4. Van God los

Van Gos losYvonne Zonderop en Stephan Sanders worstelen met hun religieuze gevoelens  in een briefwisseling in De Groene van 12 nov.’15.  Herkenbaar voor velen, zelfs voor Groene-lezers.

Deze briefwisseling wordt gevolgd door het gesprek van Yvonne Sonderop  met Hans Boutellier over diens boek Het seculiere experiment. Hoe we van God los gingen samenleven. Het sluit er ook inhoudelijk bij aan.

De dag erop zaaiden jihadisten  dood en verderf in de open samenleving van Parijs, en brak in de daaropvolgende dagen het koor van ontreddering los. Die jihadisten hebben wél een Verhaal waarmee ze hun misdaden menen mee te rechtvaardigen, en wij, westerse mensen, zoeken radeloos in onze bagage naar een antwoord en treffen daarin slechts leegte aan. Het  NIX dat het gat heeft achtergelaten na het verdampen van ons oude christelijke Verhaal.

De humanosoof schaft voor het probleem dat alle vier onderwerpen gemeen hebben,  raad.

 

  1. Een nieuw mens- en wereldbeeld.

Alles draait om ons mensbeeld, om het beeld dat we van onszelf en van onze medemensen hebben. Dat mensbeeld aan te reiken aan de massa was van ouds het alleenrecht van de kerken, en daarop  berustte ook hun macht over het denken van de gelovigen. Het mensbeeld van de kerken was pessimistisch: we waren zondaars, tot niets goeds in staat en afhankelijk van Gods genade of het toch nog wat zou worden met ons geluk, na onze dood. De academische filosofie liep daar braaf mee in de pas: de oude filosofen deelden die pessimistische visie op de mens.

In de zestiger jaren na WOII werd alles anders – althans voor ons, in het vrije Westen. De vrije markt economie was hier doorgebroken. Zij had de beschikking gekregen over het massamedium televisie. Daarmee kon zij, nog indringender dan met het massamedium radio, háár mensbeeld presenteren aan de consumenten. Dat was een heel ander mensbeeld: dat van de a-religieuze, a-politieke,  vrouw- en kindvriendelijke, aardige en hedonistische individualist. Heel wat aantrekkelijker om je mee te identificeren. Winkelcentra en voetbalclubs werden nieuwe vormen van overkoepelende en gemeenschappelijke herkenbaarheid. De kerken begonnen aan hun onstuitbare leegloop.  Ook meer ‘oude vormen en gedachten’, zoals oude dorps- en familiebanden, vakbonden, politieke partijen, kregen het moeilijker door het groeiende individualisme.

San ceremony

Want mensen denken conform de heersende economie. Vanaf de vroegste tijden zo geweest. Toen we nog verzamelaars/jagers waren (zie foto)  dansten/zongen we vol vertrouwen het Scheppingsverhaal en was geluk heel gewoon. Toen we voedseltelers werden, verloren we dat vertrouwen en trachtten we de voedselvoorziening met magie van sjamanen en met voorouderverering te beïnvloeden. Toen krijgsheren tot koningen en keizers werden, werden de sjamanen priesters en de hoofdfiguren van de mythen tot goden. Nog grotere politieke beschavingen hanteerden monotheïsmen als collectivistische eenheidsideologie. Mensen kwamen te leven ik klassen, rangen en standen. En in elkaar vijandige religies.

De doorbraak van de vrije markt heeft het einde betekend van de 5000 jaar lange geschiedenis van de opeenvolgende despotieën.  Vanaf de zestiger jaren waren de dagen van de collectivistische Grote Verhalen van fascisme, communisme én monotheïsme geteld. De vrije markt economie kan niets met collectivisme. De vrije markt kan alleen wat met klanten, met individuele consumenten. De vrije markt schakelt alle mensen gelijk. “Alle Menschen werden Konsumenten.”

De vrije markt economie is als de zoele zuidenwind die de permafrost van oude dictaturen onmerkbaar traag maar onontkoombaar penetreert via haarvaten, en de daarop gebouwde instituties aan het wankelen brengt. Zelfs de permafrost van de (vooral soennitische) islam-despotieën gaat ontdooien. De jihadistismen mogen gevoeglijk als laatste stuiptrekkingen, oké, nogal heftige, van deze ancien régimes  worden gezien.

