13. BEGIN ISLAM

Inleiding

Het lag voor de hand dat ik, nadat ik op dit blog het begin van het Judaïsme en dat van het Christendom had behandeld, de trits zou besluiten met dat van de Islam. Maar ik zag er tegen op. Ik heb er al een boekje over opengedaan, te lezen op mijn humanosofie-site, en weet dat  het een nog veel eindelozer reeks afleveringen zal kosten dan het allereerste begin Christendom al heeft opgeleverd. Terwijl ik mijn blogteksten toch al veel te lang maak.
Dus wie leest dit nou helemaal? Jongeren kan religie überhaupt niet meer boeien.

Maar het recente artikel van Ralf Bodelier in De Groene van 19.5.2016 deed me er toch toe besluiten.
In zijn artikel betoogt Bodelier dat de wereld steeds vrediger wordt. Gedurende de laatste kwart eeuw is niet alleen het aantal oorlogen afgenomen maar ook het aantal oorlogsdoden. Dat wij niettemin denken dat het steeds slechter gaat met de wereld komt doordat de nieuwsgaring van de media de journalistieke wet volgt: “I fit bleeds, it leads.”  Oftewel: goed nieuws is geen nieuws.
Ik ben het overigens hartgrondig eens met het artikel en haal er nog wat getallen voor je uit. In 1952 vielen er wereldwijd 23 miljoen oorlogsslachtoffers. Tijdens de Koude Oorlog was dit teruggelopen tot 4 miljoen doden per jaar. In 2015 vielen door oorlog en terrorisme 170.000 slachtoffers. Of: In 1990 waren er 26 grote gewapende conflicten. Op dit moment worden er elf uitgevochten, met de oorlog in Syrië en Irak als de meest bloedige.
Ralf Bodelier laat ons bovendien kennis maken met zijn project World’s best news, waarmee hij het goede nieuws meer kans wil geven. Want van alleen het slechte nieuws raken we alleen maar ontmoedigd en afgestompt.

Maar wat mij speciaal trof in zijn artikel was de vaststelling dat van alle 197 landen ter wereld er slechts voor twaalf een negatief reisadvies geldt. Behalve Haïti en Noord-Korea zijn dit allemaal moslimlanden. Wat hem de conclusie ontlokt: het gaat niet slecht met de wereld. Het gaat slecht met de Islamwereld.
Nu wil ik toch na gaan lopen of de ongelukkige staat van de moslimlanden misschien mede het gevolg is van een weeffout aan het begin ervan. Dus: voor de draad er mee. Het levert trouwens een spannender verhaal op dan het begin van het Christendom, dus het schrijft leuker.

Begin Islam

Het Arabische schiereiland, Al-Jazira  in het Arabisch,  maakt deel uit van de woestijnstrook die loopt van Marokko naar de Gobiwoestijn in China. Het is dus eigenlijk één grote woestijn. Maar het is ook erg vulkanisch, en erupties uit het verleden hebben er veel lavabodems achtergelaten. De winterse stortbuien lopen via woest stromende wadi’s dood in het hete zand, maar op de lava-ondergronden zijn tal van oases ontstaan.
Aan de zuidkust van het schiereiland, in wat nu Jemen is, groeit de wierookboom Boswellia. Doordat wierook in de Oude Wereld het handelsbelang kende van de olie vandaag, werd Zuid-Arabië  geleidelijk deel van de handelsstroom tussen India en het Verre Oosten enerzijds en de Egyptische en Grieks-Romeinse wereld anderzijds.
Aangezien de Rode Zee hachelijk bevaarbaar was, gaf de handel de voorkeur aan kameelkaravanen vanaf de zuidkust  noordwaarts naar de Middellandse zeehavens zoals Jaffa. Alle tussenwonende stammen kregen betaald voor een veilige doortocht en zo werden veel  wilde Bedoeïenen betrokken bij de toenmalige welvaart. In Jemen verrezen bloeiende steden. Zo rijk dat er een enorme dam kon worden aangelegd om de winterregens op te vangen, met het water waarvan er voldoende landbouw mogelijk werd om die steden te voeden. Dat deel van Arabië, nu Jemen, werd door de Romeinen Felix Arabia  genoemd.

