgedaagd door Luit, die geleidelijk opklom in het aantal vrouwen dat hij achter zich kreeg bij zijn uitdagende confrontaties met Yeroen. Die moest uiteindelijk door het stof. Luit toonder zich een voortreffelijk leider, door iedereen, ook door de verzorgers, zeer gewaardeerd, en er heerst rust in de kolonie.

Yeroen kon zijn nederlaag niet verkroppen. Toen werd een nieuweling in de groep gebracht; Nikkie, een atleet, afkomstig van een circus waar hij niet langer te handhaven was geweest vanwege zijn toenemende kracht. De slimme Yeroen papte met de dommekracht Nikkie aan. Tegen twee samenspannende concurrenten was Luit niet opgewassen,
en op een nacht is hij door hen beiden vermoord. Tot enorme verslagenheid van iedereen, en de geboren leider Luit wordt nog steeds betreurd.

Bij de veel socialere aapmensensoort, de onze, speelt evenwichtigheid en intelligentie (ook sociale) een grotere rol dan ambitie en zeker dan agressiviteit. Het hoofdman-zijn was geen pret-baan — dat is hij bij ons nog steeds niet, laten we wel wezen. Vooral bij de ‘wilde stammen´ moest je de beste zijn, alle verantwoordelijkheid willen en kunnen dragen, het vroegst uit de veren om de mannen uit hun hutten te roepen voor de afspraken en taakverdelingen van de dag. De grootste tuin onderhouden, de patrouille doen elke morgen om te zien of geen vijanden het versterkte dorp aan het besluipen waren, bij ruzies tussenbeide komen. Oké, het leverde status op, dus veel vrouwen. Maar het bleef een hondenbaan. Ik denk dat in de meeste gevallen niet die status en die vrouwen de doorslag hebben gegeven, maar gewoon het gevoel dat je het kon, en dat het onverdraaglijk zou zijn om het een concurrent te gunnen waarvan je wist dat die het niet kon. Verantwoordelijkheidsgevoel dus.

Toch is dat laatste element bij veel latere leiders (koningen, keizers) in toenemende mate gaan ontbreken. Waardoor ging het zo mis?

Bezit. Ook iets dat bij VJ’s onbekend is. Ik bedoel: zoals ook de figuur van de hoofdman bij hen onbekend is. Bij de VJ’s maakt iedere vrouw haar eigen gereedschap, iedere man zijn eigen wapens. Sieraden idem dito. Je kon best iets moois voor een ander maken, maar hoe mooi ook, de drager moet het wel met zich meedragen, en hoe minder je hoeft mee te dragen, hoe prettiger. Het enige wat iedereen graag wilde hebben was kennis en kundigheid. Dat werd graag gedeeld, want het kwam iedereen ten goede.

Toen (en waar) de mannen de baas gingen spelen, beschouwden ze hun vrouwen als bezit. Daarmee deed bezit zijn intrede. Het is dus de vrucht van ongelijkheid en macht. Maar de ongelijkheid bleef aanvankelijk beperkt tot die tussen de genders. Bij de Yanomamö heeft de hoofdman niets te vertellen over welke andere man dan ook en van privébezit is nog geen sprake. Dat verschijnt pas bij de snelle vervoermiddelen Wat? Ja, lees maar verder.

Snelle vervoermiddelen. Het lijkt een beetje vreemd, maar het zijn de snelle vervoermiddelen zoals met de domesticatie van het paard of de dromedaris, en de uitvinding van de zeewaardige kano, die het optreden van roofovervallen en plundertochten in de mensheid hebben veroorzaakt. Waar iets kan, gebeurt het ook vroeg of laat.

Vreemde groepen, met een onverstaanbare taal, worden bij ‘wilde stammen’ niet als mensen beschouwd. ‘yanomamö’ betekent ‘mens’. ‘Inuit‘ idem dito.

VJ-groepen hebben dat minder, omdat ze in hun eindeloze wereld alleen met verwante groepen te maken krijgen. Maar elke ‘wilde stam’ zit opgesloten in zijn eigen stamgebied en dat is ‘de wereld’. Al wat van daarbuiten komt, is geen mens, want zie maar hij kan niet eens fatsoenlijk praten, hij brabbelt onverstaanbare geluiden. Alleen zijzelf zijn mensen., of “echte mensen” zoals de Arowakken zichzelf betitelen.