De vrije markt heeft ons, westerse mensen van de ‘vrije wereld’, niet alleen ongekend welvarend gemaakt, ze heeft ons ook bevrijd van het pessimistische mensbeeld van de kerken.  Maar een nieuw Groot Verhaal bracht ze niet. Natuurlijk niet, ze is geen persoon, ze is een economische situatie.

Maar …  mensen kunnen vanuit hun prehistorische verleden niet goed zonder een gedeeld Verhaal waar we het allemaal voor doen, dat samenleven. Ons samenleven raakte  aan ideologische leegte ten prooi. De jongeren begonnen, toen ze NIX meer meekregen, steeds nihilistischer gedrag te vertonen:  Provo, Punk, hooliganisme, zinloos geweld.

Ook de lui die bij het ‘grote geld’ kunnen, hadden niet langer het gevoel iets met de samenleving te maken te hebben en gingen steeds brutaler voor hun eigenbelang; voerden ons van de ene crisis in de andere door hun gokken met gemeenschapsgeld.

Jongeren hebben een Verhaal nodig onder hun denkvoeten om er hun identiteit mee vorm te geven. Dus ze keken verwachtingsvol naar de filosofen. Maar die waren postmodern geworden, en achtten zich slechts gerechtigd om vragen te stellen. Nee, niet om antwoorden te genereren. Een enkeling schreef: “Wees blij dat het leven geen zin heeft”.  Ze juichten het verdwijnen van de Grote Verhalen terecht toe maar hadden geen benul van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid.

Mensen hebben een Verhaal nodig ter ondersteuning van hun geweten; een stemmetje in je binnenste dat antwoord geeft als je je afvraagt of je iets wél dan wel niét zult doen. Sinds we Verhaalloos werden, had dat stemmetje NIX meer om op terug te vallen, en raakten we in een moreel vacuüm.

Intussen waren disciplinewetenschappen als antropologie, archeologie, paleoantropologie en primatologie door de economische opbloei sinds zeventiger jaren echte informatie gaan spuien over onze prehistorische bakermat en vroegste mensvormen. Daar gebeurde echter heel weinig mee, het bleef allemaal hangen binnen die disciplines. Wanneer de filosofen iets over ‘de mens’ moesten zeggen, bleven ze daarbij terugvallen op de denkwereld van eeuwenoude filosofen; zich niet realiserend dat  die al lang dode filosofen nog geen wetenschappen tot hun beschikking hadden gehad, en dat hun inzichten natte-vinger-werk is geweest.

Met het door de genoemde disciplinewetenschappen aangedragen bouwmateriaal valt,  voor wie er mee aan het bouwen wil slaan, een heel coherent ontstaansverhaal te reconstrueren. Voor mij begon het als een hobby en ik kwam er, vooral in de zeventiger jaren, al een heel eind mee.

In de jaren negentig, toen de kerken overduidelijk aan het leeglopen waren en veel publieke intellectuelen zorgen over de verloedering van de samenleving begonnen te uiten, ben ik mijn rompverhaal gaan toetsen. Ik bezocht ook de Universiteit van de Humanistiek: daar moesten ze, nu het doel leeg raakte en zij de bal voor het inkoppen kregen, toch zeker wel druk doende zijn met een humanistisch Scheppingsverhaal; misschien zou ik er een bijdrage aan mogen leveren … maar nee, de rector verzekerde mij dat ze zich beperkten tot het stellen van vragen.

Dus ook daar postmodernisme wat de klok sloeg! Vanaf toen  noemde ik mezelf humanosoof, en werkte voortaan fulltime aan het Verhaal zoals ik het dankzij het afmattende en volhardende veldwerk van de paleo’s – mijn echte helden – vorm heb kunnen geven.  Ik

 

