Is dit nou vrijheid?

      Geen reacties op Is dit nou vrijheid?

Joke Hermsen had langs de terrassen gewandeld waar haar stadgenoten de vrijheid vierden welke ze door de versoepeling van de Covid-lockdown eindelijk genoten. Thuisgekomen had ze, peinzend over wat werkelijke vrijheid is voor een mens, twee filosofen uit haar boekenkast getrokken: Kant en Arendt. En schreef haar essay  “Is dit nou vrijheid?”(TijdGeest 22 mei). Kant: “We zijn burgers van twee werelden”. Doelend enerzijds op ons fysieke mens-zijn, en derhalve onvrij, immers onderworpen aan de diepst gewortelde aandrift van alle vormen van leven: het instandhouden en voortplanten van het eigen organisme. Anderzijds doelend op het feit dat we leven in een wereld van ideeën, van de geest, waarin we dankzij onze talige en cognitieve vermogens morele vrijheid hebben.  
Arendt: “We zijn twee in één”. We kunnen met elkaar van gedachten wisselen, maar in ons denkproces ook met onszelf. Iets wat rond 1900 de befaamde Engelse neuroloog John Hughlings Jackson[1] al eens had opgemerkt. 
De humanosoof, die doet wat de academische filosofie flagrant nalaat: het in kaart brengen van ‘de mens’[2]nu dit met behulp van de menswetenschappen mogelijk is, legt die ‘twee werelden’ uit. Gaat bovendien uitgebreid in op het vraagstuk waar Joke Hermsen haar essay mee besluit.     

Wat is de mens?

Iedere mens denkt de hele dag. De meeste mensen over heel praktische dingen van alle dag en vooral bezig met overleven van zichzelf en veelal ook van dat van haar/zijn naasten. Filosofisch denken doet iedereen ook, maar alleen op verstilde momenten. Dat denken betreft dan ‘grote vragen’, zoals ‘wie/wat ben ik?’, ‘wat is de zin van dat ik er ben?’, ‘waartoe ben ik op Aarde?’. Slechts de filosoof heeft de luxe om voor de antwoorden op die ‘grote vragen’’ antwoorden te vergaren uit alle kennis die binnen haar/zijn bereik komt, en daar dan vertogen over ten beste te geven of verhandelingen over te publiceren. Een luxe die de meeste mensen zich niet kunnen of willen permitteren. Verschil (diversiteit) moet er zijn.

Eeuwenlang waren er geen wetenschappen voorhanden en de meeste mensen lieten zich de antwoorden op hun ‘grote vragen’ dus graag dicteren door kwakzalver-filosofen. Het waren

 de Kerken die zich daarin specialiseerden en voor de massa uit mochten maken waartoe ‘de mens’ op Aarde is. Het was en is een geestelijke machtspositie, waar de grootgrondbezitters in de agrarische samenleving niet over beschikten en de Kerken wel. Dus die liet het graag aan de kerken over om dit voor de massa der boeren en horigen in te vullen, als de kerkelijke boodschap maar strookte met hun wereldlijke belangen.

Het echte beschavings- en ontwikkelingsvehikel is natuurlijk de handel. Waar die vrij blijft van usurpatie door despoten met hun trawanten, bloeit zij op en brengt welvaart, vooruitgang in technologie en kennis, kunst en gezondheid. Waar ze als ‘de kip met de gouden eieren’ wordt opgehokt, vervalt alle vooruitgang. In onze westerse landen kwam zij na de middeleeuwen weer tot bloei als ‘derde macht’ naast de keizer en zijn leenheren. Die raakten in oorlog. Oorlogvoeren kost geld de keizer kreeg geld van de stedelijke kooplieden, de burgerij, in ruil voor privileges.
Die ‘derde macht’groeide, met boekdrukkunst en wetenschappen: Verlichting. Universiteiten, waarin de luxe filosofen-hobby’s de vorm kregen van facultaire studierichtingen. Zo ook theologie en filosofie. Daar begonnen de eerste voorzichtige pogingen om te tornen aan de machtspositie van de Kerken om uit te mogen maken hoe ‘de mens’ van nature is.
De ‘verlichte despoot’ Frederik II van Pruisen (1712-1786) schiep een luwte met zijn standpunt dat iedereen maar op zijn eigen manier zalig moest zien te worden. In deze luwte probeerde Immanuel Kant (1724-1804), verbonden aan de universiteit van Köningsberg (Pruisen), een van de Kerken onafhankelijke professorale theorie over het wezen van ‘de mens’ op te zetten. Om de clerus gerust te stellen kleedde Kant zijn Kritike in een dermate duister professoren-jargon in dat het zelfs voor zijn studenten te moeilijk bleek. Toen zijn colleges dreigden leeg te blijven, vatte hij ze samen in begrijpelijkere formulering. Deze colleges liet hij uitgeven in Anthropologie in pragmatischer Hinsicht abgefasst (1798), over welk boek hij pochte dat dit zelfs leesbaar zou zijn für die Dame bei der Toilette. Hiermee werd hij de aartsvader van de filosofische antropologie, de belangrijkste tak van filosofie.

Na het overlijden van Frederik hernamen de Kerken hun macht en kreeg ook Kant het moeilijk. Aan het einde zijner dagen stelde hij in brieven dat zijn levenswerk neerkwam op het genereren van antwoorden op drie vragen – welke hij tenslotte nog korter zou samenvatten in “Wat is de mens?”

Kant heeft zijn stelling “We zijn burgers van twee werelden” nog niet echt wetenschappelijk kunnen onderbouwen. Zelfs Hannah Arendt (1906-1975) heeft het onderbouwen van haar “We zijn twee in één” nog niet voor elkaar gekregen.  Want daar zijn menswetenschappen zoals antropologie, archeologie, paleoantropologie en ethologie voor nodig.

De vrije markt

‘Beschaving’ is in wezen het terugbrengen van ‘de mens’ naar zijn Trap III-neiging. Zelfs in de fase van overpopulatie en van ‘wilde stammen’ was dat geen onbegonnen werk want ook toen al gold dat de meeste mensen deugen. De Franse antropoloog Claude Lévi Strauss (1908-2009) noemde zijn hoofdwerk niet toevallig Tristes Tropiques (1955): de ‘wilden’ verkeren permanent in depressie en zijn ‘aardig’ waar ze maar kunnen. Maar poeh!, wat gaat dat terugbrengen vanuit het tribalisme (beschaven) traag. Twee stappen voorwaarts — één stap terug.

De handel is echter een effectiever beschavingsvehikel dan het god-geloof.
Eind jaren 60 brak in de westerse landen, door het massamedium televisie, de vrijemarkt-economie door. Het tot nu toe ultieme beschavings- en ontwikkelingsvehikel. Mensen denken conform de heersende economie (vetgedrukt: een humanosofen-axioma).
Een wind of change stak op, een zoele zuidenwind die de permafrost van ‘oude vormen en gedachten’ tot ontdooien begon te brengen en alle daarop gebouwde patriarchale en autoritaire instituten tot wankelen en uiteindelijk instorten.

Ze (markt=vr.) is geen mens die wat doet, het is een puur economisch mechanisme. Maar ze maakte een eind aan de zeggenschap van de Kerken over ons denken. Én ze  bracht welvaart, waarmee de dure veldonderzoeken van de reeds genoemde menswetenschappen betaalbaar werden. Vanaf de jaren 70 begonnen de onderzoeksresultaten van de disciplineweten-schappers, voor leken behapbaar gemaakt door wetenschapsschrijvers, op de markt te komen. Evenzovele bouwstenen voor elke leek die er mee wilde gaan bouwen aan ons mens-verhaal.
Bedenk: filosofen zijn leken, zoals ook theologen dat zijn. Trouwens, elke discipline-wetenschapper is leek op elk ander gebied dan het hare/zijne. Maar het werken aan het mens-verhaal is filosofenwerk; niet dat van een disciplinewetenschapper. Hoezo niet?  

Zie de wetenschap als een boomgaard vol verschillende kennisbomen met onder elke boom een kraampje (het is dus ook soort van markt). De wetenschappers zitten hoog in de kruinen te graaien in het nog ongewetene. De wetenschapsschrijvers hebben een ladder waarmee ze de vruchten ophalen en beneden uitstallen. 
Iedere filosoof is vrij om deze kennismarkt te betreden. Hij heeft geen ladder, alleen een boodschappenmand en shopt wat van pas komt bij zijn bouwen aan het mens-verhaal.
Zoals deze humanosoof deed. Als 17-jarige al, nog priesterstudent, was hij aan het knutselen gegaan toen hij na het zien van een missiefilm niet langer geloofde dat wij op Aarde getoverd zijn door een Hogere Macht. Als Asperger-achtig type wilde hij per se weten hoe wij er dan wél gekomen zijn. Als student Nederlands had hij wel colleges filosofie gevolgd, maar weldra teleurgesteld afgehaakt: het ging niet over hoe wij van apen tot mensen waren geworden.
Zodra hij als activistische leraar hoorde van deze markt, vloog hij er meteen op af. Fools rush in where angels fear to tread, dichtte Alexander Pope al.
Het verbaasde hem wel, daar geen filosofen te zien.

