13 E. BEGIN ISLAM (VERVOLG)

Door de overwinning bij Badr hadden de moslims de reputatie van geduchte strijders gekregen. In Medina hadden ze de Joodse Qaynuqa weten te verdrijven en waren daar nu de sterkste groepering. Het zat de twee overgebleven Joodse stammen, de Nadir en de Qurayza, bepaald niet lekker.
De leider van de Nadir, Ka’b, was behalve een bekwaam handelaar ook een befaamd dichter, en maakte spotliedjes op Mohammed. Maar wat gevaarlijker was: hij handelde veel met de Mekkanen en spoorde hen aan zich niet bij hun nederlaag neer te leggen. Niet alleen verzekerde hij hen dat zowel de Nadir als de Qurayza hun verbond met Mohammed zouden verbreken als de Mekkanen Medina zouden aanvallen, maar dat ook de Ghatafan, een stam ten noorden van Medina, zich zeken bij hen zouden aansluiten.

Mohammed bekloeg zich over dit gedrag van Ka’b bij de ansar, en vier hunner beloofden korte metten te maken met de man. Ze wisten hem inderdaad in een val te lokken en te vermoorden. Het zette kwaad bloed bij de Nadir, maar weerwraak tegen de overmacht van muhajireen en ansar was geen optie.

In Mekka was, nadat bij Badr veel van hun leidende figuren het leven gelaten hadden, Abu Sufyan sjeik van de leidende Umayya-clan geworden. Hij had het gebruikelijke bewenen van de doden verboden, vermoedelijk op instigatie van zijn vrouw Hind. Dat was een zeer krachtige persoonlijkheid. In rabiate vijandschap tegen Mohammed en alles wat deze voorstond, evenaarde ze Abu Jahl en diens vrouw. Een van hun zonen was Moe’awija, die later zich van het kalifaat meester zou maken en de stichter van de Omajjaden-dynastie zou worden.
Nadat Abu Sufyan van Ka’b vernomen had dat de Joodse stammen van Medina een aanval op Mohammed zouden verwelkomen en dat hij ook op de Ghatafan zou kunnen rekenen, besteedde hij een heel jaar om een wraaktocht voor te bereiden.
In maart 625 ging het enorme leger van 3000 man met veel bombarie op weg naar Medina-tun-Nabi (stad van de profeet).

Mohammed was niet in paniek. Het succes van Badr had nieuwe strijders opgeleverd, de ‘nalatenschap’ van de Qaynuqa 400 harnassen en de nodige zwaarden. Hij kon nu over 700 goedbewapende manschappen beschikken.
Hij liet het niet op een belegering van de stad aankomen – met het oog op de onbetrouwbare Joodse stammen binnen de stad – maar wachtte de Mekkanen af bij de Uhud, een berg enkele kilometers er vandaan.
Hij stelde zijn manschappen op met de rug naar de berg zodat ze niet van achter konden worden aangevallen. De rechterflank was beschut door een lava-uitloper en voor de linkerflank posteerde hij 50 boogschutters hoog op de Uhud-helling, waar ze pas van mochten afdalen na afloop.

De slag bij de Uhud. Als gebruikelijk begon de strijd met de traditionele kampioenengevechten, in de lege ruimte tussen de beide legers. Dat van de Mekkanen was vele malen indrukwekkender. Het detachement vrouwen dat het vergezelde, maakten enorm tumult met hun strijdliederen, geschreeuwde verwensingen naar de moslims en aanmoedigingen voor hun mannen. Hind danste geëxalteerd rond de kameel met het uit de Ka’aba meegebracht Hubal-beeld, en hief onvermoeibaar telkens een nieuw overwinningslied aan.

Voor de Mekkanen stapte de eerzuchtige Talha naar voren. Met vaandel: hij was tevens vaandeldrager. Talha daagde welke moslim dan ook uit voor een tweegevecht. Ali ging het aan
Hun gevecht duurde kort. Na een paar schermbewegingen – Ali’s  specialiteit – liet Talha, gehinderd door zijn vaandel, zijn dekking even open en daar flitste Ali’s kromzwaard. Tot ontzetting van de Mekkanen rolde Talha’s hoofd over de grond en het vaandel viel in het stof. De opgekropte zenuwen van Mohammed ontlaadde zich in een uitzinnig “Allah-u-akbar! Allah-u-akbar! (Allah is groot) en dat werd overgenomen door 700 moslimkelen.
Talha’s broer Uthman snelde toe. Maar ook Hamza. Uthman werd gedood nog voor hij het vaandel had kunnen oppakken.
Nieuwe Mekkaanse helden traden toe maar die ondergingen hetzelfde lot.

