9b De geboorte van de EWG (vervolg)

De EWG is aangekleed in Babylon.

 De Israëlische priesters van de tempel van het Judese Jeruzalem – ik noem ze vanaf nu de Judaïsten – zijn dus de uitvinders van de Enige Ware God (hier: EWG).

Zoals in Post 9a uiteengezet waren ze niet de eersten die op dit nieuwe idee kwamen, in een religieuze wereld waarin beschavingen en culturen over pantheons (tempels waarin aan een veelheid van goden kon worden geofferd) beschikten. Ik noemde Zarathustra als de eerste en oudste, maar misschien was het project van de Egyptische farao Achnaton (1351-1333 vC) voor hen een inspiratiebron, want dat was ook een politieke manoeuvre. Zelf denk ik dat hun politieke project vooral geïnspireerd werd door hun nostalgie naar het Groot Israël zoals het in de dagen van Omri en Achab machtig was geweest.

Ze hadden al een eerdere poging gewaagd, onder koning Hizkia in 700 vC, maar die was op niets uitgelopen wegens een te kleinschalige opzet. Maar in 622 vC hadden ze het allemaal beter voor elkaar en stond bovendien grootmacht Assyrië op instorten. Helaas bleken de overwinnende Babyloniërs onder Nebukadnessar al even oppermachtig en leidde hun poging nu tot de totale verwoesting van de Tempel, in 587 vC, en het in ballingschap afvoeren naar Babylon van de hele priesterij.

De Judaïsten namen hun Jahwe-project mee. Dat bestond uit de boekrol die ze voor Josia hadden geschreven. Daarin bevrijdt Jahwe zijn uitverkoren volk uit de slavernij van Egypte en voert het binnen het Beloofde Land. Nee, hun tekst kende toen nog geen Mozes. In het rompverhaal klaart Jahwe de klus nog zelf. Het was de beginvorm van het latere Bijbelboek Deuteronomium,  en de eerste aanzet tot de latere Bijbel.

De bijbelwetenschappers (heel andere lui dan de gelovige bijbelgeleerden) zoals Julius Wellhausen (1844-1918) onderscheiden een vijftal (groepen of ‘scholen’ van) auteurs van de aanvullende bijbelboeken. De auteurs maakten grif gebruik van twee belangrijke bronnen: de in Babylon gangbare oude verhalen, waaronder het Gilgamesh-epos,  en het Zoroastrisme, dat ook in Babylon veel aanhang had.
Het Bijbelse zondvloedverhaal is een navertelling van een soortgelijk verhaal in het Sumerische Gilgamesh-epos.  Het verhaal van de toren van Babel, het boek Job en nog veel meer, allemaal verhalen die toen niet alleen in Babylon maar in heel Mesopotamië populair waren.

Ook de Tien Geboden zijn van Sumerische herkomst, te oordelen naar een  kleitablet van rond 2000 vC: ”Ik ben Melchisedek, priester van El Elyon, de Meest Verhevene”, gevolgd door de bekende tien geboden.

Kortom, de Bijbel hangt van jatwerk aan elkaar. Wat overigens normaal was in die dagen en dat zou het nog heel lang blijven. Lezen en schrijven was aan weinigen voorbehouden.

Het boek Genesis, als eerste der boeken van de uiteindelijke Bijbel, is er overigens als laatste aan toegevoegd. Ook weer als Judaïstische bewerkingen van in Mesopotamië levende verhalen. Het bijzondere is dat Genesis er twee versies van bevat, afkomstig van twee ‘scholen’ baardmannen die het niet eens werden en dus dan maar elk hun versie in de Bijbel kregen.

De ontleningen aan het Zoroastrisme zijn al even belangrijk geweest. Om te beginnen de figuur van Mozes. In Gathas Y31 lezen we dat Zarathustra een berg op klimt en daar God ontmoet, die hem van alles meedeelt. Zarathustra krijgt van God de opdracht de mensen op te roepen om te leven naar de kennis van goed en kwaad in henzelf. Daar zouden de Judaïsten helaas een andere draai aan geven. Maar de Mozes-figuur was uiterst bruikbaar voor hen: zo hoefden ze niet steeds Jahwe zelf ten tonele te voeren.

De belangrijkste bijdrage van het Zoroastrisme voor de vormgeving van het Judaïsme als ook voor die van de EWG-geloven daarna, zijn de volgende tien elementen:
1. Het geloven in één allerhoogste god (conform de ‘aangeboren’ Grote Voorouder’-figuur hoog in de lucht)
2. het niet-aanbidden van deze Allerhoogste in een fysiek maaksel
3. strijd tussen het goede en het kwade
4. engelen en duivels
5. een hemel en een hel
6. Het ophanden zijn van het ‘einde der tijden’ en een ‘laatste oordeel’
7. Beloofde komst van een Messias (verlosser)
8. verwachting van een wederopstanding in het Paradijs
9. een stelsel van ge- en verboden voor individueel gedrag
10. uitgebreide reinigingsvoorschriften voor rituelen.
11. de aanduiding van God als ‘de Here’(Ahura Mazda = grote heer)
12. Het afsluitende woordje ‘Amen’.