Dat zou hij als laat-bloeier-filosoof pas 20 jaar later begrijpen.

De academische filosofie

De Griekse filosoof Plato (427-347 vC) stelde al dat we ‘in twee werelden leven’. Een fysieke, van vergankelijke dingen, terwijl onze ideeën (concepten) van die dingen onvergankelijk waren. Zijn goeroe Socrates (479-399 vC) had hem geleerd dat de ‘abstracten’ (concepten) wezenlijker zijn dan de vergankelijke fysieke dingen.  Bovendien had Plato veel opgestoken van Pythagoras (582-496 vC) die de hele kosmos doortrokken zag van wiskundige verhoudingen die resulteren in een volmaakte harmonie. Vergeleken waarbij de vergankelijke fysieke wereld chaotisch was.
Plato ging zo ver dat hij die ideeënwereld als realiteit ging zien en de fysieke (voor ons reële) wereld als vergankelijk dus slechts als fictie (verbeelding). In zijn dialoog De Staat stelde hij ons, mensheid, dus voor als zittend in een grote schouwburg (grot), starend naar een groot scherm (achterwand grot), waarop het zonlicht door de grot-opening op het scherm (achterwand grot) valt. De vergankelijke dingen worden voor de opening voorbij gedragen en alleen hun schaduwen vallen op de achterwand. Camera obscura-effect kende Plato nog niet; trouwens hij verving het zonlicht door een groot vuur. Ach, elke metafoor kent zijn gebreken, ook die van de humanosoof. Hij vergaart zijn kennis uit kwaliteitskranten en periodieken, volgt wetenschappelijke sites, verveelt zich bij ‘uitzendingen’ en ontsnapt uit de grot. Terugkomend bij zijn mensen in de grot probeert hij zijn inzichten, opgedaan in de wereld buiten de massamedia, te vertellen aan de geboeiden in de schouwburg. Maar die vinden hem maar hinderlijk.


Ik bedoel: Kant kende zijn klassieken. Wilde in plaats van het Kerkelijke mensverhaal een wetenschappelijk verhaal. Maar nogmaals, daar zijn menswetenschappen voor nodig, Zoals antropologie, archeologie, paleoantropologie en ethologie (dierengedragskunde). Ze zouden nog anderhalve eeuw op zich laten wachten. Kants leerlingen Fichte, Schelling en Hegel beschikten daar evenmin over en in de Contra-reformatie bleven ze zich noodgedwongen met ongevaarlijke onderwerpen bezighouden. Ze handhaafden dat duistere filosofische jargon want dat staat geleerd.
De filosofen na hen waren de hoofdopdracht van Kant: het in kaart brengen van ‘de mens’, meestal vergeten. Ook de neo-kantianen ontbeerden nog steeds echte menswetenschappen. Ernest Cassirer (1874-1945) heeft de opbloei van genoemde disciplinewetenschappen ook niet meer mee mogen maken. In zijn hoofdwerk Philosophie der symbolische Formen (1923-1929) was hij al echter wel zo goed bezig dat de humanosoof daar in zijn DE MENS voor dummies (nog in ms) goed gebruik van heeft gemaakt.

 Ook Hannah Arendt, academisch filosofe en theologe, overleed in het jaar dat de humanosoof het eerste deel van de onovertroffen Time/Life-serie Het Ontstaan der Mensheid (17 delen) in handen kreeg. Daarmee begon hij zijn mens-verhaal weldra aardig rond te krijgen. Het leidde mede tot zijn ontslag-zonder-schuld (dus met 7.5 jaar wachtgeld van een dik lerarensalaris) en kon hij gaan doen wat hij nóg liever deed dan leraar-zijn: publieksportrettekenaar-zijn.
 
In de jaren 90 werd het steeds duidelijker dat ons samenleven verloederde. Zelfs VVD-er Bolkestein begon te opperen dat ten behoeve van een ‘dragend verhaal’ in godsnaam het leeglopende Christendom maar weer nieuw leven ingeblazen moest worden. Zelf dacht de humanosoof (na 20 jaar van woelingen van het nieuwe leven als portrettekenaar tot rust en filosofie gekomen) aan het humanisme, en begaf zich naar de UvH in Utrecht. Want daar zouden zij toch zeker wel bezig zijn met het nieuwe Grote Verhaal van ‘de mens’. Hij had het zijne immers aardig rond, misschien mocht hij wel mee komen helpen!
Maar de toenmalige rector, Douwe van Houten, hielp hem uit zijn naïeve droom: ze hielden zich bij hen ‘t slechts bij ‘het stellen van vragen’. Dus ook dáár postmodernisme! (En erger nog, wachtend op de gang had hij gesprek opgevangen van twee passerende dames, met onmiskenbaar New Age-content!). 
Dus vanaf toen, als niet-academisch filosoof-theoloog, als GroenLinkser maatschappij-betrokken, besefte de humanosoof dat hij het werk aan een nieuw Groot Verhaal voor ons samenleven in zijn eentje moest proberen. En hij begon aan een dik boek: Een nieuwe situatie. Dus en nieuw mens- en wereldbeeld. Maar de benaderde uitgever bleek al een betere schrijver dan hijzelf! Oké, schrijven is een vak op zich. Dus dan maar eerst oefenen in afzonderlijke teksten. Maar de volgende was nog niet af of de voorgaande was alweer aan opdatering toe: de wetenschappers blijven maar doorwroeten in het nog ongewetene, en de humanosoof blijft maar studeren. Als succesvol publieksportrettekenaar heb je, behalve over een behoorlijk inkomen (ik heb de gouden tijd ervoor mogen beleven) veel meer vrije tijd om te studeren dan in welk ander beroep ook. Die tijd heb ik[3] ten volle benut. Helaas ben ik geen hoogbegaafde zoals Kant of Cassirer of Arendt.

Hannah Arendt heeft geen echt gebruik meer leren maken van de opbloeiend genoemde wetenschappen, dus haar valt niets te verwijten. Wel de academische filosofiebeoefening.
Want toen daartoe de benodigde discipline-wetenschappen in de jaren 70 hun data op de markt begonnen te brengen, behapbaar gemaakt door wetenschapsschrijvers, juist toen stak in de academische filosofiebeoefening de alles verdorrende woestijnwind van het postmodernis-me op: twijfel aan elke waarheidspretentie, zelfs aan die der wetenschappen. En met een volstrekt onwetenschappelijke fobie voor elke vorm van Groot Verhaal.

Maar zelfs als minkukel kun je éénoog zijn in blindenland, waar de academische filosofie-beoefening het laat afweten. Waar zij blijft weigeren het gat op te vullen dat de leeglopende Kerken achterlaten in het genereren van het antwoord op de hamvraag “Waartoe zijn wij op Aarde?”

Humanosofie

Dat is filosofie in de lijn van het initiatief van Kant: het in kaart brengen van ‘de mens’.
De lijn die nog steeds zo goed en zo kwaad mogelijk werd voortgezet door de Wiener Kreis-filosofen en door Ernst Cassirer. Maar nog zonder het kunnen beschikken de onmisbare genoemde discipline-wetenschappen.
Die werden eind zestiger jaren van de vorige eeuw dus aangevoerd op de wind of change van de vrijemarkteconomie. Mensen denken conform hun heersende economie.

Hoezo, denken conform de heersende economie? Wel, dat hebben mensen toch al vanaf hun vroegste tijden gedaan? Als verzamelaars/jagers (de eerste miljoenen jaren, dus nog half dier- -half mens) dachten de mensen kinderlijk aanvaardend en van de hand in de tand, het leven nemend zoals ’t komt en gaat. Maar toen ze 10.000 jg voedsel-telers werden, gingen ze controlerend denken; voelden ze macht over hun voedsel en dus over de natuur. En als die niet gaf wat ze wilden, weten ze dat aan vijandige toverij van buren. Ze gingen magisch denken, en animistisch. Nog later gingen ze dat aan welwillendheid van goden afhankelijk denken, die met offers gunstig moesten worden gestemd, en die regen konden brengen.
Toen ze 5000 jg onder despoten raakten, was het aan de God van de despoot en diens eredienst aan wie de hun lot en denken verbonden leerden. Godsdienstig denken.