Abu Sufyan wilde niet nog meer goede mensen verliezen en gaf orders om op te rukken voor het echte werk. De vrouwen hervatten hun stilgevallen aanmoedigingsgezangen en hun trommels en tamboerijnen weergalmden opnieuw tegen de berghellingen.
Ondanks hun getalsmatige overmacht maakten de Mekkanen weinig vorderingen. Het waren vooral Hamza en Ali die hun rangen steeds weer doorbraken en angst zaaiden. Ansar-kampioen Dujana had van Mohammed het zwaard Dhu’l Fiqar uitgereikt gekregen en ook die deed geducht werk. Op zeker moment kwam hij op een overactieve kameelruiter af, die tot zijn verbazing begon te gillen. Het was Hind. Maar een vrouw dood je niet.
Hind had een geheim wapen ingezet: de slaaf Wahshi, een Ethiopiër. Een meester-speerwerper, met een bijzondere speer. Hind had hem opdracht gegeven, Hamza, die de dood van haar vader bij Badr op zijn geweten had, te doden. Meer niet; en als hij zou slagen, zou ze hem vrij laten. Wahshi had een plek hoger op de Uhud-helling uitgekozen maar buiten het zicht en het bereik van de boogschutters, en wachtte daar zijn kans op vrijheid af.
Die kwam toen Hamza zijn zoveelste Mekkaan buiten gevecht had gesteld en, even op adem komend, uitkeek naar een volgend slachtoffer. Wahshi’s speer doorboorde zijn maliënkolder. Hamza keek wie hem deze smerige streek geflikt had en kwam, met de speer dwars door zijn lichaam, met woest gebrul op Wahshi af. Die maakte zich uit de voeten, maar niet al te ver, vanwege zijn kostbare werpspies. Hoewel het temidden van het krijgsgewoel vrijwel onopgemerkt bleef, zakte Hamza weldra door de knieën en kon Wahshi zijn speer terug bemachtigen.

De kansen voor de moslims keerden pas echt toen … de Mekkanen zich begonnen terug te trekken. Zodra de boogschutters op de helling dit in de gaten kregen, verlieten de meesten hun post: voor de buit diende je er als de kippen bij te zijn.
Dit ontging Khalid bin al-Walid, de jonge aanvoerder van de cavalerie, niet. Hij begreep onmiddellijk dat de linkerflank van de moslims nu ongedekt was. Hij reed met zijn manschappen om de berg heen, overmeesterde de paar bij hun aanvoerde achtergebleven boogschutters en viel de moslims vervolgens van achter aan.
Die raakten nu in verwarring. Terwijl de Mekkanen hierdoor nieuwe moed vatten en opnieuw vol in de aanval gingen.
En nu namen veel moslims de benen. Want vechten is leuk maar het blijft gaan om de buit. Als de kansen daartoe verkeken lijken, red je het vege lijf. Grote aantallen doden vielen er bij de Bedoeïenen-wedstrijden doorgaans niet.

Mohammed had twee harnassen over elkaar aangetrokken en hanteerde de standaard. Zolang die overeind bleef hielden de strijders moed; voor de vijanden was hij daarentegen speciaal doelwit. Mohammed had al verscheidene wonden maar werd nu vol op zijn wang getroffen – enkele maliën van zijn helm waren in zijn kaakbeen gedrongen –  en hij moest de standaard overgeven aan zijn oom Massaab.
De toestand werd steeds nijpender. Massaab sneuvelde. Doordat Massaab en zijn neef Mohammed sprekend op elkaar leken, meende een der Mekkanen echt dat het Mohammed was die daar dood op het slagveld lag, en hij stiet een overwinningskreet uit: “Mohammed is dood!!”.
Toen ook de moslims dit hoorden, achtten ze de strijd verloren. Velen, waaronder Abu Bakr en Uthman, zochten een goed heenkomen in de bergen.

