Waarom ik mij humanosoof noem

Ik heb me met deze lachwekkende naam getooid omdat de noemer ‘filosoof’ te makkelijk een academische filosoof veronderstelt. Van de academische filosofie nu heb ik een lage dunk – met alle respect overigens voor individuele filosofen als Ger Groot en René Gude.

In mijn studententijd ervoer ik dat ik niets opstak van de colleges filosofie en tot op de dag van vandaag wordt die indruk bevestigd. Wat ik wilde leren namelijk was: alles te weten komen over de mens: over hoe ikzelf in elkaar zit, hoe mijn medemensen in elkaar zitten, en hoe de maatschappij in elkaar zit. De aartsvader van de moderne filosofie, die van de Verlichting, Emanuel Kant, heeft vlak voor zijn overlijden nog eens samengevat waar de filosofie zich mee bezig dient te houden: Wat kan ik weten? Wat moet ik doen? Wat mag ik hopen? (en wat hij het belangrijkste vond): Wat is de mens?

Kant zelf had hiervoor nog geen relevante wetenschappen tot zijn beschikking. Die zijn namelijk pas na de zestiger jaren goed op stoom gekomen. De echte kennis daarover komt uit de antropologie, de paleo-antropologie, de archeologie, de ethologie, de psychologie. Allemaal vakdisciplines waarvan de oude filosofen nog niets van hadden meegekregen. Toch blijven de academische filosofen vandaag nog steeds zich op hen beroepen en leggen geen merkbare interesse aan de dag voor genoemde vakdisciplines.

Ik spel het Filosofie Magazine nog steeds uit en volg het aanbod van de Internationale School voor Wijsbegeerte op de voet, maar alleen om te zien of daar inmiddels enige verandering in interesse valt te bespeuren, niet in de hoop er iets van te kunnen leren.

Want het blijft allemaal dezelfde oude koek die wordt opgediend. Over welk onderwerp het ook gaat, de academische filosofen blijven zich baseren op wat de oude filosofen erover hebben geschreven, niet op wat voornoemde hedendaagse onderzoeksvelden daaromtrent te verhelderen hebben. Dat hebben ze in hun opleiding niet gehad dus dat hoeven ze niet te kennen.

Dus ik noem mezelf geen filosoof. Ook al zou ik dat ongestraft kunnen doen: filosofie is geen beschermd beroep tenslotte.

Vanaf het moment dat ik voor mezelf het besluit had genomen om, ter verklaring van het bestaan van de dingen en de mensen, het zonder de God-hypothese te doen, heb ik voor mezelf willen weten hoe mensen van apen tot mensen zijn geworden.

In de jaren zeventig had ik, mede dankzij het verschijnen van de voortreffelijke serie van Time/Life “Het Ontstaan der Mensheid”, in 17 afleveringen, er een coherent beeld van.

Daar heb ik, in de turbulentie van het leven van de twintig erop volgende jaren, niets mee gedaan, behalve dan beschikken over een vaste grond onder mijn denkvoeten.

Begin jaren negentig kwam ik tot het besef dat het niet goed ging met onze samenleving.

De kerken waren zichtbaar aan het leeglopen. De kranten meldden herhaaldelijk schokkende gebeurtenissen met zinloos geweld. Diepe indruk ook maakte op mij het rechtbankverslag van een veroordeling van een jongeman die bij studentes was binnengedrongen en ze had verkracht; de rechter had gevraagd: “Waarom doet u dat toch?”, en zijn antwoord was geweest: “Waarom niet?” Er was niets in zijn ideologie dat hem hierbij in de weg stond.

“Een samenleving kan niet functioneren, als de bodem ontbreekt aan het gevoel dat je je aan regels moet houden”, riep in 1991 een wanhopige burgemeester van Tiel na een geweldsmisdrijf.