Maar al vanaf dat we als Moderne Mensen (sapiens) 100.000 jg zijn gaan ‘fokken als konijnen’, op steeds meer paradijselijke plekken van Aarde in overpopulatie raakten en in ‘wilde stammen’ zijn komen te leven, dus in permanente oorlog met elkaar, was het handel (vrije markt!), die als vredesvehikel is gaan functioneren. De handel beschaafde de ‘wilde stammen’ en bracht, zo lang en waar die ‘vrij’ bleef althans, ontwikkeling van mens en productie, van schrift, onderwijs, wetenschap en denken. Zo lang die vrij blijft zal handel beschavend en reddend blijven.

Zo lang de handel vrij blijft … Maar onze hele geschreven geschiedenis is vol van despoten die zich met hun trawanten meester maakten van deze kip met gouden eieren. En de vrije markt heeft al vanaf de jaren 80 de kwaaie hond van het neoliberalisme aan d’r been hangen die haar zegenrijke voortschrijden hindert.

Maar ze had vanaf de jaren 70 wel mooi de humanosofie mogelijk gemaakt.

Wat heeft de humanosofie aan nieuwe inzichten te bieden?
Om te beginnen inzicht in hoe ‘de mens’ in elkaar steekt. Inzicht in de menselijke natuur.
De meeste mensen deugen. Titel ook van het recente boek van Rutger Bregman, die deze stelling aantoont. Maar de humanosofie geeft er de menswetenschappelijke onderbouwing van. Aan dit inzicht ontbreekt het de academische filosofie, die op haar handen is blijven zitten toen de menswetenschappen begonnen op te bloeien. Faliekant: juist daarin had ze aan de mensen de leidraad kunnen en moeten bieden toen die van de kerken wegviel. Al was die kerkelijke leidraad weliswaar flinterdun en op veel punten zelfs misleidend, ze wás er nog wel en waar die strohalm wegviel had die door de filosofen moeten worden opgepakt en met behulp van de menswetenschappen tot stevige kabel moeten worden gevlochten. Het postmodernisme is een onwetenschappelijke filosofiebeoefening geworden: met de rug gekeerd naar de menswetenschappen. En een VLOEK voor ons samenleven. 


Hou op met die tirade. Vertel liever wat de humanosofie te bieden heeft. 
Oké, de menselijke natuur dus.
De menselijke natuur is soort van ‘drietrapsraket’.

Trap I hebben wij geërfd uit ons meest primitieve stadium als vorm van leven,waarin bijv. bacteriën nog steeds verkeren. Het is de ikke-ikke-neiging: zoveel mogelijk graaien van energie, afkomstig van onze ster (Zon), tot in stand houden en voortplanten van het eigen organisme.
Deze laagste maar in ultieme situaties soms levensreddende neiging maakt zich nog steeds van ons meester in een (al dan niet vermeende) panieksituatie, zoals: BRAND!! – en dan gaan we over lijken.
Maar … ook in een situatie dat we over macht beschikken (macht corrumpeert) en/ of … over ’groot geld’.

Trap 2 hebben wij geërfd uit ons groepsdierenstadium. Als groepsdieren konden wij de primitieve neiging van Trap 1 slimmer realiseren door dit als groep te doen. Vooral als onze groep moest concurreren met andere groepen binnen hetzelfde voedselgebied. In een overpopulatie-situatie. Dan wordt het vechten voor de overleving van de eigen groep.
Groepen waarvan de individuen het best samenwerken, zijn dan sterker dan de groepen waarin het altijd hommeles is. Groepsharmonie is dus geboden, als een groep wil overleven in een overpopulatie-situatie. Ter wille van de harmonie moet elk individu zijn neiging van Trap 1 onderdrukken, vooral als er gevaar dreigt. Frans de Waal heeft deze groepsmoraalbij chimpansees aangetoond, die permanent in overpopulatie-situatie verkeren (minstens periodiek, hun leefgebieden zijn altijd onderhevig geweest aan de inkrimpingen van de ijstijden). De chimpansees blijken sociale eigenschappen te kennen zoals medelijden en verzoenen. Hij heeft het laten zien in zijn boek Van Nature Goed (1996).

Maar … deze sociale en morele houding geldt alleen de eigen groep. Andere groepen zijn concurrenten, dus vijanden. En vooral in situatie van (al dan niet vermeend of gepostuleerd) gevaar. Dat is het: Eigen groep eerst!
Wij leven vandaag ook in permanente overpopulatie-situatie. America first! De raketbeschietingen tussen Israël en de Palestijnen komen Netanyahu prima gelegen – zou me niks verbazen als later zou blijken dat hij aan het begin ervan een handje heeft geholpen.

Trap I en Trap II zijn onze lagere neigingen. Mensen zijn die gaan overstijgen. Maar niet door intelligentie of zo, echt niet. Ook niet door uitverkiezing door een Hogere Macht (voor je ’t weet gaan Paas en Peel[4] straks met mijn humanosofie aan de haal!), nee, gewoon met VSR
Wat zegt u? Variatie-Selectie-Reproductie. Oftewel: natuurlijke selectie. Dat komt nu.

Trap 3 is al een erfenis uit ons stadium van australopitheci (aapmensen, AP’s) 7-4 miljoen jaar geleden.
Wij waren bonobo-achtigen, zoals de bonobo’s en de chimpansees dat nog steeds zijn, maar toen in een populatie die leefde op een plek waar het voorouderlijke regenwoud door klimaat-afkoeling en -uitdroging had plaatsgemaakt voor een bos- en savanne omgeving.
Een veel gevaarlijkere omgeving dan het veilige regenwoud. Gevaarlijker, niet vanwege de graseters aldaar maar vanwege de roofdieren die daarop jaagden, zoals leeuwen, sabeltanders en hyena’s. Die heel tuk waren op deze trage nieuwkomers. Jammer voor hen, maar die bleken te gooien(verdedigen op afstand) en leerden al snel door dit met stenen te doen. Een hagelbui van stenen doet au!
Die stenen moet je met je meedragen (en ook te verzamelen voedsel) zodra je ’s ochtends als hechte groep het veilige overnachtingsbos hebt verlaten om op voedseltocht te gaan.
Dat meedragen en gooien doe je met je handen, dus je moet op je benen lopen.
Dat meedragen doe je in tassen, gemaakt van vellen die toen overal te vinden waren. Overleving ook door taakverdeling: vrouwen en kinderen verzamelen, de volwassen mannen zorgen met hun stenen voor de veiligheid. Tegen de avond terug in een overnachtingsbos wordt het voedsel verdeeld, de mannen komen niks te kort.

Het ontwikkelen van deze aanpassingen kreeg zeeën van tijd want de overgang van regenwoud naar savanne nam miljoenen jaren.

Hun groepen bleven klein: de voedselvoorziening begon uiterst primitief.  Zodra en waar die verbeterde, werden de groepen groter.
Klein genoeg om alle monden te vullen.  Maar groot genoeg voor voldoende volwassenen om voor het voedsel te zorgen. Zeg maar drie hutten.

Vooral ook samenwerking tussen de groepjes. Eén groepje redde het nooit op z’n eentje. Ze wisselden[5] daarom voortdurend van samenstelling. 
De populaties waarin de grootste harmonie heerste, werkten ook het best samen en hielden de meeste kinderen in leven. Ook hier werkte de natuurlijke selectie (men spreekt wel van zelf-domesticatie).
Zo werden onze voorouders in de loop van miljoenen jaren hypersociaal. Nog vóór dat ze mensen werden.

Hypersociaal: de door de gevaarlijkere omgeving hachelijker geworden voedselvoorziening vereiste nog hechtere groepen en nauwere samenwerking, zodat de individuen nog beter de neiging van Trap 1 onderdrukten en de sociale neigingen van Trap 2 uitbreidden tot naburige verwante groepen door daar voortdurend mee te wisselen. Vergrootte de harmonie¸ zowel binnen de groepjes als tussen de groepjes. Want zo’n kleine groep kon niet alleen overleven.
Er was echt sprake van tamelijk homogene AP-populaties. Maar als daar met de middelen van vandaag zoals drones naar zou speuren zou je ze met moeite vinden in het geheel van de toenmalige dierenwereld. Dus van overpopulatie-situatie was geen sprake. Onze paleo’s vinden slechts zeer sporadisch en met enorme inspanning hun fossiele resten, terwijl die van de overige prehistorische dieren wereldwijd musea vullen.