Ali zag de standaard zag vallen; hij  snelde toe, raapte hem van de grond en vocht verder met de standaard in zijn linkerhand. Vastbesloten om, nu Mohammed gesneuveld was, zich dood te vechten.
Maar Mohammed was niet dood. Hij bevond zich op een andere plek, omringd door dappere ansar. Vooral Abu Dujana verdedigde het groepje met al zijn kracht. Weliswaar met het kromzwaard van Ali; het wonderzwaard Dhu’l Fiqar was hem te zwaar geworden en hij had het geruild met Ali.
Wie zich daar ook weerde was Umm Amarah Naseeba, een ansar vrouw. Ze had aanvankelijk alleen water aangedragen voor de strijders en hun wonden verzorgd, maar nu had ze een schild bemachtigd en ving daarmee de pijlen op die door boogschutters op het groepje werden afgevuurd. Toen die pijlen op raakten en de Mekkanen met zwaarden en speren naderden, greep ze een zwaard en vocht als een leeuwin. Toen een Mekkaan uithaalde naar Mohammed, sprong ze tussenbeide en ving de klap op met haar schouder. Ondanks de verwonding vocht ze door … tot de Mekkanen er plotseling vandoor gingen.
Want daar kwam Ali op hen af met de standaard in de linker en Dhu’l Fiqar in de rechter. Het gedoe rond het groepje had zijn aandacht getrokken. Nu sleurde hij samen met de anderen de gewonde Mohammed van het slagveld af. Ze bereikten een veilige plek in een ravijn, waar ze even op verhaal konden komen.

De slag was voorbij. De Mekkanen hadden hun nederlaag bij Badr gewroken. Het lijk van Mohammed was dan wel niet gevonden, maar sommigen hadden Ali diens lijk zien wegdragen. Abu Sufyan liep er toch naar te zoeken, en kwam Omar tegen die zich juist naar het ravijn begaf omdat hij gehoord had dat Mohammed daar verzorgd werd. Sufyan vroeg Omar of Mohammed dood was. Welnee, antwoordde deze, als je hard roept, kan die je horen! Maar Sufyan kende Omars grootspraak. Na een korte groet – geen van beiden had immers een familielid van de ander gedood – ging Sufyan zijn leger orders geven voor het vertrek.

Mohammed vertrouwde de toestand niet en stuurde Ali om de Mekkanen te volgen. Pas toen deze terugkeerde met de verzekering dat de Mekkanen welgemoed en zingend de lange thuisreis hadden aanvaard, verliet Mohammed het ravijn. Ze baden voor de doden en begroeven ze.

75 Moslims hadden de dood gevonden, verreweg de meesten waren ansar. De Vrienden (zo duid ik Mohammeds naaste medestanders zoals Abu Bakr, Omar en Uthman aan)  hadden het overleefd. Hamza niet. Mohammed weende over Hamza. Terug in Medina en de lamentaties van de ansar-vrouwen over hun doden horend, snikte Mohammed dat er geen lamenterende vrouwen waren voor Hamza. Toen spoorden de ansar-sjeiks hun vrouwen aan, ook over Hamza te lamenteren.

Mohammed werd in de dagen erna opgemonterd doordat zijn dochter Fatima, die Ali’s vrouw geworden was, beviel van een gezonde zoon. Mohammed fluisterde adhan (oproep tot gebed) in zijn rechteroortje en iqama (de tweede oproep) in zijn linkeroortje, en noemde hem Hasan. Het jaar erop (626) schonk Fatima hem zijn tweede kleinzoon en die noemde hij Husain. Fatima zou hierna nog twee dochters baren, Zainab en Umm Kulthum.

De nederlaag van de moslims bij de Uhud had hun reputatie van onoverwinnelijkheid tenietgedaan. De Nadir-Joden, wrokkig door de laffe moord op hun vereerde leider Ka’b twee maanden daarvoor, riepen nu luidkeels dat Mohammeds leiderschap over Yathrib niet langer geloofwaardig was en dat Yatrhib een nieuwe leider diende te kiezen. Nieuwe akkefietjes begonnen zich voor te doen. Toen Mohammed zich in juli bij het Nadir-fort meldde om bloedgeld te eisen na de moord op een moslim door een Nadir, wierp een Nadirvrouw een maalsteen naar beneden die hem rakelings miste.
De volgende dag kwam Mohammed terug, nu vergezeld van Ali en enkele andere krachtpatsers. Nadir-sjeik Huyayy verklaarde de zaak een serieus debat waardig en ze spraken dat voor de dag erop af: zonder strijders maar met debaters.
Een Nadir die moslim was geworden, lichtte Mohammed tijdig in over de ware bedoeling van dit debat: de moord op Mohammed.