In 1994 schreef Bolkestein: “Elke samenleving heeft behoefte aan een bezielend verband”; maar Bolkestein wist niets beters te bedenken dan het verdampende Christendom nieuw leven in te blazen. Maar dat is trekken aan een dood paard: het Christendom was niet voor niks aan het verdampen. Onze heersende economie, de vrije markt, kan er niets meer mee. Die economie globaliseert en zal op termijn ook de moskeeën en de tempels laten leeglopen. De vrije markt economie kan hooguit wat met een universeel mensenverhaal.

Kortom, begin jaren ’90 begon ik te denken aan de invulling die ikzelf paraat had, en begon ik te studeren en te schrijven.

Studie maakt duidelijk dat onze voorouders vanaf de vroegste tijden over een scheppingsverhaal beschikt hebben waar hun bestaan als talige wezens om draaide en dat hun leven zin en betekenis gaf. De laatste duizenden jaren zijn het de kerken geweest die dat verhaal hebben mogen aanleveren. Vanaf de zeventiger jaren zijn de kerken hun zingevende invloed gaan verliezen en zijn de mensen verwachtingsvol naar de filosofen gaan kijken. Maar de filosoof Jaap van Heerden liet in 1990 in zijn boekje “Wees blij dat het leven geen zin heeft”, namens zijn collega’s weten dat van de filosofie qua nieuw Verhaal niets te verwachten viel. In 1979 had de Franse filosoof Lyotard in zijn La Condition Postmoderne het verdwijnen van de Grote Verhalen luid en duidelijk toegejuicht en verzekerd dat de daardoor onstane leegte vanzelf met kleine verhalen opgevuld zou worden. Ieder zijn eigen verhaal, dat was zijn invulling.

Maar … wie kan dat? En vanwaar dan die groeiende behoefte aan zingeving?

Ikzelf maakte zeker mijn zingevende verhaal, maar ik was dan ook een portrettekenaar met veel eigen tijd en een filosofische inslag. Maar de massa van de mensen hebben hun handen vol met brood op de plank te brengen en die hebben die luxe niet. De enigen die hun eigen verhaal maken, toegesneden op hun eigenbelang, zijn de mensen die bij het ‘grote geld’ kunnen.

Dus ik noem mij geen filosoof. Maar waarom ook geen humanist?

Begin jaren ’90 bedacht ik eerst dat ik in het Humanistische Verbond ongetwijfeld mensen zou vinden die zich met het alternatieve verhaal ter invulling van de ideologische leegte zouden bezig houden. Het Christendom was uitgewerkt, de tijd van het humanisme was nu gekomen. Dacht ik.

Dus ik maakte een afspraak met de rector van de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht.

Douwe van Houten was dat toen. Op een koude dinsdagmorgen, 22 april 1993. Ik was al vroeg gearriveerd, het was er behoorlijk koud op de gang. Er kwamen een paar druk pratende dames voorbij. Wat hoorde ik daar? Puur New Age gebabbel! Hier? In de Universiteit voor Humanistiek? Dat zal toch niet waar wezen?

Van Houten hielp mij al snel uit de droom. Inderdaad, zij hielden zich daar niet bezig met het maken van een nieuw, op wetenschap gebaseerd, scheppingsverhaal Ze hielden zich alleen bezig met het stellen van vragen!

Aarch! Dus ook daar heerste de postmoderne filosofie!

Ik had last van hooikoorts, Van Houten had last van zijn rug, we hadden het snel bekeken met elkaar. Ik kreeg het boek van Van Praag mee. Nadat ik dat gelezen had (puur academisch-filosofisch) wist ik dat ook van het humanisme niets te verwachten viel.

Ik moest het alleen zien te doen. Ik begon met het toetsen van mijn theorie over het ontstaan der mensheid zoals ik dat voor mezelf gevormd had, met name het ontstaan van onze taligheid, dus van datgene wat ons mentaal uit de dierenwereld heeft doen migreren. Eerst eens kijken wat echte wetenschappers daarover te melden hebben.