  1. Ons Verhaal

110615_1227_Humanistisc8.jpg

Dat verhaal begint 7 miljoen jaar geleden (mjg)  in Afrika, waar ten gevolge van een al langer optredend koeler en droger worden van het Miocene klimaat de regenwoudgordel zich aan het terugtrekken was richting evenaar. Onze vroegste voorouders, van oorsprong bonobo-achtige mensapen maar levend in de noord-oostelijke regio waar nu Ethiopië ligt, raakten geleidelijk hun regenwoud kwijt en pasten zich aan, zoals meer mensapensoorten aldaar, aan  een langzaam savanne-achtiger wordende leefomgeving. Hun voorouderlijke vruchtbomen verdwenen, hun dagelijkse voedselscharrelroutes gingen steeds vaker over open grasgebieden. Daar was ook van alles eetbaars te vinden maar je moest wel weten wat, waar en wanneer – want deze omgeving kende ook veel sterker seizoens-afwisseling. En vooral: ze was een stuk gevaarlijker. Niet vanwege de grote grazers (olifantachtigen, zebra’s, giraffen, antilopen, rhino’s, etc.) maar vanwege hun roofdieren zoals grote katten en reuzenhyena’s. Die waren tuk op die scharrelende mensapen.

Jammer genoeg voor die monsters kenden de nieuwelingen een kunstje om hen op afstand te houden: ze gooiden met stenen. Die droegen ze bij zich in zakken van gevonden en schoon geschraapte dierenvellen. En … ze liepen op hun achterpoten; want om alles mee te kunnen dragen hadden ze hun handen nodig. Onze voorouder-aapmensen.

Omdat niet alleen bonobo-achtigen maar ook gorilla-achtigen met de omgevingsverandering te maken hadden gekregen en er zich eveneens aan aan hadden weten te passen, en hun fossiele resten geen labeltjes hebben, is het voor de paleo’s (ja, zo duid ik alle disciplinewetenschappers die van belang zijn voor ons Verhaal, aan) moeilijk gissen welke we tot onze voorouder-aapmensen kunnen rekenen.

De paleo’s noemen hen in deze fase hominiden, of australopitheci. Ik duid ze hier gemakshalve aan als aapmensen, of AP’s.

De verandering van hun voorouderlijke regenwoud-omgeving in een savanne-achtige was zo geleidelijk gegaan, dat ze daar nooit erg in hebben gehad. En ook niet in hun aanpassingen daar aan, die vooral het rechtop lopen steeds noodzakelijker had gemaakt. Met name lichamelijke aanpassingen zoals een smaller bekken, een middenrif om de ingewanden op hun plek te houden, klepjes in de aderen omdat door het rechtop lopen het bloed hoger moest worden opgepompt , langere benen en kortere armen, noem maar op. De natuurlijke selectie deed zijn werk.

Gooien konden ze al als mensapen, maar de gevaarlijkere  savanne-omgeving maakte een zich permanent bewapenen met een voorraad stenen tot een vereiste. Dus een taakverdeling: vrouwen en kinderen verzamelden alles wat eetbaar was en de volwassen mannen zorgden voor de veiligheid. Aangekomen in het overnachtingsbos werd het verzamelde eten gedeeld en tegen het invallen van de schemer maakte ieder haar/zijn overnachtingsnest hoog in de boomkruinen.

De meeste paleo’s schatten de AP’s in als een soort rechtop lopende chimpansees. Want chimpansees zijn gewelddadig en dat zijn wij ook, gelet op ons oorlogsverleden. Simpel zat. Maar toch hebben deze paleo’s  het mis. Want wat blijkt? De van de AP’s gevonden fossiele gebitten vertonen niet de grote mensapen-hoektanden  die voor chimpansees de belangrijkste wapens zijn bij hun vechtpartijen. Ook de oestrus (loopsheid, bij chimps de belangrijkste aanleiding tot vechtpartijen) is bij ons onmerkbaar geworden. Dat duidt allemaal op een verregaande harmonie bij de aapmensen, zowel binnen de groep als tussen de groepen. En nogal begrijpelijk ook. De hachelijke overleving maakte hommeles riskant voor die oermensen. Harmonisch samenwerkende groepen deden het beter dan hommeles-groepen. Hun evolutie selecteerde op harmonie en dus op het uitbannen van oestrusgevechten.

Nu wordt het voor de cultuurpessimistische lezer een al te ‘edele wilden’-verhaal. Want oorlog en geweld kenmerkt toch het mens-zijn vooral? Ik zeg: ja, het mens-zijn van de laatste 5000 jaar. Maar ons prehistorisch verleden beslaat minstens 2 miljoen jaar. En het is die lange-lange voorfase die onze natuur heeft gevormd. De laatste 5000 jaar heeft onze  ‘edele wilden’-natuur alleen gefrustreerd, niet veranderd. Kom, ik geef een schema van hoe onze menselijke natuur in elkaar zit. Het is een evolutionaire ‘drietrapsraket’.