Dit maakt dat, wanneer je met je snelle vervoermiddelen en goed bewapend bij ‘onmensen’ arriveert, je die weerloze boeren of veehouders gerust mag beroven, of doden wanneer ze zich verzetten. Voor dat die tot verweer in staat zijn, ben je al lang weer uit het zicht verdwenen. Alleen wanneer zo’n rijke boerengemeenschap weerbaar blijkt, ga je er mee handel drijven. Maar wanneer gewoon beroven ook kan, doe je dat natuurlijk: het zijn immers maar onmensen.

Krijgers waren de AGR’s al. Maar tot nu toe bleef de oorlogvoering beperkt tot bepaalde gebieden met grote populatiedruk. Verder kenmerkten de vroege boerendorps-gemeenschappen zich juist door vredigheid en hoog aanzien van de vrouwen, immers de uitvindsters van de landbouw en de leidende sekse in de landbouwreligie.

Maar vanaf de snelle vervoermiddelen is het gedaan met de vredigheid. Roof van vee en vrouwen zetten voortaan de toon. En de rover heeft zijn buit in privébezit.

De herverdeler.

Hoe vaker een aanvoerder een rooftocht met veel buit wist af te ronden, des te hoger hij in aanzien steeg bij de krijgers.
Vooral wanneer hij, zoals een echte leider betaamt, bij de verdeling van de buit en de buitgemaakte vrouwen alles onder hen verdeelde en voor zichzelf met de restanten genoegen nam.

De belangrijkste functie van de hoofdman was wellicht het herverdelen van de productie van de afzonderlijke Tuinen en later de velden van de afzonderlijke families. Omdat voedseltelen goede tijden en slechte tijden kent, was het voor de overleving van alle families belangrijk dat ze over een instituut beschikten met een ‘depot’ waaraan elke familie een vast percentage van de opbrengst van hun velden afdroeg, om uit die gezamenlijke pot te kunnen putten wanneer een familie een slecht oogstjaar had gehad.

Een uitbreiding en institutionalisering dus van de grotere Tuin van de hoofdman van bijv. de Yanomamö waarvan de gasten (een gemeenschappelijk gebeuren) gefêteerd werden en in welke tuin de andere familiehoofden ook arbeid hadden gestoken. Het is een geleidelijke overgang geweest, van Tuinbouw naar veldarbeid. Zoals ook de overgang geleidelijk verliep naar het aandeel dat de mannen zijn gaan leveren aan het telen van plantaardig en veeteeltvoedsel (vrouwenwerk) en het afscheid nemen van de jacht (mannenwerk). Sorry dat ik hier zo overheen fiets, maar anders wordt deze tekst veel te lang en begint u er niet eens meer aan. Maar dat herverdelen doen we nog steeds, in de vorm van belasting betalen voor gemeenschappelijke voorzieningen zoals onderwijs, gezondheidszorg en defensie. En in de vorm van verzekeringen tegen ongevallen van welke aard ook, en van arbeidersbonden. Het is dus een heel belangrijke verworvenheid van het AGR-bestaan.

De functie van herverdeler werd bij veel AGR-populaties vervuld door de Tempel.

Waar komt die vandaan? Aanvankelijk hadden veel AGR-gemeenschapjes (dorpen) nog geen hoofdman, of was dat bij heb nog slechts een tijdelijke functie die door een man werd vervuld wanneer dat even nodig was; maar die in vredestijd gewoon een der mannen was. De sjamaan, of sjamane liever gezegd, die de leiding had over de magie van het bevorderen van de vruchtbaarheid van de aarde door haar geloofwaardigere contact met Moeder Aarde, nam daar de functie van herverdeler waar.

Behalve dat de familievrouwen de Grote Moeder bleven vereren in de gestalte van een zelfgekleid Venusbeeldje (zoals de afb. hiernaast, er moeten er honderdduizenden van zijn gemaakt, en al heel vroeg en tot heel laat), was de religie op veel plaatsen ook gecentreerd rond de geritualiseerde religie van de sjamane en haar zeer speciale Venusbeeldje, opgesteld in een gebouwtje. Op die plek brachten de vrouwen ook hun aandeel in de gemeenschappelijke ‘pot’ van de opbrengsten van de per familie gearbeide voorraad voor het volgende oogstjaar.

Ik heb het hier dus over AGR-populaties bij wie de overgang van het vrouwenwerk in de plantaardige voedselvoorziening naar de machts-overname van de mannen hierin trager verliep dan elders, met andere woorden, dat daar de mannen langer konden blijven jagen en zich dus niet hoefden te verlagen tot vrouwenwerk.