Hadden de Judaïsten het Zoroastristische gedachtegoed maar in zijn geheel overgenomen! Dat zou de mensheid een zee van leed hebben bespaard. Maar helaas, de Judaïsten hebben drie eigen elementen tot hoeksteen van hun machtsideologie gemaakt:

  1. De vijandschap tegen elk ander geloof
  2. de uitverkorenheidswaan
  3. de vrouwvijandigheid.Het eerste element behoeft geen nadere uitweiding dacht ik.
    Het tweede is vooral de Joden zelf noodlottig geworden. Al vóór 70 AD leefden er meer Joden buiten Palestina dan erbinnen; alle grote steden van de toenmalige beschavingen kenden grote Joodse gemeenschappen. En toen na de grootste Joodse opstand in 70 AD de Romeinen korte metten maakten, de tempel van Jeruzalem met de grond gelijk maakten en de meeste Joden, voor zover overleefd, uit Palestina verbanden, bestond het Jodendom nog vrijwel uitsluitend in die gemeenschappen.
    Hun uitverkorenheidswaan stond hen niet toe zich met hun gastvolkeren te vermengen, ze bleven er vreemde elementen in. En dat wekt vreemdelingenhaat. Dat de Joden vanwege hun vroomheid zich niet aan onmatigheid en spilzucht te buiten gingen, meestal geletterd waren en goed opgeleid, maakte dat ze vaak ook tot de rijkeren behoorden. Wat aan de vreemdelingenhaat afgunst toevoegde.

Het derde element is vooral de Islam noodlottig geworden. Een beschaving die de slimste helft van haar populatie achter de voordeuren opsluit en dom houdt, moet het vroeg of laat afleggen tegen beschavingen waarin ook de vrouwen hun bijdrage aan het denken kunnen leveren.
De zee van leed welke alle drie de elementen hebben meegebracht, klotst nog dagelijks voort in eindeloze deining (sorry, het is een oprisping, vroeger Nederlands gestudeerd).

 

Het Judaïsme na Babylon
De Pers Cyrus II versloeg de Meden en veroverde Babylon. Als zoroastrist was hij een fatsoenlijk heerser. Wel over een enorm rijk, dat bestuurd moest worden. De bestuurscentra in die tijd waren veelal tempels.
Ook de Judese Joden kregen het verzoek om hun tempel in Jeruzalem weer op te gaan bouwen. Jehud, zoals het voor de Perzen heette, was immers dankzij de inspanningen van de door de Israëlische bijbelschrijvers geminachte koning Manasse van een voor de grootmachten verwaarloosbaar bergstaatje ontwikkeld tot de economische kern van de Joodse gebieden. Het maakte tot nu toe deel uit van de vijfde satrapie van het Perzische rijk, en Cyrus achtte het wenselijk om er een aparte satrapie van te maken.
Ze kregen de door de Assyriërs en Babyloniërs buitgemaakte Tempelparafernalia van hem terug, plus een zak geld.

De eerste groep gola (terugkeerders) omvatte niet alleen priesterij maar ook een aantal Vromen uit het gewone volk, misleid door de ophemelende zangen van een Israëlische priester die later als ‘de Tweede Jesaja’ bekend zou staan voor de Bijbelgeleerden.

Het is een maandlange en uitputtende voetreis, vanuit Babylon langs de Eufraat omhoog naar Harran en dan zuidwaarts naar Damascus. Vandaar naar Jehud, voormalig Juda. De gouverneur van de Vijfde Satrapie, zetelend in het heropgebouwde Samaria, zat niet bepaald te wachten op het verlies van het belangrijkste deel van zijn ambtsgebied, en bood weinig medewerking.
Aangekomen in Jehud troffen ze een voor hen vreemd land, bewoond door een mix van Joden en andere volken. Geheel tegen de hooggespannen verwachtingen van de Vromen in dus. Van het Jahwe-project van de Israëlische priesters en hun Josia restte alleen een overgroeide ruïne. Alleen de Samaritanen uit het voormalige Israël kwamen elk jaar op die puinhopen bidden.
De eerste gola hadden genoeg te stellen met hun overleving en kwamen echt niet toe aan de opbouw van een tempeldomein. Cyrus’ opvolger Darius (521-486 vC) rustte een tweede Joodse delegatie uit, onder leiding van Zerubbabel, kleinzoon van Jojakim. Nu met meer financiële middelen. Ook deze gola moesten eerst weer voor eigen onderdak zien te zorgen. Maar Haggai, een Vrome-priester, wist met zijn geld een aantal Vromen aan het werk te krijgen. De arme bevolking ter plaatse wilde graag mee bouwvakken, maar die werd door de Vromen hooghartig afgewezen: ‘heidenen’! Kwalijk gevolg van de uitverkiezingswaan. Ook Samaritanen wilden graag mee doen. Maar de gola lieten hen niet eens op het bouwterrein toe.
De Samaritanen zagen in dat die puur wettische Vromen zo ver af stonden van hun eigen spirituele EWG-verering, dat ze vanaf nu hun eigen Jahwe-tempel gingen bouwen, in hun eigen land, op de berg Gerezim. Later zou hun tempel door de Joden verwoest worden. Elk jaar nog komen enige honderden Samaritanen daar bidden.
De herbouw van de ‘tweede’ Tempel nam acht jaar. Haggai was intussen geschrokken van de fanatieke houding van de Vromen, en hij had zich door Zacharia, de opvolger van de inmiddels overleden Zerubabbel, laten overtuigen dat de Tempel zo nooit zou kunnen functioneren. Bovendien, de ‘eerste’ Tempel had toch ook altijd ‘heidense’ elementen zoals de heilige paal van Asjera geherbergd? Ze beslisten dat ook de gojim (heiden) welkom zouden zijn in de Tempel.