Mohammed verzamelde nu al zijn strijders en sloeg het beleg voor de Nadir-burcht: met hun samenzwering hadden de Nadir het verdrag geschonden. Hij eiste dat de stam binnen tien dagen zou vertrekken, met achterlating van al hun bezittingen. Bemiddeling van de Khazraj-sjeik ibn Asad wees hij van de hand.
En daar verliet de tweede Joodse stam Medina, beladen met wat ze op hun kamelen mee konden dragen maar met achterlating van wapenrustingen en overige have en goed. Weer tot groot genoegen van de muhajireen en de ansar, die zich de achterblijvende behuizingen, bezittingen en dadelpalmen konden toe-eigenen.

Huyayy en zijn Nadir waren, over heel Arabië befaamde smeden als ze waren, welkom in Khaybar, een grote en rijke oasestad 150 km benoorden Medina. Huyayy werd er een der belangrijkere  leiders. Hij reisde kort nadien met zijn beide zoons naar Mekka, om de leiders daar aan te sporen om hun overwinning af te ronden met de vernietiging van Mohammed en zijn beweging.

En inderdaad overtuigde hij Abu Sufyan. Die  bezocht de Ghatafan. En hij bezocht de Qurayza-stam van Medina. Maar ibn Asad durfde Abu Sufyan niet te ontvangen in zijn burcht; hij zei zich gebonden te blijven achten aan het Verdrag en dus neutraal te willen blijven.
Evengoed kreeg Abu Sufyan de toezegging van een groot aantal sjeiks en kon zich verzekeren van een nog groter leger dan het vorige. Nu moest Mohammed en diens beweging dan eindelijk de genadeslag toegediend krijgen

Mohammed, door verspieders van al deze voorbereidingen op de hoogte gehouden, was nu echt radeloos. Tegen wat er nu op de been gebracht werd, viel niets te beginnen. Vluchten dus. Maar waarheen? En wat dan verder?

De redding van Medina.  Al enige tijd verbleef een jonge Pers bij Mohammed. Deze jongeman, Salman geheten, was een hoogbegaafde; hij wist zich al na korte tijd een vreemde taal zo eigen te maken dat hij kon verstaan en zich verstaanbaar kon maken. Zij speciale interesse was gericht op militaire strategieën, en die was hij vooral bij de Romeinen gaan bestuderen. Zo had hij ook kennis van stadsbelegeringen, een in Arabië nog onbekend fenomeen. Nu Medina in gevaar was, had hij de situatie van de stad verkend en had die best wel gunstig bevonden. Medina lag ingesloten binnen ontoegankelijke lavabergen, met slechts één, zij het brede, toegangsopening. Het zou technisch zeer wel mogelijk zijn, die af te sluiten met een uit te graven gracht.

Mohammed aarzelde, en de Vrienden achtten het onbegonnen werk. Maar toen de tijding kwam dat de Mekkanen zich op weg hadden begeven, gaf de paniek de doorslag. Met man en macht werd er gegraven. De Qurayza konden er niet onder uit om spaden, houwelen en draagmanden te leveren. Dag en nacht werd er doorgewerkt, en een diepe slotgracht vormde zich, met een hoge wal aan de stadzijde. Kinderen werden uitgezonden om de hele omgeving leeg te oogsten en de overgebleven begroeiing af te branden.

Verspieders hadden de Mekkanen gewaarschuwd dat de omgeving van Yathrib in brand gestoken was. Maar de leiders maakten zich daar niet druk over: Yathrib zou binnen enkele uren onder de voet gelopen zijn en uitgemoord, en daarna konden ze weg wezen uit dat barre oord; misschien hadden de moslims zelf hun stad in brand gestoken en waren ze  op de vlucht.

De cavalerie stormde voor het leger uit, onder leiding van Amr ibn Abt Wudd; een vervaarlijke woesteling met een schiereilandwijde reputatie van gewelddadigheid. Hij had ook het aanvoerderschap van de hele expeditie opgeëist.
De paarden kwamen met een ruk tot stilstand … voor een diepe gracht! Vanaf de overkant kwamen stenen en pijlen aan gesuisd, de verdedigers zaten zelf veilig achter de wal.
Dat was een zware tegenvaller voor Abu Sufyan en zijn mede-sjeiks. Zoiets hadden ze als Bedoeïenen nooit meegemaakt: het beleg voor een stad. Maar er zat niets anders op. Er werden tenten opgezet  en manschappen uitgezonden om bij naburige nederzettingen water, voer voor de rijdieren en extra proviand te kopen. Medina afgrendelen en uithongeren, meer zat er niet op.