De ‘lage’ neigingen van Trap 1 en Trap 2 werden binnen de nog hachelijke economie onderdrukt, maar verdwenen niet. Toen we 100.000 jaar geleden in paradijselijke omgevingen met te veel groepen kwamen (overpopulatie) werd het op den duur tussen de groepen vechten voor de overleving en werd Trap 2 (eigen groep eerst!) zoals bij de chimpansees, weer virulent.  

5000 jaar geleden werd dit: vechten tussen krijgsheren-chiefdoms. Oorlogen.

Bovendien deed het privé-bezit haar intrede. En daarmee ook de allerlaagste Trap 1 neiging.
Krijgsheren met hun trawanten werden koningen en adel, en dwongen met wapen- en legergeweld de massa gewone mensen uit om voor hen te werken.

Maar de massa der gewone mensen bleef meer hypersociaal. De meeste mensen deugen, zoals Rutger Bregman al heeft aangetoond. Hun denkers bedachten manieren om toch meer sociaal met elkaar om te gaan. Omdat dit namelijk het beste werkt voor ons aller overleven.
De filosofische antropologie, door Kant gesticht, verschrompelt (“dat wordt toch al door de antropologie en de paleoantropologie gedaan?”). De filosofie als geheel wordt al niet eens meer als hulp beschouwd bij het overlevingsgevecht dat de mensheid vandaag te leveren heeft[6]

Vandaag probeert de humanosoof de academische filosofiebeoefening terug te krijgen in het spoor van Kant.  Daartoe presenteert hij een op menswetenschappen gebaseerde ‘scheppings-verhaal’ . Een ‘dragend verhaal’ waar VVD-er Bolkestein in de jaren 90 al om begon te vragen toen het steeds duidelijker werd dat ons samenleven aan het verloederen was bij gebreke ervan. Nou, als een humanosoof als ik dat al kan …

Het humanosofische scheppingsverhaal

5 miljoen jaar geleden (mjg) waren we nog steeds aapmensen (australopitheci, AP’s).
Gewone dieren, maar wel aangepast aan een savanne-omgeving.
Levend in kleine groepjes, en hypersociaal (Trap 3) voedsel scharrelend.
Als bonobo-achtigen maakten die voorouderdieren (ook de voorouderdieren van de chimpansees) bij hun groepsdieren-lichaamstaal al veel gebruik van gebaren[7]. Aapmensen. Nog steeds geen mensen …

Maar waar iets kán, gebeurt het ook, vroeg of laat.
5 mjg begon in één van die AP-groepjes een meisje ineens met gebaren aan haar vriendinnen duidelijk maken waar ze op dat moment aan dacht. Stom meidenspelletje, zoals Hints. Eigenlijk nergens voor nodig.
Maar omdat het behalve leuk (ook sommige volwassen vrouwen kregen er aardigheid in) ook wel handig was, bleef het erin en breidde het zich uit. Het betekende immers een verrijking van hun communicatie.
De meiden namen het mee naar hun verwante groepje voor hun partner en zo verbreidde het zich over de hele stam.
En die floreerde, ik bedoel: hield door deze verrijkte manier van communiceren iets meer kinderen in leven. Iets grotere groepen, daardoor. Ze zouden na tig generaties de overige AP-populaties gaan overtalligen en … onze voorouders worden.
Ik noem ze VOorouder-AP’s (VOAP’s). 

Hints. Het begon dus met gebaren-communicatie, niet met ‘kretologie’. Want ze waren nog steeds dieren (en zouden dat nog héél lang blijven) en die hebben geen bewuste controle over hun stem. Je kunt chimpansees niet leren praten, Je kunt ze wel gebarentaal leren. Bij plotselinge schrik, of bij gemarteld worden hebben wij vaak nog steeds geen controle over onze stem. Anderzijds kunnen wij met alleen ons stemgebruik (of luisteren ernaar) nog steeds gemakkelijk in trance geraken en ervaren wij dat uitschakelen van ons talig bewustzijn prettig (alcohol ea drugs).

Ik laat de geboorte (‘oerknal’) van ons talige bewustzijn trouwens beginnen in een voorlijke AP-groep, waarin het al gebruikelijk was dat een verkennersgroep van mannen en jonge vrouwen bij het ochtendkrieken de route verkende waartoe de vrouwen de avond tevoren al hadden besloten. Dan hoefde de hele groep ouderen en kinderen niet terug te keren en tot een andere voedselroute te besluiten indien er op de reeds besloten route zich toch gevaar bleek te bevinden (woeste buffelstier, troep hyena’s). Indien daarop gestuit, keerden de verkenners snel terug en imiteerden het bedoelde gevaar. Nog steeds (zij het uitgestelde) stimulus/respons zoals bij alle groepsdieren.

Dus het ‘ineens’ van dat meisje was best verklaarbaar. Haar gebarencommunicatie betrof imitatie van objecten zoals die lekkere bessen waar ze zo dol op was.  Toen de voedselroute van die dag beloofde te gaan langs het bestand van die bessen, was ze ineens heel blij gaan kijken. Haar twee vriendinnen (ik verzin twee vriendinnen) hadden haar vragend aangekeken: vanwaar die plotselinge euforie? Toen had ze, in haar verlangen om te communiceren waar ze aan dacht, met hints die bessen geprobeerd te imiteren. Terwijl die zich niet in de omgeving bevonden maar op een verre plek.


Waar het om gaat is: hiermee werd (zoals met de ‘oerknal’) iets totaal nieuws geboren in de natuur.
Want die gebaren-imitatie [bes] is geen bes. Het is een met een gebaar uitgebeeld symbool van het object [bes]. Een ‘afbeelding’ van een [bes]. Een gebaren- naam voor [bes]. Een woord voor [bes].

Dit woordspelletje werd een ‘cultuurtje’ in dat groepje, en tenslotte een groepscultuur voor die VOAP-populatie.
Bij ‘woord’ denkt u meteen aan een gesproken woord. Vooral bonobo’s maken immers bij hun communiceren uitbundig gebruik van hun stem. Grotere kinderen doen bij het ‘aapje spelen’ bonobo-geluiden na.
Maar … als AP’s waren we nog gewone dieren, en dieren hebben geen neurologische (hersenkundige) controle over hun stem! Omdat de stem neurologisch wordt ‘aangestuurd’ vanuit een dieper hersengedeelte. Vanuit de gevoelscentra van het ‘limbische systeem’. Daar heb je als dier geen bewuste (corticale) controle over, zei ik al, en wij ook niet altijd.
Schreeuwen en (later) zingen konden de VOAPs als de besten, maar voor hun talige communicatie (met namen voor de dingen), die je bewust praktiseert,zouden ze nog miljoenen jaren aangewezen blijven op hun bewust aangestuurde gebaren.

De AP’s waren echter allerminst doofstom zoals onze doven met hun doventaal.  Dus bij het vormen van hun groeiende woordenschat aan namen voor de dingen maakten ze overvloedig gebruik van geluiden die ze wél, namelijk mondspier-(over spieren hebben dieren wél bewuste controle)-gevormd, konden maken: medeklinkers zoals t-k-f-s-ch-p en tig andere klik!-geluiden. De neocortex (zie plaatje) waarin ons bewustzijn huist, stuurt de spieren (dus ook de mondspieren) aan.
Maar niet de stem dus. De chimp-baby’s die in de jaren 60 in Amerikaanse gezinnen als taal-experiment opgroeiden samen met eigen baby’s, leerden wel papa en mamma zeggen maar zonder de a, en cup (beker) en pup (pop) maar zonder u en o.

Moderne Mensen (tegenwoordig als sapiens aangeduid) kregen steeds meer corticale controle over hun stem. Konden soms communiceren zonder daar hun handen bij nodig te hebben Typische vrouwen-uitvinding dus: vrouwen hebben altijd hun handen vol met van alles, maar willen toch voortdurend klessebessen.  Zo waagde ze het met een ‘stalen gezicht’ te liegen. Waar ze dat als Vroege Mensen (zoals de Neanderthal-mensen nog steeds waren) dat nooit hadden gekund: veel te veel spieren en spiertjes om die allemaal onder bewuste controle te houden.  


Evengoed gebruiken wij nog steeds onze gebaren als ondersteuning. Hoe emotioneler, des te breder onze overige lichaamstaal en gebaren. Onze woorden komen zelfs beter ‘los’ als we er gebaren bij mogen maken. En als je goed oplet (bij een televisiedebat bijvoorbeeld) zie je dat de gebaren een fractie sneller te zien zijn dan de woorden te horen.


Het gaan beschikken over namen voor de dingen doét iets met een dier. Het doet vijf dingen.

Vijf dingen. Als u die paraat hebt, weet u voorgoed wat ons van dieren tot mensen heeft gemaakt.