Landbouw. Nu moet ik het gaan hebben over de aard van de plantaardige voedselvoorraad van de vrouwen. Dus over de soorten planten waarvan de vruchten zich leenden om er een voorraad van aan te leggen, lang genoeg om die tot het volgende jaar te kunnen gebruiken om ze weer uit te zaaien op velden die in dat nieuwe seizoen een nieuwe voorraad konden garanderen.

Dus dan hebben we het over granen, over tarwe, rijst en maïs. Op heel veel plekken op de Aarde groeiden helemaal geen domesticeerbare voedselplantan. Op het Australische continent bijvoorbeeld. Daar waren de mensen gedwongen een VJ-bestaan te blijven leiden. Op andere plekken groeiden wel domesticeerbare voedselplanten zoals zoete aardappelen en yams. Maar die waren niet houdbaar tot in het volgende oogstseizoen. Daar bleven de stammen Tuinbouwers (horticulturers) – tot er door kolonisten van ‘beschavingen’ granen werden ingevoerd.

De Tuinbouwers (horticulturers), de ‘wilde stammen in hun langhuizen (ettelijke families onder één overkapping, met hun veelsoortige voedselplanten, geteeld in omgehakte en platgebrande bospercelen, verbouwden daar precies zoveel als een familie dacht nodig te hebben. Landbouw echter is voedselproductie op omgeploegde velden met maar één plantensoort. De oogst ruilde de familie tegen de producten van de velden waar andere families een andere plantensoort hadden geteeld. Op een markt. Die verder-geëvolueerde AGR-situatie is nu aan de orde, en het gaat daarbij vooral om de aard van de voedselplanten.

Die situatie begon waar granen in het wild voorkwamen, dus in het Midden-Oosten (tarwe), in Zuid-China (rijst) en in Midden-Amerika (maïs).

On a BlueMarble Satellite Image

Mijn Verhaal behandelt hier verder alleen de verdere geschiedenis van de landbouw van Europa en niet die van het Verre Oosten (rijst) en die van Midden-Amerika (maïs).

Laten we wel wezen, de vrije markt is vandaag de heersende vorm van economie, en die is bezig om wereldwijd de heersende economie te worden. De vrije markt is begonnen in het zg Vrije Westen (Europa en het Europese Amerika), en heeft het in zich om wereldwijd de mensen te bevrijden van hun onderdrukkende ‘oude vormen en gedachten’. Dus is de economie van het Westen het belangrijkst om daarvan de geschiedenis na te lopen. Welnu, die is begonnen in het Midden-Oosten, met de emmer- en tarwegranen. Zoals de bovenstaande satelliet-foto-bewerking suggereert. Die heb ik er overigens vooral uit gepikt vanwege de woestijngordel die via de Sahara en Arabië doorloopt tot in China. Schokkend voor ons, bewoners van een nat landje.

De graansoorten kwamen in het wild voor in de Levant, dus in wat vandaag Israël/Palestina is, Libanon, Syrië en Noord-Irak. In de archeologie ook wel ‘de vruchtbare halve maan’ genoemd. Het woord ‘levant’ is Latijns of Frans voor ‘opkomend’, dus voor West-Europeanen ‘de streek waar ze zon op komt’.

Aan de voet van het Zagrosgebergte en het Anti-Taurosgebergte (de eigenlijk Tauros ligt in Zuid-Turkije) maar ook in de zuidelijker strook langs de Med (Middellandse Zee) kwam emmertarwe overdadig in het wild voor. De vrouwen daar oogstten die door met hun graafstok tegen de aren aan te tikken en de korrels op te vangen in een mandje. Die korrels nu waren wel keihard maar je kon ze tot meel walsen op een platte steen met een langwerpige rolsteen. Van dat meel kon je, geweekt en gerezen in wat water, heel voedzame koeken bakken. En dat niet alleen, je kon van de korrels ook een voorraad aanleggen, in grote manden. Als je een voor de Grote Moeder Aarde uitgelezen hoeveelheid van de mooiste korrels wist te bewaren tot het volgende seizoen, kon je die teruggeven aan Haar, uit dankbaarheid. En dan schonk Ze je op die plek nog veel meer van die grote korrels terug om te oogsten.

Maar … twee dingen. Dat bewaren van die korrels vereiste dat je ze opsloeg op een plek waar de muizen niet bij konden. De vrouwen deden dat in eerste instantie door hun bewaarmanden in te smeren met klei, zowel van binnen als van buiten. En dan die klei hard laten worden in de brandende zon of bij een vuur. Of je kon een gat graven, dat gat bekleden met stenen en die insmeren met een laag klein, vuurtje er in laten branden om de klei te harden en dan het graan er in, afgedekt met een platte steen.