De gefrustreerde Amr was met een drietal andere ruiters de omgeving gaan verkennen en had één plek gevonden waar de gracht tamelijk smal bleek; daar moest een beetje paard overheen kunnen. En inderdaad, de geweldenaar Amr kwam er overheen. Hij reed naar het marktplein en  daagde wie dan ook uit voor een tweegevecht.

Op zijn eerste uitdaging bleef het stil; Mohammed had Ali opgedragen, zich koest te houden. Ook op de tweede uitdaging bleef het stil; niemand, ook Abu Dujana niet, durfde het op te nemen tegen deze woesteling. Maar bij de derde uitdaging kwam er beweging. Mohammed had Ali zijn eigen harnas aan laten doen en gaf hem Du’l Fiqar.

Zoals gebruikelijk stelden de kampioenen zich aan elkaar voor. Ali nodigde zijn tegenstander uit om hem de eerste slag toe te brengen. Amr werd enigszins van zijn stuk gebracht door deze merkwaardige tegenstander, maar haalde niettemin uit. Met zo’n kracht dat Ali’s bijzonder sterke schild gespleten werd en ook nog zijn helm. Bloed vloeide uit een wond en de oersterke Ali zag even zwart voor zijn ogen. Maar hij viel niet om, herstelde zich enkele ogenblikken en toen maakte het wonderzwaard zijn faam waar; het sloeg dwars door Amr’s helm en hoofd. De geweldenaar stortte dood neer.

Het donderend gejuich van de moslims maakte de belegeraars in hun tenten bang te moede, en toen de drie ruiters arriveerden zonder Amr was het duidelijk dat ze hun legerleider hadden verloren.
Ali stond Amr’s zuster toe om haar broers dood te komen bewenen, en hij gaf haar diens bezittingen mee, haar persoonlijk over de gracht helpend.

Werkelijk alles zat de belegeraars tegen; de mensen van Amr hielden het na de dood van hun held voor gezien, en ook veel andere groepen hadden geen zin in een belegering of beschikten niet over tenten. Het weer was uitzonderlijk koud en nat, en de wind rukte aan de tenten. Huyayy stelde een bestorming voor en zou trachten de Qurayza over te halen om dan de moslims van binnen uit aan te vallen.
Ibn Asad, de Qurayza-sjeik, liet zich, na aanvankelijk aarzeling, inderdaad overhalen. Er zat zeker een kans in: wanneer zij de moslims van achter zouden aanvallen zodra de belegeraars hun stormloop zouden inzetten, zouden niet alleen zij zelf maar heel Arabië van de moslims bevrijd zijn. En mocht de aanval mislukken, dan zouden de Nadir de Qurayza te hulp komen, verzekerde Huyayy. Het schijnt dat  Huyayy zelf het Verdrag van de Qurayza met Mohammed verscheurd heeft, ten teken dat Ibn Asad zich daar niet langer aan gebonden hoefde te achten.

Mohammed, op de hoogte gebracht van het verraad, was dodelijk ongerust. Maar weer kwam er van onverwachte zijde hulp. Onder de Ghatafan bevond zich een koopman, Nuaym ibn Masud, die contact onderhield met Musaylima van de Banu Hanifa en zodoende de betekenis van een profeet voor de handel in het wilde Arabië onderkende. Dus hij sympathiseerde stilzwijgend met Mohammed.

Nuaym toog naar Ibn Asad en vertelde dat hij had opgevangen dat de Nadir, in geval de stormloop zou worden afgeslagen, echt niet van plan waren om de Qurayza te komen helpen tegen de moslims. Hij ried Ibn Asad dringend aan om voor zijn deelname in elk geval gijzelaars te eisen. Dat vond Ibn Asad een veilig idee.
Hierna begaf Nuaym zich naar Huyayy en vertelde dat hij via via gehoord had dat de Qurayza alleen mee wilden doen als ze de garantie van Huyayy’s twee zoons als gijzelaars zouden krijgen. Maar dat hij hem dit afried omdat, als de aanval zou mislopen, Ibn Asad dan zijn twee zoons aan Mohammed zou uitleveren in de hoop op diens genade.
Huyayy stuurde onmiddellijk een paar mensen naar Ibn Asad om opheldering. Die verzekerde hen dat hij inderdaad die eis stelde. Nou, dan zouden de belegeraars het wel zonder de Qurayza zien te redden. Dan moesten ze het maar zelf weten als de bestorming zou mislukken.