1.  Een naam voor een ding ís niet het ding. Er gaapt een onoverbrugbare kloof tussen het ding en de naam (symbool, woord) ervan/ervoor. Leuke afbeelding hierbij is het ‘statement’ van René Magritte uit 1929. (“O nee? Probeer hem maar eens te stoppen!”)

Waar het om gaat is: er is door het gaan benoemen van de dingen een denkbeeldige (mentale, geestelijke, spirituele) afstand tussen de ‘benoemer’ en het ‘benoemde ding’ ontstaan. Door steeds meer dingen van hun omgeving een naam te geven, kwam er ‘licht’ tussen de VOAP’s en hun (benoemde) omgeving. Althans mentaal (geestelijk, spiritueel).
We kwamen gevoelsmatig een beetje ‘los’ van onze omgeving. Terwijl onze mededieren daar willoos onderdeel van bleven uitmaken. Werden wij slimmer?

Nee hoor. Eerder het tegendeel! Moet ik even uitleggen. Eerst iets over DENKEN.
Dieren denken ook. Een dier (vooral de ‘hogere dieren’) hebben ook allemaal de denkbeelden van de dingen uit hun omgeving in hun brein. Als een leeuw niet zou kunnen denken, zou hij niet kunnen jagen. Denken is namelijk: het in je brein afspelen van verschillende scenario’s voor je handelen in verschillende situaties. Om daar dan het beste uit te kiezen.
Het ene individu is daar beter in dan het andere en het is ook een kwestie van ervaring en leeftijd. Je hebt slimme honden en domme. Je hebt ook slimme en domme rassen bij honden. Nee, niet bij mensen! Qua DNA bestaan er geen verschillende rassen tussen hedendaagse mensen.

Maar dieren, ook groepsdieren, hebben geen namen aan de denkbeelden van de dingen van hun leefomgeving. Ze kunnen er niet met elkaar over communiceren. Wat ze wél kunnen bij het zien/horen/ruiken/voelen van dingen is: elkaar er attent op maken. Op hun soorteigen manier.  Stimulus/respons reacties noemen de paleo’s[8] dat.
Wij waren ook dieren, totdat we door het meidenspelletje er namen voor ontwikkelden. Wij zijn daarmee een al bestaande vorm van communiceren gaan verrijken, uitbreiden.
 Er kwam afstand tussen subject (de benoemer) en object (het benoemde ding). De VOAP’s konden voortaan de dingen objectiveren. Ze kwamen er ‘afstandelijk tegenover te staan’, kun je ook zeggen. De VOAP’s raakten van hun omgeving mentaal (spiritueel, geestelijk) los, ook van hun mededieren die er, nogmaals, willoos onderdeel van bleven.

2. Met een naam ‘grijp’ je het denkbeeld van het ding. Je kunt een naam zien als een handvatje aan het ding, waarmee je er ‘vat’ op krijgt’. Je kunt het er mee beetpakken en het overreiken aan de ander, die het ‘vatten’, be-‘grijpen’ kan. Daarmee krijgt die het (als denkbeeld) ook in zijn brein. Als ik zeg ‘wc’, dan heeft de ander onmiddellijk het beeld van een wc in z’n brein.

Maar wel allemaal een ander beeld, denk ik. Want hoe kom je aan zo’n denkbeeld? Door als kleuter tig keer met een wc geconfronteerd te zijn geweest. De wc van mama/papa. De wc op de crèche. De wc bij oma/opa. Met telkens dezelfde naam er bij.
Als baby ben je al enorm gefixeerd op het opslaan van de gewaarwordingen van de dingen (met je zintuigen), en die sorteer je dan: dit hoort bij dit en dat hoort bij dat. Als baby ben je indrukken aan het verzamelen, zoals je later postzegels verzamelt. Pas als je er een boel hebt, kun je gaan sorteren, van dit hoort bij dit en dat bij dat. Daarom zijn baby’s ook zo snel afgeleid: de tijd dat ze wakker zijn, willen ze gebruiken om denkbeelden van de dingen op te slaan in hun geheugentjes. En als ze in wieg of kinderwagen liggen, beginnen ze terecht te blèren: hen wordt de gelegenheid om verschillende indrukken op te doen, ontnomen. Die ‘heel rustige baby’s’ blijken later vaak niet de slimste. Maar verschil (diversiteit) moet er zijn.

 Als kleuter ben je er ook op ‘gebouwd’ om telkens als je met zo’n ding geconfronteerd wordt, er de naam van te onthouden. Bij ‘wc’ is dat niet alleen die bij mama maar ook die bij oma en die op de crèche. Steeds andere wc’s maar de naam is steeds hetzelfde. Dus al gauw snapt de kleuter als jij het over ‘wc’ hebt, wat je bedoelt. Snapt je huisdier ook. Maar je kleuter heeft vóór op je huisdier dat het een mens is, ‘gebouwd’ met een taal-aanleg.
De kleuter be-grijpt ‘wc’ met de naam ervoor. Heeft het concept ‘wc’ in haar breintje. Ze kan met de naamervoor ‘wc’ niet alleen met jou communiceren maar ook met zichzelf, in haar groeiende ‘talige bewustzijn[9]’.
Zo kan een kleuter ineens opgetogen tegen je zeggen: “Ik ben Iris!!”. Voortaan zult u dan begrijpen dat dit voor een kleuter een even euforisch gebeuren is als het ineens los op twee benen kunnen lopen. Het ineens beseffen dat haar naam hetzelfde is als ‘ik’ of ‘jij’.

Grote ontdekkingen voor een man als ik. Niet alleen dat een vrouw een mens is zoals hij zelf, maar ook dat een kind een mens is. 

Onze VOAP’s zijn het pad opgegaan van het gaan ‘begrijpen’ van de dingen. Dat pad leidde hen de dierenwereld uit, leidde hen uiteindelijk naar ons, naar het mens-zijn. Op dat pad bevinden we ons nog steeds, en er is geen terug naar het niet-begrijpen. We kunnen alleen maar verder op dat pad, naar het steeds beter begrijpen van de dingen. Progressief zijn is diep-menselijk. Bij conservatief zijn spelen (vermeende) politieke belangen.  

3. Met een naam voor de sabeltandtijger kregen de VOAP’s ‘vat’ op dat gevreesde dier. Ze kregen er ‘grip’ op. Dat verminderde hun instinctieve angst voor het monster een beetje. Ze bleven ervoor op hun hoede, natuurlijk, maar de blinde paniek ging er af. Het gekke is: het leek een beetje op hun kunnen gooien met stenen. Wij zeggen ook nog wel eens: ik doe er een gooi naar. Mensen die te horen krijgen dat ze kanker hebben, voelen ondanks de klap toch ook iets van opluchting; ze voelden al lang dat er iets heel fout was in hun lichaam en waren bang. De vaststelling van de ziekte geeft het toch een gevoel van ‘grip’: het heeft een naam, en komt daarmee onder controle. Vanaf dan gaan ze er vastberaden gezonder door leven. Zo lang dat helpt.

Dat ‘vat’ krijgen op iets of iemand is ook een aantasting. Bij ‘wilde stammen’ mag je een volwassene nooit bij zijn naam noemen, je moet de persoon omschrijven. Bijvoorbeeld ‘vader van’, want een kind mag je nog gerust bij zijn naam noemen (bij ‘wilde stammen’ altijd diens oudste zoon). Iemand bij zijn naam noemen wordt gevoeld als aantasting van de integriteit van de persoon.
De Joden met hun ‘wilde stammen’-godsdienst mogen hun God nog steeds niet bij zijn naam noemen.
Wij hebben ook de neiging om onze vrienden en gelieven niet bij hun naam te noemen maar een koosnaam of afkorting te gebruiken – tenzij we er boos op zijn (afstand van nemen).

Iemand afbeelden heeft hetzelfde gevoelsmatige effect. Vandaar ook Magritte’s pijp-afbeelding die evenmin een pijp is als het woord ervoor.

De moslims moeten het niet wagen om Mohammed af te beelden, of zelfs enig mens of dier. Afbeelden mag niet, punt uit. Een ‘wilde stammen’- standpunt: het zijn Bedoeïenen. Een pre-islam standpunt, zoals ook hun besnijdenis en hun Ka’aba en nog veel meer islam-elementen pre-islam zijn. Hoe betwijfelbaarder een geloof is, des te fanatieker is de verdediging ervan. Dat ‘wilde stammen’-karakter heeft de islam gemeen met het judaïsme, het geloof van de Joodse stammen. Wat maakt het christendom dan beschaafder? Het hellenisme en gnosticisme van zijn stichter Paulus misschien?
 Maar de Kerkvaders hebben wel de ‘wilde stammen’-bijbel van het judaïsme als hun ‘Oude Testament’ gehandhaafd, en veel van Paulus’ gnosticisme weg-geconcilieerd.
God-geloof is nog een zwak en tribalistisch beschavingsvehikel. Maar ik dwaal af.