Er was nog lang geen Islam. Elke Bedoeïenenstam had zijn eigen stamgod. Maar in het vruchtbare Zuiden had vanuit het christelijke Axum aan de overzijde van de Rode Zee een priester rond 400 AD één stad gekerstend. In een andere stad was een krijgsheer tot het Jodendom overgegaan en trachtte nu ook andere steden te judaïseren en onder zijn heerschappij te brengen. Doordat hij in de gekerstende stad oorlogsmisdaden beging, werd hij door een leger vanuit Axum verslagen en gedood. Waarna de Axumse generaal het hele zuiden kerstende en onder zijn heerschappij bracht. Diens corrupte zonen maakten er zo’n zootje van dat de Jemenieten de Perzen te hulp riepen en zo werd de regio zoroastristisch. Dus er was wel iets van beschavend monotheïsme groeiende in het woeste Arabië.

Maar nog steeds geen Islam, want dat is een product van Mekka en dat bestond nog niet. De plek ervan was tot 300 AD een onleefbaar heet dal tussen laaggebergten. Er was wel een kleine bron, waar vanouds Bedoeïenenvrouwen hun geiten drenkten. Ze hadden er een steen opgericht waaromheen ze dansten/zongen om vruchtbaarheid voor zichzelf en hun geiten af te smeken van hun godin. Dit was het begin van een pelgrimsplek voor plaatselijke Bedoeïenen. Omstreeks 350 richtte een stamhoofd er een bescheiden heiligdom op en nam het beheer ervan op zich.

Intussen ging het niet langer goed met de handel en de welvaart van Felix Arabia.  De Romeinen hadden Egypte veroverd en havens met scheepswerven gebouwd aan de Rode Zee. Romeinse reders omzeilden voortaan met hun veel zeewaardiger schepen de lucratieve Arabische handel.  De Jemenitische steden verarmden, konden de Maribdam niet langer onderhouden; en toen die instortte, trokken veel stammen weg, noordwaarts of oostwaarts.

Zo belandde een stam, de Qurays, in de buurt van waar Mekka zou verrijzen. Hun leider  Qusay, stamvader van de Hashimclan waaruit later ook Mohammed toe zou behoren, zag de potentie van het nederige heiligdom dat al een bescheiden bedevaartsoord van omringende stammen was. Qusay wist van een pelgrimsoord ergens in het noorden, dat daar met enige organisatie goed geld aan te verdienen was. Hij trouwde de dochter van het oude stamhoofd en nam diens beheer over. Hij haalde zijn stamgenoten over, stenen woningen te bouwen tegen de hellingen van de omringende bergen. Hij herbouwde het vervallen heiligdom bij de bron en verdeelde onder de clans taken ter opvang en verzorging van de pelgrims.
Zijn belangrijkste initiatief was echter het op poten zetten van een zich over het hele schiereiland uitstrekkende handelsronde, te beginnen en te eindigen bij het heiligdom, de Ka’aba. Gepaard met een festival. En met succes: de handelsronde van het ene dorp na het volgende enzovoort bracht in het verarmde land weer een begin van welvaart. Hiermede ons geloof in de weldaad van de vrije markt schragend dat vandaag zo lijdt onder de usurpatie van het financierskapitaal. Qusay’s  Hashim-clan zou zich evenwel kenmerken door de neiging om ook de minder succesvolle handelaars te laten delen in de welvaart, door bijvoorbeeld renteloze leningen te verstrekken. Deze clan, die ook Mohammed zou voortbrengen, was wars van zelfverrijking.