Diezelfde nacht brak er een noodweer uit – de zoveelste geluks-redding van Mohammeds project. De tenten van de belegeraars waaiden om, hun vuren doofden in de slagregen. De Ghatafan hielden het voor gezien. Maar ook de Mekkanen en zelfs de Nadir gaven hierna de hoop op. Totaal gedemoraliseerd laadden ze hun spullen op hun rijdieren en verlieten het barre oord.

Toen de dag aanbrak en de moslims over hun verdedigingswal naar de kampementen van de aanvallers uitkeken, zagen ze dat die verdwenen waren.  Er werden verspieders uitgestuurd, want dat moest een hinderlaag zijn. Maar toen die terugkeerden en meldden dat het aanvalsleger echt al heel ver op weg was en geen enkel teken vertoonde om nog te stoppen, was de opluchting onbeschrijflijk.

Bij de Bedoeïenen in de verre omtrek verbreidde zich de mare van de onoverwinnelijkheid van de moslims, die zelfs het grootste leger dat Arabië ooit op de been had gezien, hadden weten af te slaan. Het leverde Mohammeds beweging een nieuwe toestroom van jonge strijders op, gelukzoekers en ander tuig, grif toetredend tot de islam.

Mohammed wilde nu afrekenen met de Qurayza. Ook al hadden die zich koest gehouden en zelfs spaden en andere hulpmiddelen verstrekt bij het werk aan de gracht: ze hadden zich laten bepraten door Huyayy en het Verdrag geschonden.
Maar Mohammed aasde vooral op hun woningen en plantages: hij moest nu opnieuw meer monden zien te voeden en manschappen bewapenen. En zie: weer daalde een gepaste ‘ingeving van Boven’ bij hem in die hem beval, af te rekenen met de Qurayza.

De moslims grendelden de versterkingen van de Qurayza hermetisch af. Het siert Huyayy dat hij niet met zijn mensen naar Khaybar was teruggegaan maar bij Ibn Asad was ingetrokken, om zijn belofte na te komen.
De belegering duurde maar liefst 25 dagen. Het geschrei van de kinderen werd onverdraaglijk voor de Aws, de Arabierenstam die eeuwenlang met de Qurayza gelieerd was geweest, en hun sjeik bepleitte genade en een vrije aftocht , zoals ook de Qaynuqa en de Nadir gekregen hadden. Maar de Pers Salman had Mohammed duidelijk gemaakt dat vrijlating van de Joodse stammen alleen maar latente vijanden had opgeleverd; beter was het, met hen af te rekenen. En weer bracht een gepaste ‘ingeving’ van Allah, hem des nachts overgebracht door de engel Jibreel (Gabriël), hem het hoge bevel: alle mannen van de Qurayza dienden gedood te worden, en hun vrouwen en kinderen dienden als slaven te worden verkocht.

De volgende dag gaven de Qurayza zich over. Alle weerbare mannen werden geboeid en naar het marktplein gevoerd. De moslims stormden de versterkingen binnen en maakten zich meester van wat van hun gading was. Zelfs de armste muhajireen en ansar  kreeg nu een behoorlijk huis plus een paar Joodse vrouwen en meisjes als slavinnen.
Mohammed had op het marktplein een diepe geul laten graven. Dat werd een massagraf. Urenlang duurde het, tot alle Qurayza-mannen – het schijnt tussen de 700 en 800 mannen geweest te zijn – waren onthoofd. Het moet een gruwelijk bloedbad geweest zijn, Mohammed heeft er al die tijd bij gezeten: hij wilde de verantwoordelijkheid voor deze moorden geheel op zichzelf laden. Een Qurayza-meisje wierp zich voor zijn voeten. Hij sloeg zijn mantel over haar heen en verklaarde haar tot zijn vrouw; ik neem aan uit mededogen. Maar aangezien ze mooi was, weet je dat bij een man nooit.

Ik vermoed dat Ali’s vertrouwen in zijn oom hier zwaar op de proef gesteld is geweest; het was geheel Ali’s stijl niet om zo met verslagen vijanden om te gaan. Ook de bronnen hebben het hier duidelijk moeilijk mee. Maar ISIS beroept zich er juist op.
Het gedrag van Mohammed, alsook de inhoud van zijn ‘ingevingen’ zoals die in de latere Koran terecht zijn gekomen, vertonen vanaf nu een machiavellistischer inslag, en misschien is hier de invloed van Salman werkzaam. Die zal Mohammed duidelijk gemaakt hebben dat hij zich als staatsman diende op te stellen. Hetgeen betekent dat je beslissingen niet langer door persoonlijke gevoelens moeten worden gestuurd maar door staatsoverwegingen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*