Met de naam voor de dingen kregen de VOAP’s gevoelsmatig macht over de dingen. Dat heeft ertoe geleid dat ze (ik schat zo’n 4 mjg al) het vuur zijn gaan gebruiken in plaats van er, zoals hun mededieren, in paniek voor op de loop te blijven gaan. Over dat belangrijke moment dadelijk meer, eerst deze opsomming af maken.

4. Met namen voor de dingen konden de VOAP’s voortaan kennis, door de ene generatie opgedaan, overbrengen op de volgende. Kennis kon zich bij hen gaan opstapelen, waar kennis (Vernunft) bij niet-menselijke dieren cultureel-evolutionair oneindig veel trager groeit.

5. Met namen voor de dingen konden de VOAP’s ieders individuele scherpzinnigheid op één hoop gooien. Twee weten meer dan één, en met een hele groep kun je grote problemen aan. De VOAP’s konden brainstormen. Dat is de kracht van het mens-zijn. De kracht van de democratie ook, in tegenstelling tot dictatuur, waarin het slimste deel der mensheid monddood gemaakt wordt en die altijd tot achterlijkheid leidt. Gelukkig moet dictatuur het vroeg of laat altijd afleggen tegen democratie. De globaliserende vrijemarkt economie kan er niet mee uit de voeten, zeker niet met die kwaaie hond van het financierskapitaal aan haar been die haar voortschrijden belemmert.

Zo, dat waren de vijf dingen die u echt in gedachte moet houden als u wilt beseffen wat het verschil is tussen mensen en alle overige dieren. Een inzicht dat alle vroege filosofen hebben moeten ontberen. Pas vanaf de jaren 70 mag ik de filosofiebeoefening wat gaan verwijten.


Met hun namen voor de dingen konden de VOAP’s plannen beramen. Vooral nadat ze ook het vuur waren gaan gebruiken werden ze van bange troepjes aapmensen de hooligans van de savanne.

 Zijn we echt wel bijzonder, met onze namen voor de dingen? Lazen we niet over dat onderzoek aan die Amerikaanse grondeekhoorntjes die in hun waarschuwingskreetjes onderscheid maken tussen coyote, hond en mens, en zelfs in eigenschappen zoals snelheid en kleur? En de taal van orka’s en dolfijnen, en van olifanten, en chimpansee-kreten? Zijn dat soms ook niet namen voor dingen?
Nee. Het zijn reacties bij het gewaarworden van dingen. Het zijn stimulus/respons reacties.

De grondeekhoorntjes van onderzoeker Slobodchikoff[10] zijn inderdaad intens sociale groepsdiertjes. Maar ze kunnen, terug gevlucht in hun holletjes, het niet met elkaar over die gevaarlijke hond hebben.
Hoe ik dat zo zeker kan weten? Dan zouden we dat al láng hebben gemerkt. Want namen voor de dingen doen vijf dingen met een dier.

Pure speculatie, toch, dat Hints-spelletje? Zeker, en ik ruil het meteen in voor iets beters. Maar kom niet aan met een gen-mutatie, zoals Harari doet in zijn Sapiens (2011), of een cosmic ray shower, zoals Chomsky eerder eens (weifelend) opperde. Want die verklaringen roepen meer vragen op dan ze beantwoorden, en mijn meidenspelletje overleeft al twee decennia van naarstig studeren. Nogmaals, ik ruil het meteen in voor iets nog beters. Maar ik durf te speculeren dat er niets beters zal komen, zo voor-de-hand-liggend vind ik mijn Hints-spelletje als ‘oerknal’ van ons taalvermogen en ons talige bewustzijn. En de astronomen-oerknal is ook nog steeds speculatief, al is die heel bruikbaar gebleken en wordt die steeds meer bevestigd …

Met hun namen voor de dingen kregen onze VOAP’s een (een gevoel van) macht over de dingen en zijn ze het vuur gaan gebruiken in plaats van er, zoals hun gevaarlijke mededieren, voor op de loop te blijven gaan. Zo konden ze voortaan op de grond blijven overnachten, rond een kampvuur, in plaats van tegen de avond ieder voor zich een nest te gaan maken hoog in een boomkruin. Dat voegde vele uren toe aan hun dagen. Nachtelijke uren die zich alleen leenden voor communicatie. Waarmee hun taalvermogen met sprongen vooruitging en versneld evolueerde van proto-taal naar echt taal. Want die avondlijke uren brachten ze door met performances[11] (voorstellingen), van na-spelen (en dus verwerken) van beangstigende gebeurens overdag bij het foerageren.

Door het vuurgebruik gingen ze koken/braden, kregen een voedzamer dieet (onze hersenen verbruiken 20 % van de energie uit ons voedsel), werden ze groter van gestalte, hoefden ze ook minder zwaar te kauwen (daardoor gingen hun koppen er minder aapachtig uitzien), evolueerden ze tot H. erectus. Met het vuur konden ze ook (hun prooidieren achterna) migreren naar koelere streken buiten de tropen.
Dat ‘migreren’ ging overigens traag. Wanneer een groep door wat voor omstandigheid dan ook het niet redde, trok die in bij een groep die in betere doen was. Daar zulke omstandig-heden vaak meer groepen trof, werd de ‘betere-doen’-groep al gauw te groot (en de voedsel-regio niet) en vertrok een groepje jonge vrouwen, kinderen en mannen om een nieuw leefgebied in gebruik te gaan nemen.  Aha, nu komt het humanosofische Scheppingsverhaal eraan!

Het groepje trok nooit te ver weg: ze bleven elkaar nodig hebben, voor partners, voor dingen die het nieuwe gebied niet bood, en om nieuwe dingen te ruilen; dus een dagreis of tien; maar op zo’n trage manier moet men zich dat ‘migreren’ voorstellen, olievlek-achtig.
Dat groepje eerste ‘kolonisten’ waren de eerste mens-achtigen die daar de dingen hun namen gaven! Voor hun nakomelingen, nog steeds hun Feierabenden vullend rond het kampvuur, werd dat vooroudergroepje, ingedikt tot één scheppende Figuur, de Grote Voorouder, die hun stamgebied had geschapen. Want voor mensen bestaan de dingen pas als en in zoverre ze er een naam voor hebben.   (Vetgedrukt, want het is hét humanosofen-axioma.) 

We zingen het zelfs met carnaval: Dat is het einde – Dat doet de deur dicht – Daar zijn geen woorden voor – Ja dat is láá-la-LAA-á-álala – Ja dat is …).

Een axioma ja. De naam voor het ding IS niet het ding. Ceci n’ests pas une pipe. De naam van het ding (woord voor het ding) is slechts het mentale ‘handvatje’ aan het denkbeeld van het ding.  Er is een onoverbrugbare mentale kloof tussen het fysieke ding en de naam ervoor. Steeds meer namen voor steeds meer dingen, tenslotte bestond de hele leefomgeving van de vroege mens uit ‘benoemde’ dingen en leefde hij in een ‘benoemde’ wereld, een woordenwereld. En in die mate (ja, welke was dat, wie maakt dat uit?) werd hij ‘mens’.

Uitmaken wanneer het was dat onze vroege voorouders van aapmensen tot mensen werden valt alleen af te leiden van ‘harde feiten’. Bijvoorbeeld de fossiele schedels: niet langer aapachtig (zwaar kauwen) maar mensachtig (minder zwaar kauwen: vuur).  

Maar ook gedrag. Ook savanne-chimpansees zijn vertrouwd met de mogelijkheden van de savanne-branden[12], maar er gebruik van te maken zoals onze VOAPs dat hebben gedaan, daarvoor missen ze de vijf dingen die het beschikken over namen voor de dingen doét met een dier. Niet langer stenen alleen om mee te gooien, maar ook tot tools gemaakte stenen (om te slachten en te schrapen). De oudst gevonden tot nu toe van 3.4 mjg bij Lomekwi (Kenia). 

Een ander verhaal is het dansen/zingen van hun Scheppingsverhaal. Het wijst onmiskenbaar op hun wereldbeleving (Dasein) als een wereld van woorden. Een ‘geschapen’ wereld. Geschapen door hun Grote Voorouder. Dat was nooit een man, noch een vrouw (klopt, het was een groep). Het was een mythisch Wezen, half mens- half dier (klopt, geschapen naar hun eigen beeld en gelijkenis, nog halverwege het van dier tot mens worden.