Handel was voor Mekka bittere noodzaak natuurlijk: de plek bood geen enkele mogelijkheid tot landbouw. Dadels (hoofdvoedsel) en ander eetbaars moest betrokken worden van Ta’if en andere oasesteden, in ruil voor nijverheids- en andere handelsartikelen. Hoewel Arabieren zich niet verlaagden tot het boerenbedrijf, waren er in alle oases dadelpalmboomgaarden en andere vormen van land- en tuinbouw, gedreven door joodse en christelijke clans die na de val van Jeruzalem in 70 naar Arabië geëmigreerd waren.

Qusay’s nakomelingen waren evenzeer ondernemend en wijs, met name zijn kleinzoon Hashim, initiatiefnemer van de jaarlijkse karavaantochten naar Syrië en naar Jemen. Mekka groeide onder diens leiding uit tot het de bloeiendste handels- en cultuurcentrum van Al-Jazira. Hij verrijkte het heiligdom met de godenbeelden van zo veel mogelijk stammen, zodat hij van de Ka’aba een soort oecumenisch centrum maakte waar elke stammentwist haram was. Hashim werd, hoewel hij bescheiden bleef, als een soort Arabierenkoning beschouwd en vandaar dat zijn clan zijn naam draagt.

Een soort oecumenisch centrum, zei ik. Want de Arabieren bleven Bedoeïnen: wilde stammen, wier leven en eer draaide om heldendom en roof. Dat staat diametraal tegenover handel, die juist vrede vergt. De stadsbewoners stonden weliswaar open voor vrede, maar de stammen in de buitengebieden bleven zoals ze vanouds waren, en overvielen met graagte oases en de karavanen daartussen. Er bestond geen overheid of oppergezag; het enige wat een Bedoeïen weerhield om een ander bij onenigheid te doden was de zekerheid van bloedwraak op hemzelf of op iemand van zijn gezin, clan of stam. Je voelt ‘m al aankomen: daar zou Mohammed dus verandering in brengen.

Men neemt aan dat Mohammed ter wereld kwam in 570. Omstreeks die tijd hadden rijke Mekkanen de macht over de lucratieve Ka’aba gegrepen, waar de Hashimclan immers toch ‘niks mee deed’. Met name die van de Ummayyah-clan, waar in de na-Mohammed tijd de soennitische Umayyaden-kaliefs uit zouden voortkomen. De Hashims hadden zich nooit ten koste van anderen willen verrijken; de Umayyaden waren graaiers, en maakten zich meester van alle posities waar graaien mogelijk was.

Hoewel de trotse Arabieren zich lieten voorstaan op hun dicht- en redenaarskunst en bewust analfabeet bleven, waren er rond 570 wel enkele geletterden, met belangstelling voor de joodse (bijbelse), christelijke (Grieks-Romeinse) en zoroastristische (Perzische) literatuur. Met name de groep rond Waraqa, de oom van Mohammeds latere vrouw Khadija, en Za’id bin Amr bin Nufail, een oom van de latere kalief Omar.

Waraqa had in zijn jonge jaren zijn licht opgestoken bij een christelijke (Ebionitische) oase-clan en had sindsdien het vertalen van de bijbel tot zijn levenswerk gemaakt. De gespreksgroep maakte zich erg druk om de endemische vechtpartijen en karavaanraids door de wilde stammen, en besefte dat de Joodse, christelijke en zoroastrische beschavingen daar geen last van hadden doordat die één God hadden die voor alle stammen gold. De Bedoeïenen daarentegen vochten onder het banier van ieder hun eigen stamgod.
Het was dus duidelijk dat ook de Bedoeïenen moesten onderworpen worden aan één God.
Maar welke? Waraqa was voor de christelijke God, maar Za’id wist hem te overtuigen dat deze de Arabieren onder de invloedsfeer van de Romeinen zou brengen.  Hetzelfde gold wat betreft de Ahura Mazda van de Perzen, en de joodse Jahwe had in het verleden ook onheil gebracht. Nee, Za’id pleitte voor een echte Arabische God, Allah. Die leefde nog vaag in de geestenwereld van de Bedoeïen. Die zouden ze dus kunnen gaan ‘aankleden’.