  • Modus 1: als vormen van leven op Aarde zijn we van oorsprong meercellige bacteriën, geneigd tot het graaien van zoveel mogelijk energie uit onze omgeving, ter instandhouding én voortplanting van ons eigen organisme. Dat is de ikke-ikke-natuur in ieder van ons. Die maakt zich van ons meester in (al dan niet vermeende) panieksituaties: dan is het ‘redden wie zich redden kan’, desnoods over lijken.
  • Modus-2: we zijn echter geen bacteriën meer, we behoren tot de groepsdieren. Een groepsdier houdt de neiging om zoveel mogelijk energie te onttrekken aan zijn omgeving ter instandhouding en voortplanting van het eigen organisme, maar kan dit beter door deel uit te maken van een groep dan dat het dat in haar/zijn eentje moet doen. Dat houdt echter in dat zij/jij een deel van haar/zijn ikke-ikke-neiging moet onderdrukken om haar/zijn groep zo sterk mogelijk te laten zijn in concurrentie met naburige groepen van dezelfde soort. De samenwerking houdt in: je kunnen verplaatsen in de ander, medeleven, elkaar helpen, enfin, alles wat Frans de Waal in zijn Van nature goed  ( 1996) heeft geschetst bij de chimpansees.
  • Modus-3: wij stammen af van de VOAP’s, bij wier groepjes op de Pleistocene savanne het harmonische met elkaar omgaan als het meest leefbare is uitgeselecteerd. De talige communicatie heeft dit proces enorm versterkt. Als VJ’s (zie het tijdlijntje) waren onze voorouders ‘edele wilden’, en die lange-lange tijd is het ‘Aards paradijs’ waar we gevoelsmatig nog steeds naar terug verlangen, of we moeten al heel erg psychopathisch verknipt zijn.

Alle drie de stadia zijn nog van kracht in ieder van ons, en het hangt van de situatie af welke van de drie ‘sterker is dan ik’. Van modus-2 hebben we onze vreemdelingen-afkeer. En heel opvallend:  het ‘grote geld’ of macht doet ons terugvallen in onze primitieve modus-1.

We waren gebleven bij de AP’s. De vooroudersoort die wij delen met zowel bonobo’s als chimpansees  moet er volgens Frans de Waal  uitgezien hebben als op  twee benen  lopende bonobo’s. Onze voorouder-AP’s zijn volgens de genen-onderzoekers al 6 á 7 mjg afgesplitst. De chimpansees pas  2,5 mjg. Die zijn machistisch en gewelddadig geworden door de overlevingsgevechten ten gevolge van de inkrimpingen van hun leefgebieden door de ijstijden die 2,5 mjg begonnen. Gedurende de tussenperioden van opwarming breidden hun groepen zich weer uit, om bij de volgende ijstijd opnieuw in te krimpen, met opnieuw de nodige overlevingsgevechten. En oorlog maakt mannen belangrijk, dat is algemeen bekend.

Het leefgebied van de huidige bonobo’s daarentegen bleef gedurende die ijstijden onveranderd, dus zij ook. Vandaar dat de bonobo’s de eigenschappen van onze gemeenschappelijke vooroudersoort het best hebben bewaard.

110615_1227_Humanistisc12.jpg

Onze voorouder-AP’s – laat ik ze hier verder VOAP’s noemen – zijn, evenals de overige AP-populaties,  6 mjg afgetakt en tweebenige hominiden geworden, zoals ik al zei;  maar de genen-onderzoekers nemen toch tot omstreeks 4,5 mjg nog vermenging waar in de genomen.

Vanaf dan niet meer. Waarom niet? Ik laat dus ons VOAP-Verhaal pas echt 4,5 mjg beginnen. Want  als AP’s waren onze voorouders nog dieren. Nou ja … ze waren al wel hominiden, compleet met de sociale eigenschappen als erfenis van hun mensapen-voorouders. Maar verder gewoon onderdeel van de dierenwereld van het Pliocene Afrika.

Wát laat ik 4,5 mjg dan precies beginnen bij onze VOAP’s? Hun  talig worden.