Maar wanneer valt dit archeologisch hard te maken?
Ad Borsboom beschrijft in zijn De clan van de Wilde Honing (1996) het Scheppingsverhaal van zijn Aboriginals-onderzoeksgroep. Het in gebruik nemen van hun nieuwe stamgebied kan gedateerd worden: rond 65,000 jg. Dat is alvast iets aantoonbaars,
Hun Grote Voorouder, Djareware, kwam op een bepaald punt zijn stamgebied binnen en schiep op zijn tocht alle bergen en heuvels, kloven en moerassen, bomen en dieren en vruchten. Hij kon zich zowel door de lucht als onder de grond voortbewegen. Op een bepaalde plek schiep hij ook de zielen, die bij een vrouw als ze daar voorbijliep, konden binnendringen en bij haar een nieuw mensje laten beginnen. En als je doodging, keerde je ziel terug naar die plek om daar een nieuwe kans af te wachten. Op het einde van zijn scheppende tocht verdween Djareware op een andere plek weer onder de grond.

Geen stam heeft het ooit zonder zijn Scheppingsverhaal kunnen of hoeven stellen. De priester-antropoloog Wilhelm Schmidt[13] (1868-1954) leidde daar terecht uit af dat ook de oudste stammen al een primitief Godsidee moeten hebben gehad.
Maar is er ook archeologisch bewijs? Nou ja, bewijs … een aanwijzing dan?

Jawel. Ik wijs op de opgravingssite bij Bilzingsleben: drie hutten met daarbij een vlakgemaakt ‘pleintje’ als dansplaats, van rond 300.000 jg. voor het avondlijke dansen/zingen van het Scheppingsverhaal van hun wereld (stamgebied). En zo weet ik er nog een in Afrika (ga ik nu niet opzoeken).

Vanwaar zo nodig dat dansen/zingen
Dat spruit voort uit die (gepostuleerde) nachtelijke performances, de nagespeelde emotionele gebeurens van overdag. Hoe mooier, des te aantrekkelijker om dat een vaste plek van de dag te geven, de Feierabend om het overdagse voedsel- en brandhoutverzamelen naar toe te leven. Mooier wat?
Wel, de betekenisvolle gebaren, begeleid van steeds langere kreten. Gebarentaal is lichaamstaal, het hele lichaam doet mee en vooral ook je hele gezicht. En dat generatie op generatie, hoe mooier des te aantrekkelijker. Dus dat gaat steeds meer op ballet lijken.

En graag ook samen, iedereen doet mee. Het gaat steeds meer op dansen lijken. De emotie-geladen stemgeluiden langgerekter, dat wordt steeds meer zingen.


Ja, maar waarom zo nodig?
Ah, ze waren niet alleen dansende en zingende apen[14] geworden, ze waren ook tobbende apen geworden.  
Het laatste ding dat ik als vijfde noemde was, dat de VOAP’s met hun namen voor de dingen´ konden brainstormen: ieders vindingrijkheid op één hoop gooien, bij het oplossen van problemen en plannen maken.

Als dieren werd hun handelen nog voornamelijk gestuurd door aangeboren gedrag als reactie op bepaalde omstandigheden (door hun instinct dus). Als de omstandigheden van het dier stroken met zijn daarop afgesteld instinct, kent het dier geen onzekerheid.

Maar de VOAP’s werden erectus-mensen en hun handelen werden steeds meer resultaat van gezamenlijk brainstormen!
Je kunt natuurlijk geen twee kapiteins hebben op het schip van je besluitname, en onze voorouders kozen steeds meer voor het onderdrukken van hun instinct. Waardoor het atrofieert: use it or loose it!
Doordat hun begrijpen van de dingen nog maar op een heel laag niveau lag, en ze hun dierlijke instinctzekerheid wegdrukten en lieten verschralen, raakten ze ten prooi aan onzekerheid.
Daar valt natuurlijk niet mee te leven, en dus ontwikkelden ze van meet af aan twee zekerheid verschaffende mechanismen: herhalen en geloven.


Herhalen
: De dingen precies doen zoals ze altijd al door hun voorouders gedaan werden: traditie, gewoonte. De Vroege Mensen waren oer- en oerconservatief. Hoe vroeger terug in de tijd, des te conservatiever ons voorgeslacht. De paleo’s raken niet uitverbaasd over de vuistbijl: anderhalf miljoen jaar hetzelfde ontwerp! Mijn verklaring is dus: de aanvankelijk extreme onzekerheid, dus aanvankelijk extreme behoudzucht. Geen millimeter willen afwijken van hoe de voorouders de dingen altijd gedaan hadden. Een verklaring temeer is dat de vuistbijl vooral een vrouwenwerktuig was, en voor vrouwen hoeven dingen die werken sowieso niet te veranderen. Eten voor de kinderen, zorgen voor alles, dát is belangrijk.
Maar als veranderen moét, zijn de vrouwen de eersten die niet bij de pakken neer blijven zitten en er mee aan de slag gaan!

Een andere vorm van herhalen: wanneer iemand rond het kampvuur een talige bedenking voordanste, werd die door de anderen eindeloos en met veel emotie herhaald. Elke avond dezelfde dansen, en daar geen millimeter van afwijken. Ze hadden het gevoel dat, als ze het Scheppingsverhaal van hun (woorden)wereld niet langer zouden dansen/zingen, die zou ophouden te bestaan. En gevoelsmatig (spiritueel, geestelijk) klopt dat best wel.
Zingen … zingen in het donker maakt je minder bang, of is in elk geval een beetje rustgevend: het is oergedrag, de Vroege Mensen, en de pristiene AMM’s, zongen bij alles en vooral bij het lopen en doen. Denk ik meteen weer aan dat filmpje van Zuid-Afrikaanse weg-arbeiders, die hun werk zingend verrichtten. En aan de griendwerkers die mijn belangrijkste zegsman voor mijn doctoraal taalkunde zich herinnerde uit zijn vroege jeugd: in alle vroegte naar de haven lopend, psalmzingend. Vierdaagse-liedjes. Stadion-hymnes.

Onder herhalen valt ook: repeterende bewegingen. Ritme bij het dansen/zingen.
Herhalende bewegingen maken ook nog eens rustgevende endorfines vrij. Daarbij denk ik onmiddellijk aan die ene olifant in het oude Burgers Zoo die ik eindeloos zijn voorpoten zag kruisen, met op en neer zwaaiende kop en slurf – in gedachte was hij urenlang op weg door de savanne. Daardoor is lopen ook rustgevend. Joggen is voor joggers echt geen straf. Als je opgewonden bent, ga je ‘ijsberen’ om tot rust te komen.

 Geloven: dat de dingen zijn zoals je graag wilt dat ze zijn. Of dat ze zijn zoals iemand met gezag zégt dat ze zijn. Geloven in de werkzaamheid van bepaalde uitingen of handelingen of voorwerpen: magie.

Wanneer de ene mens de baas gaat spelen over de andere, of de ene groep over de andere – maar daar is 99,5 % van de tijd dat we mensen zijn, geen sprake van geweest – komt hier het bastion van heiligverklaringbij. Heilig is: mag je niet aankomen of aan twijfelen. De heiligverklaring is het bastion van de patriarchen voor de onaantastbaarheid van het geloof.

Waar je niet weet, vul je het vreeswekkende gat op met geloof. Daar is helemaal niks mis mee … behalve in een situatie van ongelijkheid. Dan kan die ‘zelfgebakken’ invulling voor de heersende elite politiek zo belangrijk zijn dat die wordt heiligverklaard. Dan wordt het geloof tot een blokkade voor het vrije onderzoek dat het vreeswekkende gat écht zou kunnen opvullen. Moslims zullen nooit vrij worden zolang ze hun Koran als heilig – dat is: onaantastbaar, mag niet aan getwijfeld worden – blijven beschouwen.  

Heb ik intussen het ‘scheppen’ verklaard?
Axioma: voor mensen bestaan de dingen zodra ze er een naam (woord) voor hebben. Dichters behoren met de beeldende kunstenaars tot de scheppende kunstenaars. “Dichters liegen de waarheid”, zei Bertus Aafjes (1914-1993), maar ik zou zeggen: ze scheppen hun werkelijkheid. Scheppen (creëren) is: doen ontstaan. Uit het niets? Ik zou eerder zeggen: andersom. Beeldende kunstenaars doen het met materiaal (materie). Dichters met woorden. Maar woorden zijn juist niet materieel. Een pijp is materie, maar het woord ‘pijp’ kun je niet vullen met tabak en die daarmee oproken, zoals Magritte opmerkte. Het woord ‘pipe’ kon hij wel opschrijven en lezen. Maar zonder het woord ‘pipe’ af te beelden en op te schrijven is het uitspreken van ‘pipe’ slechts ‘uitstoting van lucht’, zoals nominalist Roscellinus van Compiègne (1050–1124) al stelde, in de toen nog levensgevaarlijke universalia-discussie van zijn dagen. Want is ‘God’ dan ook slechts uitstoting van lucht? schreeuwde zijn tegenstander Anselmus hem dreigend toe. Roscellinus trok zijn keutel haastig in. Een halsstarrigere denker, Giordano Bruno, eindigde zijn leven op de brandstapel.