Materiaal genoeg, zou u kunnen denken. Maar dat viel behoorlijk tegen. Er wordt alleen veel materiaal aangedragen over het biologische verhaal, aan de hand van fossielenvondsten waarmee een opeenvolging van aapmenssoorten te geven valt: van ardipithecus en Australopithecus naar Homo habilis en Homo erectus, naar Neanderthalers en Anatomisch Moderne Mensen zoals wij vandaag zijn.

Maar geen coherent verhaal waardoor deze levensvormen zo apart geworden zijn in de dierenwereld. Waardoor zij er toe gekomen zijn om het vuur zijn gaan gebruiken waar alle andere dieren voor op de loop blijven gaan. Waardoor zij knappe stenen werktuigen als messen en schrapers zijn gaan maken als enige van alle diersoorten, inclusief de mensapen. Nergens het verhaal van hoe wij talige wezens zijn geworden en wat taligheid met een dier doet.

Ook niet bij taalkundigen. Taalkundigen lijken allen maar een nog erger soort academische filosofen. Niets weten ze over antropologie of ethologie. Ze weten alleen iets over taalkunde. Nou, daar kun je dus geen verhaal van maken.

De bewustzijnswetenschappers dan misschien, zoals de befaamde Daniel Dennett? Die had het boek geschreven Het bewustzijn verklaard (1991). Maar die bleek ons bewustzijn te zoeken in onze hersenen, die voor hem alleen een bijzonder verfijnd soort computers zijn. Nou, kun je lang zoeken. Hij wist het dus niet te verklaren. Ik wel: we hebben een talig bewustzijn, we leven in een woordenwereld, een wereld van benoemde dingen. Dat is een andere, een virtuelere, wereld dan de wereld van de echte dingen, dan van de natuurwaar we nog steeds deel van uitmaken.

Kortom, ook in de wetenschappelijke wereld vond ik geen coherent verhaal over hoe wij van apen tot mensen geworden zijn, hoe we talige wezens geworden zijn, hoe we religieuze dieren geworden zijn, hoe we er toe kwamen om het vuur te gaan gebruiken, noem maar op. Met nadruk ook op de vraag: waardoor onze voorouders wél en die van alle andere soorten niet. Wat is er met onze voorouders gebeurd dat zij zich uit de dierenwereld zijn gaan verwijderen, mentaal dan.

Ik ben dus vanaf het begin ook gaan schrijven, de ene tekst na de andere. En ook veel over godsdienstgeschiedenis en religie. Ik ben ook een boek in het Engels begonnen. In mijn Engels dus, steenkolen-Engels, heel vreselijk. Gelukkig heb ik een vriend gevonden die mijn project zinvol vindt en die van mijn Engelse boek een echt boek maakt in echt Engels. Dus het komt er nog wel een keer van.

Ik koop elk nieuw boek op dit gebied en lees alles wat me onder ogen komt, ook op het internet. Maar ik ben nog steeds de enige die een coherent Verhaal kan vertellen als alternatief voor het monotheïstische Adam-en-Evaverhaal. Ik ben mij daarom humanosoof gaan noemen, en ik heb zelfs een humanosofenhoed laten maken toen een kennisje het hoedenmaken ging beoefenen als bijverdienste. Maar dit is pas de tweede keer dat ik hem op zet, voor deze unieke gelegenheid dat ik als humanosoof uit de kast kom. Maar ik ga er niet mee voor gek lopen, kom nou.

 

Frans Couwenbergh, humanosoof

Hezelstraat 4, 6576 JM Ooij

06 2097 8214

www.mens2000.nl

www.humanosofie.nl

www.humanosophy.org

PS Ik eindig met academisch filosofe Joke Hermsen: “Zonder hoop, enthousiasme of inspiratie verandert er niets”.

One thought on “Waarom ik mij humanosoof noem

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*