Natuurlijk communiceerden ze al lang. Ze waren groepsdieren, en je kunt alleen groepsdier zijn met je soorteigen manier van communiceren. Maar taligheid is communiceren met namen voor de dingen. Dat nu kennen alleen mensen.

O ja?  ik hoor u protesteren,  want u leest ook de wetenschapsbijlagen en u denkt misschien aan de groene meerkatten met hun drie verschillende waarschuwingskreten ‘luipaard!!, ‘slang!! en ‘roofvogel!! Chimpansees hebben zelfs een aparte voedselkreet voor ‘vlees!!, een andere dan die voor ‘fruit!!. Maar … dieren uiten die kreten als reactie op dingen. Een chimp kan niet met zijn vlees-kreet  aan zijn verzorger te kennen geven dat hij zin heeft in een biefstukje: hij kan die niet bewust produceren.

Alleen wij hebben namen voor de dingen, en hoe dat begon, daar schets ik in mijn teksten een scenariootje van maar dat voert hier te ver. Het begon als een imitatiespelletje met de handen van iets wat je in gedachte hebt; maar omdat het wel handig was – zo kon je het met een ander hebben over iets wat niet ter plekke was, iets op een verre plek of zelfs in een ander seizoen –  bleef het er in en breidde het zich uit, generatie na generatie. De VOAP’s werden er op den duur heel andere dieren door, dieren zoals het leven op Aarde nog nooit had gekend. Want het beschikken over namen voor de dingen doét iets met een dier. Het doet zes dingen:

  1. Het schept een gevoel van afstand tussen de benoemer en het benoemde ding; zeg maar tussen subject en object; naarmate hun hele omgeving kwam te bestaan uit benoemde dingen, kwamen ze er afstandelijk tegenover te staan; onze VOAP’s konden hun omgeving ‘objectiveren’. Onze VOAP’s raakten mentaal los van hun omgeving, terwijl de overige dieren er willoos onderdeel van bleven uitmaken.
  2. Een naam (woord, symbool) is een soort handvatje aan het denkbeeld van het ding waarmee je het kunt ‘grijpen’ en overreiken aan de ander die het ‘vatten’ kan. Onze VOAP’s gingen het pad op van het be-grijpen van de dingen. We bevinden ons nog steeds op dat pad, van het steeds beter ‘begrijpen’ van de dingen.
  3. Iets een naam geven geeft ook een gevoel van macht over het benoemde; bij ‘wilde stammen’ mag je een volwassene nooit bij zijn naam noemen, dat is de aantasting van diens integriteit; de Joden noemen hun God ook niet bij zijn naam.
  4. Het stelde onze VOAP’s in staat om kennis, opgedaan in de ene generatie, over te dragen op de volgenden. Kennis kon zich bij ons gaan opstapelen.
  5. Het stelde onze VOAP’s in staat om individuele intelligenties op één hoop te gooien, om te brainstormen; twee weten meer dan één, en met een hele groep kun je grote problemen aan; dat is de kracht van democratie, waar despotieën het uiteindelijk tegen afleggen.
  6. Onze VOAP’s konden hierdoor plannen beramen. Vooral toen ze dankzij ad-2 ‘grip’ gekregen hadden op het vuur terwijl andere dieren daar in paniek voor op de loop bleven gaan, werden onze VOAP’s de hooligans van de Pleistocene savanne.

Steeds meer namen voor steeds meer dingen,  dat wordt een chaos in die apenkoppen, als ze daar geen systeem in weten te brengen. Dat systeem levert het verhaal: over hoe de dingen begonnen en zich ontwikkelden, inclusief onszelf, tot zoals ze nu zijn. Het Scheppingsverhaal dus.

In mijn teksten maak ik aannemelijk dat onze VOAP’s in een woordenwereld waren komen te leven – leven we nog steeds in – die voor hen nog maar primitief en hachelijk was en dus voortdurende bevestiging vereiste. Nadat hun gaan gebruiken van het vuur hen in staat stelde hun nachten door te brengen op de grond, brachten ze die extra uren welke aan hun dagen werden toegevoegd, door met    gedanst/gezongen performances waarin ze spannende voorvallen verwerkten,  rond het kampvuur dat de roofdieren uit de buurt hield. Daardoor ontwikkelde hun proto-gebarentaal zich versneld tot echte gebarentaal. Vergezeld van de nodige stemgeluiden natuurlijk, ze waren geen doofstommen.