Die herbergde behalve een pontificaal Jahwe-heiligdom vooral de woon- en werkvertrekken van de priesterij (ambtenarij). Weldra zou het Tempelcomplex ook een prachtige bibliotheek omvatten. Daar zijn de twee boeken Kronieken geschreven. Deze boeken ademen namelijk de insluitende geest van Haggai en Zacharia, vrij van de fundamentalistische geest van de Vromen.

De onverdraagzame EWG-geest van de Vromen werd echter steeds virulenter. De uitverkiezingswaan gaf de arme en minder geslaagde Joden een elitair gevoel, waardoor ze de gojim (heidenen) bleven verachten. Dat elitaire gevoel versterkten ze door het steeds strikter naleven van de Thora.

De Thora omvat de vijf ‘boeken van Mozes’.  De figuur van Mozes, zoals gezegd van zoroastrische oorsprong, verpersoonlijkt de joodse baardmannen. Bij het naleven van de Thora gaat het om de wetten die de Vrome baardmannen opstelden. De belangrijkste daarvan zijn de spijswetten.
Waarvoor stelden die patriarchen eigenlijk wetten op? Niet voor het levensgeluk van de gelovigen; het Judaïsme is een mensonvriendelijke baardmannen-ideologie. Die schildert de mens af als een tot het kwade geneigd wezen dat door het naleven van strenge wetten in het gareel gehouden dient te worden. Hoe strenger de wetten, des te groter de loyaliteit, want zo werkt dat. Het gaat nooit om de inhoud van de regels, maar om het volgen ervan. Hoewel er niets redelijks is aan bijvoorbeeld de spijswetten, geeft het braaf volgen ervan de Vrome het gevoel, verheven te zijn boven degenen die dat niet doen., en legitimeert eventueel vijandig of zelfs jihadistisch gedrag ten opzichte van ‘ongelovigen’. Dit ‘wettische’ zou ook de latere soennitische Islam gaan kenmerken.

De hellenisering
Lange tijd bleef het rustig in het tempeldomein. Tot Alexander de Grote (356-323 vC) het hele Midden-Oosten veroverde en ‘vergriekste’. Zo’n beetje zoals sinds de zestiger jaren het Amerikaanse imperialisme de cultuur van Coca-Cola, Marlboro en McDonalds en freedom and democracy  aan de rest van de wereld opdringt, werden toen de Griekse mode en manieren, de kunst en de literatuur, de opvoeding en de atletiek, de wapens en de militaire tactiek door de Oude wereld opgezogen.
De Helleense cultuur was open en verdraagzaam, kende geen ‘heidenen’. De Joodse elite bezweek en masse voor deze aantrekkelijke cultuur. Tot afschuw van de Vromen. En toen een latere generaal Antiochus IV Epiphanes de Jeruzalemse tempelschatten confisqueerde, was dit het begin van een opstand die, met meer geluk dan wijsheid, helaas slaagde.
De Vromen kregen, zij het niet voor lang, een eigen koninkrijk. Waarvan de koningen zich overigens als niet bepaald vrome heersers ontpopten. Toch is dit koningschap, toen de Joodse gebieden later onder Romeins gezag kwamen, het ideaalbeeld gebleven bij de onophoudelijke Joodse opstanden, gecombineerd met het (van oorsprong zoroastrische) ideaalbeeld van een ‘op komst zijnde  messias’.

Ook Jezus werd door zijn aanhang nog als ‘koning der Joden’ aangemerkt, hoe omzichtig hij ook probeerde op te treden.

Maar met deze figuur geraken we bij het Christendom, dus bij een volgende post.

Ik wil met post 9a en 9b benadrukken dat het Judaïsme een ramp geweest is, niet alleen voor  de Joden maar ook voor de volgelingen van de twee godsdiensten die er uit zijn voortgekomen, het Christendom en vooral de Islam. Het trieste is dat de oorspronkelijke opzet van de Judaisten puur politiek was en verder niet kwaadaardig bedoeld. Het is de uitverkiezingswaan en het wettische karakter dat bij verongelijkten en kansarmen het nietsontziende fanatisme kan opwekken.

Het had met een beetje geluk allemaal heel anders en mensvriendelijker kunnen lopen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*