Het tweede ding is: je moest zorgen dat je in de buurt bleef van waar je je mooie korrels had terug gestrooid voor Moeder Aarde, zodat, wanneer het emerkoorn het volgende seizoen rijp was, het niet al geoogst was door vrouwen van andere groepen.

Het effect was dat de vrouwen steeds meer belang begonnen te hechten aan het emerkoorn dat hen in staat stelde om de lange winter- en voorjaarsmaanden door te komen met voedsel voor hun gezinnen. Dat ze steeds blijvender hutten maakten in de nabijheid van die velden.

Ze groeven voor hun hutten eerst de vloer een halve meter diep uit. Want dat was koeler in de zomerhitte en warmer in de winter. Vervolgens niet langer twijgen in de grond steken en die boven naar elkaar toe buigen, vastbinden en een dakbedekking aanbrengen van huiden dan wel grassen, zoals ze al vanaf de oertijd deden, maar steeds hogere wandjes van stenen om de kuil heen stapelen, die besmeren met klei om de kieren te dichten, en dan een dak maken van op de muren rustende palen, dunnere dwarspalen, twijgen en grassen, later zelfs daaroverheen een laag klei om het dak waterdicht te maken tegen de voorjaarsstortbuien.

Een revolutionaire ontwikkeling, al bij al, welke hier door de vrouwen in gang werd gezet.

Maar … wat moesten de mannen nu? Die wilden natuurlijk bij hun vrouwen en kinderen blijven, maar die bleven op die ene plek en waren er niet toe te bewegen om die in de steek te laten.

De prooidieren daar werden in korte tijd schaarser en schaarser, de grote graseters zoals de elanden het eerst. Maar daarna de kleinere antilopen, en die werden ook steeds kleiner in de loop der generaties. Toen hazen en konijnen, schildpadden … de archeologen kunnen deze ontwikkeling op de voet volgen in hun opgravingen. De aanvoer van vlees werd steeds penibeler, en daarmee de betekenis van de mannen.

De vrouwen waren tuinen voor steeds meer soorten voedselgewassen gaan aanleggen, en die omheinden ze tegen vraat door schapen en geiten. Tot ze op het idee kwamen om zwangere schapen en geiten niet te doden maar op te sluiten binnen omheiningen en ze daar te laten lammeren. Zo gingen ze ook hun vlees telen. Dat begon met geiten en schapen, op andere plekken met varkens.

Het is duidelijk dat het voor steeds meer mannen lonender werd om hun vrouwen in hun bezigheden bij te staan dan om op steeds verdere en vruchtelozer jachten te gaan. Om te beginnen hielpen ze hun vrouwen met het bouwen van steeds grotere en betere stenen woningen, stevigere omheiningen en stallen. Bij het vellen van stukken bos, voor palen en stookhout.

En toen de mannen het oerrund gingen fokken en de te wilde stieren door ze te ontmannen als ossen, dus als trekdieren voor ploegen te spannen, waren de mannen boeren geworden.

Deze kaart laat de ontwikkeling van de veeteelt prachtig zien, met jaartallen er bij.

Maar toch niet helemaal up to date. Want het recent opgegraven Halan cemi (het ligt in Zuid-Turkije, ik heb het bestaande kaartje toegevoegd) blijkt dat daar al varkens fokten en stenen behuizingen bouwden (dus sedentair waren) rond 10.4000 jg zónder dat ze granen teelden. De archeologen zien een scherpe daling in de varkensfossielen vanaf dat er granen opduiken. Begrijpelijk, omdat graanvelden niet samen kunnen gaan met vrij rond-foeragerende varkens.

Hiermee sluit ik Deel 4 af.

Maar niet zonder conclusie.

Want het begon met ziel en geest. En naarmate de teelt van planten evolueerde tot het helemaal opgeven van het voedselscharrelen en het bouwen van permanente behuizingen en het wonen in dorpen die hier en daar tot steden gaan uitgroeien, neemt de voorouderverering de belangrijkste plaats in in de religie. Is de Grote Voorouder verdwenen? Nee, natuurlijk niet. Die leeft nog voort tot op de dag van vandaag. Alleen, die speelt voorlopig geen rol meer in de religie, die bevindt zich voorlopig ergens hoog in de lucht, en bemoeit zich nergens meer mee. Tot de patriarchen Hem er weer bij halen. Maar dat duurt nog even in ons Verhaal. We moeten de mensheid eerst nog beschaving bij brengen. Daar gaat het komende Deel 5 over.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*