De meeste taalkundigen gaan, voor zover ze zich al wagen aan een speculatie over de oorsprong van ons taalvermogen, uit van het steeds verfijnder worden van de mensapenlijke ‘kretologie’. Maar zoals ik al zei: dieren hebben geen neurologische controle over hun stemgeluid. Taalexperimenten met het laten opgroeien van chimpansee-baby’s in een mensengezin leverden geen resultaat op. Wel dergelijke experimenten met ASL (Amerikaanse gebarentaal).

Pas onze recente mensvariant, de Anatomisch Moderne mens (AMM), is van de Vroege mensen gaan afwijken doordat de vrouwen (die hebben altijd de handen vol met van alles en willen toch kwebbelen) steeds meer op enkel hun stem terugvielen en dus gingen ‘praten’. Maar het is een vergissing om te menen dat ze daardoor pas mensen werden: dat waren ze al vanaf het begin, of zeker na hun gaan gebruiken ven het vuur. Namen voor de dingen, taalkundigen, die hebben ons van aapmensen tot mensen doen worden.

Het Scheppingsverhaal kreeg pas echt vorm nadat ze als Vroege Mensen (paleo’s onderscheiden H. erectus, H. heidelbergensis, H. neanderthalensis) zich met hun vuur buiten de tropen en over Eurazië hadden verbreid. Op zich ging dat uiterst traag. Wanneer een groep te groot geworden was – bijvoorbeeld doordat een andere groep door een ramp te klein geworden was en zich bij een succesvollere groep had aangesloten –  dan besloot een groepje jonge vrouwen, kinderen en mannen een nieuw gebied in gebruik te gaan nemen. Niet al te ver weg, zo’n dagreis of tien, want de groepen bleven elkaar nodig hebben, al was het maar voor de uitwisseling van partners.

In het nieuwe gebied waren deze mensen de eersten die er de dingen hun namen gaven. Voor mensen bestaan dingen pas als en in zoverre ze er een naam voor hebben. We leven in een woordenwereld, een wereld van benoemde dingen. Voor hun nakomelingen was dat groepje eerste kolonisten De Grote Voorouder, wiens scheppende daden ze elke avond dansten/zongen rond het kampvuur. Dat was nooit een man, en ook geen vrouw. Klopt, het was een groep, tot één Scheppende Figuur samengetrokken (zoals wij het over ‘de mens’ hebben,  of ‘de Amerikaan’ of ‘de Rus’). Let op, Yvonne en Sander, hier wordt jullie diepste neiging tot het je richten tot IETS geboren, want zo lang gaat het religieus beleven van onze woordenwereld al met ons mens-zijn mee.   

Anders dan de paleo’s menen, zijn bij onze vroege voorouders de vrouwen altijd leidend geweest, en de mannen brave volgers. Zelfs toen ze nog gewone AP’s waren, waren het de vrouwen die de stenen stuksloegen om met de scherpe scherven vellen schoon te schrapen en in gewenste vorm te snijden. Zij waren het immers die het voedsel bereidden. Werktuiggebruik, het uitbreiden van de communicatie met namen voor de dingen, het gaan gebruiken van het vuur, het bouwen van de hutten en op het laatste het gaan communiceren met vooral de stem (tot en met als Vroege Mensen communiceerden ze voornamelijk met gebaren) en tot slot landbouw en veeteelt: allemaal vrouwen-uitvindingen. Ook bij het dansen/zingen van het Scheppingsverhaal waren de vrouwen leidend. En nog steeds zijn vrouwen religieuzer dan mannen, zoals ook het voorfrontplaatje van De Groene van 12 november suggereert.

Ja, dat levert een heel ander plaatje op dan wat de paleo’s laten zien als ze de menselijke evolutie schetsen. Het gebruikelijke human origins-plaatje, dat een optochtje van steeds rechtop-er lopende mannen laat zien, hoort dus een optochtje van vrouwen te zijn, waar tenslotte ineens een man voorop is gaan lopen.

110615_1227_Humanistisc13.jpg

VJ staat voor Verzamelaars/jagers. AGR staat voor voedseltelers.