Conclusie

Mijn betoog is een aansporing voor onze leidende filosofen (zijn er die nog?) om in te zien dat de filosofiebeoefening in de jaren 70 met het postmodernisme echt een verkeerde en onwetenschappelijke weg is opgegaan. Dat het postmodernisme heeft geleid tot het in ideologische kou van het NIX laten staan van de westerse mens. Met alle kwalijke effecten op die westerse mens van dien: nihilisme bij onze jongeren, zinloos geweld, asociaal gedrag bij de lui die bij het ‘grote geld’ kunnen, neoliberalisme (het loshaken van de ‘kwaaie hond’ van het financierskapitaal dat aan de overheidsketting moet blijven), omvallende banken, bezuinigingen, populisme, Brexit en Trump.


De overige mensheid had tenminste nog de loden jas van het monotheïsme, of het rieten dak van boeddhisme en weet ik veel nog ander geestelijk onderdak (in die warme landen hebben ze immers geen jas? Ach, ik verlies me in mijn metafoor.) In elk geval heeft het postmodernisme een VLOEK betekend voor ons samenleven – wat ik zelf ook pas laat door begon te krijgen.

De strekking van mijn essay is dat academische filosofische antropologie zich kan her-uitvinden door gebruik te gaan maken van de menswetenschappen in plaats van er met de rug naar toe gekeerd te blijven zitten. Bladerend in geschriften van al lang dode filosofen, wat die over ‘de mens’ hebben gezegd. Maar die beschikten nog niet over relevante discpline-wetenschappen en waren op hun gutfeeling aangewezen.
Ik zeg dus: maak werk van de opdracht van Verlichtingsfilosoof Kant: het in kaart brengen van ‘de mens’. Vul het gat op dat de Kerken hebben achtergelaten. Dringende oproep gezien de akelige noodtoestand van de nauwelijks te keren klimaat-kettingrectie van Aarde, waarbij de hedendaagse filosofiebeoefening niet eens meer als serieuze hulpwetenschap geldt[15].

En hiermee ben ik bij het vraagstuk waar Joke Hermsen haar essay mee eindigt.
Het is tijd om het roer om te gooien en de twee werelden die wij bewonen van een gewisse ondergang te redden. En dat kan alleen als we gezamenlijk het gesprek voeren, waarin de verschillende wegen naar ‘het nieuwe anders’ gestalte kunnen krijgen.

Nou, dan ben ik toch helderder over dat ‘roer’ en over die ‘gewisse ondergang’. En over dat ‘gesprek’ vooral. Maar oké, ze heeft het er in elk geval over.  


De filosofiebeoefening heeft nog steeds haar waarde en taak niet door. Wat is die waarde en taak?

De filosoof heeft de luxe om als hoog opgeleid en betaald vakman te denken voor de massa der mensen.  De gewone mensen hebben al moeite genoeg met het zonder kleerscheren halen van het eind van de maand, dus ‘geen denken aan’ het halen van het eind van de eeuw. 

En we zijn als mensheid in nood. We zijn bezig, ons eigen voortbestaan op de enige planeet van ons ontstaan, in gevaar te brengen.  Juist door ons ondoordachte denken, dat door het postmodernisme ook nog eens ernstig is verzwakt. Als mensheid zitten we als in een koets, voortgetrokken door trekpaarden van de wetenschap, met hun oogkleppen voorthollend naar een afgrond, en de pony van filosofie ernaast meehollend om het span analytische filosofie toe te hijgen. Met niemand op de bok. Daar zaten eens de Kerken maar die zijn er door de wind of change van de vrijemarkt afgeblazen. De filosofische antropologie op de bok nu, voor het te laat is! 

De humanosofie is soort van theologie: zij legt uit hoe wij, mensen, God hebben geschapen. Niet zomaar door het concept ‘GOD’ als naam ín het bestaan roepen. Maar door het índikken’ tot één Figuur als ‘De Grote Voorouder’, van het eerste groepje dat het nieuwe leefgebied van de stam koloniseerde. Het concept ‘God’ heeft miljoenen jaren de beleving van de menselijke (mentale, spirituele) woordenwereld historisch (cultuur-evolutionair) bepaald. Het is soort van overerfelijke religieuze neiging geworden. Zoals Dorothee Sölle (1929-2003) al stelde met haar: “De Mens is ongeneeslijk religieus”– zonder het nog te kunnen onderbouwen. (Hoewel, ik ben van 1933 dus slechts 4 jaar jonger dan zij. Maar ja, een theologe, hè, geen portrettekenaar).
De middeleeuwse westerse filosofie werd door de Kerken tot dienstmaagd van de theologie verklaard en naar de keuken verbannen. De filosofie moet nu eindelijk de oorspronkelijke positie waarmee ze in de Ionische stadstaten (handelssteden!) begon, hernemen.
Moet nu echt haar taak als vertegenwoordigster van het denken van ‘de mens’ op zich gaan nemen. De filosofie had bij het leeglopen van de kerken al het ideologische gat moeten opvullen, gebruik makend van de opbloeiende menswetenschappen, in plaats van die de rug toe te keren. Maar het is nog niet te laat. Filosofen, maak je meester van dit amateuristische[16] humanosofische vertoog en doe het vakkundig.


Maar ook het vakkundige werk zal nooit een humanistische ‘bijbel’ worden, aangezien de genoemde menswetenschappen maar door blijven wroeten in het nog ongewetene en nog niet blootgelegde. Het werk zal met de mensheid blijven meegroeien.

Het moet een wereldwijd universitair beoefend project worden dat nooit af zal zijn maar wel steeds steviger in elkaar komt zitten.
Mijn DE MENS voor dummies (nog in ms maar voor wie wil, uitprintbaar) telt 130 A4 en bevat dus heel wat meer dan dit essay.      

Filosofen, maak de filosofische antropologie weer de boom, zodat de menswetenschappen als takken weer vastigheid en voeding krijgen. En de mensheid vaste grond onder de denkvoeten.

Frans Couwenbergh, humanosoof

PS. Weet u nog die vijf dingen die namen voor de dingen doén met een dier?  


[1] John Hughlings Jackson (1835-1911) : “We speak, not only to tell others what we think, but to tell ourselves what we think.”

[2] In zijn boekje DE MENS voor dummies (nog in ms maar opvraagbaar)

[3] Ik begin beetje te balen van dat over mezelf ‘de humanosoof‘ te noemen: een echte schrijver als Joke Hermsen noemt zich toch ook ‘ik’?

[4] Stefan Paas & Rik Peels God Bewijzen (2013)

[5] Vooral Kalahari Hunter-Gatherers.!Kung San and their neighbors. Richard B. Lee and Irven DeVoore, editors. Harvard U. Press, 1998

[6] “Klimaatopwarming zaak van politici, schrijvers en kunstenaars”(https://www.nrc.nl/nieuws/2017/09/15/ze-zagen-het-dus-echt-niet-13000860-a1573532)

[7] PLOS Biology 28 February 2018

[8] Sorry, alle wetenschappers die van belang zijn voor ons ‘dragende verhaal, duid ik aan als ’paleo’s

[9] Zo, hier laat de humanosofie meteen zien dat zij echt “HET BEWUSTZIJN VERKLAARD” heeft, en niet Dennett

[10] “Can Prairy Dogs Talk?” by Ferris , May, 12, 2017

[11] Niet alleen mijn gespeculeer: ook dat van bijv.  Steven Mithen in Singing Neanderthals (2006)

[12] Het verhaal van Jill Pruetz over de savanne-chimpansees in Fongoli (Senegal) Science, Dec.22, 2009

[13] Ursprung der Gottesidee (12 delen, 1912-1954)

[14] Een van mijn vroegst aangeschafte boeken over mijn zoektocht naar ‘de mens’ was De Naakte Aap (1967) van Desmond Morris … maar dat vond ik toen al meteen heel onbevredigend

[15] Derk Walters “Klimaatverandering zaak van politici, kunstenaars en schrijvers” (NRC, 15 sept. 2017)

[16] Hé, Gr. philein = Lat. amare (+ Gr. sofia-wijsheid)

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*