Dus nu even over de machtsgreep van de mannen. Zo’n 30.000 jaar geleden waren de Anatomisch Moderne Mensen (AMM’s, veel auteurs hanteren nog steeds de achterlijke Linnaeus-benaming Homo sapiens)  zo succesvol geworden dat ze nagenoeg geen natuurlijke vijanden meer hadden en waren gaan ‘fokken als konijnen’. Ze verdrongen de Vroege Mensen (zoals de Neanderthalers nog waren), gingen de hele Aarde tot in alle uithoeken bevolken.  Op steeds meer plekken geraakten ze in overpopulatie-toestand. Net als een paar miljoen jaar eerder de chimpansees overkwam ten gevolge van de ijstijden: teveel groepen in een steeds beperkter leefgebied. Dan wordt het vechten voor de overleving. En oorlog maakt mannen belangrijk.

Nu gingen de mannen zich belangrijker achten voor de overleving dan de vrouwen vanouds geweest waren. En ze gingen zich meester maken van de religie.

Toen na de laatste ijstijd de vrouwen op steeds meer plekken hun voedsel gingen telen en dit geleidelijk de hoofdbron van voedsel werd, stegen de vrouwen opnieuw  in aanzien, omdat hun vrouwenrituelen van overlevingsbelang werden. Voor even. Want weldra werd overvallen plegen op weerloze boerendorpen te verleidelijk voor krijgsheren, die evolueerden tot koningen en hun trawanten tot adel. Met alle dieptepunten in ons zo aardige menselijke gedrag die onze beschavingsgeschiedenis 5000 jaar lang zou kenmerken.

Twee miljoen jaar  van het beleven van onze woordenwereld binnen het gedanst/gezongen Scheppingsverhaal ervan,  dat is als een overerfelijke neiging  – als één van de vele primitieve neigingen – in ons systeem gaan zitten. Dat is het religieuze gevoel dat ons danspasjes laat maken als we een ruimte met leuke muziek betreden, dat ons wil laten zingen als we hem om hebben, dat onze voetbalstadions doet galmen van ‘hymnen’, dat ons tot tranen toe ontroert bij de Mattheus Passion of zo, en dat een moeder met haar baby in haar armen zachtjes zingend laat rond deinen en dat de baby dan laat lachen omdat het dit bekend voor komt. Het  geeft ons in dat er IETS ontbreekt ook als we (door de vrije markt economie) ons niet langer aangesproken voelen door een collectivistische en patriarchale  Ene Ware God van een monotheïstische ideologie.  En hiermee is de worsteling van Yvonne Zonderop en Stephan Sanders bevredigend verklaard, meen ik.

 

  1. Wat kunnen we er mee.

Vanuit ons echte Ontstaansverhaal. Eigenlijk had dat dus filosofenwerk moeten zijn. Nee, niet van discipline-wetenschappers, die brengen daar weinig van terecht. Ze proberen het wel; omdat de filosofen op hun handen blijven zitten.  Maar hebt u er al gevolg voor ons samenleven van mogen merken? Ach, die moeten vooral hun werk blijven doen waar ze met hun opleiding echt goed in zijn, en bouwstenen blijven aandragen.

Ons echte Ontstaansverhaal  is zo vele malen interessanter en bemoedigender dan waar we het als godgelovigen mee moeten doen. We kunnen het zo maken – een leek-filosoof als ik kan het al. Maar nu begint Hans Boutellier te sputteren, de auteur die na Yvonne en Stephan aan het woord komt in De Groene.

Hans heeft van de postmoderne academische filosofen geleerd dat  de collectivistische oude Grote Verhalen ons ten verderve hebben gevoerd. Klopt. En dat we derhalve totaalverhalen moeten schuwen als de pest. Dat klopt niet. Dictators wenden een Groot Verhaal aan om hun massa’s in een collectivistisch gareel te dwingen. Beetje dom om die ellende aan het fenomeen Groot Verhaal op te hangen. Het is de moordenaar, niet zijn wapen, dat voor de rechter gesleept dient te worden.

Columnist Bas Heijne  die  herhaaldelijk een lans breekt voor een nieuw Groot Verhaal ter opvulling van de leegte, krijgt van Hans  kritiek, waarmee hij er blijk van geeft  dat ook een belangrijk politicoloog niets af weet van onze menswording, noch van onze taligheid en onze inherente behoefte aan een in onze samenleving heersend Verhaal om grip te houden op onze woordenwereld.

En blijkbaar heeft hij evenmin een goed beeld van wat een nieuwe heersende economie, zoals de vrije markt economie, met het denken van de mensen doet. “De secularisering is mondiaal en historisch gezien een vrij unieke situatie. … In de jaren zestig heeft de massale secularisatie zich vrij plotseling voltrokken.  … Ik probeer een halve eeuw later de balans op te maken.”

[Mijn eerste tekst heette “Een nieuwe situatie. Dus een nieuw wereldbeeld” (manuscript 1995), maar die legde al nadruk op het fenomeen ‘markt’ in onze recentere culturele evolutie.]

Hij ziet wel dat onze jongeren opgroeien met NIX, en vaak nihilistisch gedrag tentoonspreiden. Misschien ziet hij zelfs verband tussen de onmaatschappelijkheid van de lui die bij het ‘grote geld’ kunnen en het ontbreken van een gevoel van gemeenschappelijkheid bij hen.

Dus ook voor Boutellier kan mijn schets, hoe onuitgewerkt hier ook, iets zijn om benieuwd naar te worden. Maar hij zal de verleiding onmiddellijk van zich af werpen omdat hij meent dat zo’n op wetenschap berustend Ontstaansverhaal dan dwingend zou moeten worden opgelegd aan iedereen.

Maar beste Boutellier, dat kán bij vrije markt-consumenten toch helemaal niet meer? Die roepen: steek het maar mooi in je reet, ik maak het zelf wel uit! En zo hoort dat ook.

Consumenten staan echter open voor iets wat op de markt komt. En dat is precies hoe ik me dat voorstel: het moet een project  worden. Een project waar de hele in wetenschap geïnteresseerde mensheid aan mee kan doen.  Een Wikipedia-achtig project. Ik droom zelfs van een UNESCO-project. Waarom?

Als mensheid hebben we al een universeel document tot stand weten te brengen: de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Die is ergens op gebaseerd. Nee, niet op God. In 1948 hebben de samenstellers besloten dat de Verklaring gebaseerd moest worden op wat alle mensen ter wereld delen: hun mens-zijn. De formule die toen, in die nog diep-religieuze wereld,  de meerderheid van stemmen heeft gehaald, was uiterst iel: “de inherente waardigheid van de mens”. Er moest een filosoof aan te pas komen om deze formulering voor ons uit te leggen: Bernard Delfgaauw. In De mens en zijn rechten (1993) schrijft hij “De menselijke waardigheid ligt in de menselijkheid en is derhalve inherent, zoals de Verklaring zegt, aan het mens-zijn als zodanig.” (p.41)

In 1948. Toen moest de vrije markt economie nog doorbreken. Toen moest onze westerse welvaart nog komen, en onze relevante disciplinewetenschappen nog aan hun opbloei beginnen. Dat mens-zijn was toen nog totaal niet in kaart te brengen. Maar anno 2015 kan dat al lang en breed. Dat had al minstens vanaf de jaren 90 door de filosofen ter hand genomen moeten zijn, toen de leegloop van de kerken al voor iedereen zichtbaar geworden was en de maatschappelijke verloedering al lang tot verontrusting aan het leiden was.

Hoog, hoog, hoog tijd dat we dat nu eindelijk gaan doen. De redenen vliegen ons vandaag van alle kanten als herfstbladeren om de oren.  NRC (Opinie en Debat) 21 nov.’15  was er vol van. In Trouw 17 nov. schreef de Franse publieke intellectueel Philippe Bilger: “Ik weet zeker dat we een alternatief moeten hebben voor een geloof (dat van de jihadisten] dat de dood aanprijst). … We hebben iets nodig dat steviger is [dan de oorlogstaal van Hollande en andere presidenten, taal die IS met tevredenheid aanhoort], waar we ook in vredestijd iets aan hebben. … Wij hebben geen waarden meer waar we ons voor kunnen inzetten … tegenover een vijand die één is rond een ideologisch project gebaseerd op haat. Wat we nodig hebben is een onwrikbaar geloof in het goede, een geloof dat veel aantrekkelijker is dan hun nihilisme.”

 

Het idee voor het project dat mij voor ogen zweeft, vindt u in ettelijke van mijn teksten.

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*