Za’id ging zijn licht opsteken bij alle drie de godsdiensten, waarbij het hem vooral ging om de riten en gebedshoudingen die hij zou kunnen overnemen. Waraqa heeft hem op zeker één van die studiereizen vergezeld: naar Harran. Daar werd de maangodin Sin vereerd. De bijbehorende rituelen: vijfmaal daags bidden, bepaalde gebedshoudingen daarbij, en rituele wassingen tevoren, zijn door Za’id onderdeel van de Islam geworden.
Waraqa’s bijbelse invloed op de beginvorm van de Islam is vooral te herkennen in het islamitische ontstaansverhaal van de Zamzambron en de Ka’aba. Die zouden volgens Waraqa’s verhaal aan het begin van de wereld gesticht zijn door Adam,  en later geheiligd door Abraham, voor zijn vrouw Hagar en hun zoon Ismaël. De heilige plek zou door de Bedoeïenen ontheiligd zijn met hun afgodsbeelden. Maar nu diende Allah’s Ka’aba dus van die 360 godenbeelden ontdaan te worden en dienden de Mekkanen ‘terug te keren’ naar de verering van de Ene Ware God en dat was Allah.

Za’id liet het niet bij het ontwikkelen van deze Allah-ideologie, maar hij ging het nieuwe geloof ook verkondigen. Maar kom zeg, de Ka’aba ontdoen van zijn 360 godenbeelden! Dat viel bij de Mekkanen, wier rijkdom immers voor een groot deel te danken was aan de pelgrimage, niet bepaald in goede aarde. Vooral Za’id’s eigen oom Khattab ibn Nufail was een rabiate bestrijder van dit verderfelijke idee en kreeg voor zijn voorstel om zijn neef uit de stad te verbannen. een meerderheid van stemmen in de Darum-Nawah, de stadsraad van de oudsten.

Za’id vond een onderkomen in een naburig dorpje, maar was vaak te vinden in een berggrotje dat uitzag op de stad en de Ka’aba. Daar richtte hij zijn gebeden en gezangen naar toe, en bleef de riten van het nieuwe geloof verder ontwikkelen met eigen sura’s.
Sura’s zijn echte Bedoeïnen-traditie: kernachtige spreuken en vertogen, veelal rijmend en daardoor makkelijk te onthouden. Hun gebeden tot de goden hadden ook die vorm.

Abul Kasim, een ex-moslim – woont nu in Australië en onderhoudt een blog – heeft de bronnen die ik gebruik heel wat grondiger en deskundiger dan ik bestudeerd. In zijn Mukti-mona artikel “Who authored the Qur’an?” (20 nov. ’05) stelt hij dat zeker 30 suras (Koranverzen) aan Za’id moeten worden toegeschreven.

Hoe staat het intussen met Mohammed? Wel, die was vroeg wees geworden maar werd geadopteerd door zijn oom Abu Talib, de stamoudste van de Hashim-clan. Mohammed mocht al vroeg mee op karavaanreis en bleek zo slim dat hij weldra Abu Talib mocht vervangen wanneer die zelf niet mee kon. Hij toonde zich ook een waardig lid van de Hashimclan, behept met een sterk rechtvaardigheidsgevoel en bekommernis om de armen.

Khadija, vijftien jaar ouder dan Mohammed, was getrouwd met een lid van de gespreksgroep van Waraqa, waar ook zij ook zelf geestdriftig aan deel had genomen. Ze waren daarnaast succesvolle handelaars, rijk en beschikkend over een paleis van een huis. Ik vermoed dat de bijeenkomsten van de gespreksgroep in hun huis hebben plaatsgehad. Totdat Za’id de woede van een aantal rijke Mekkanen had gewekt en uit de stad verdreven was; waarna de overige leden het verstandiger hadden gevonden om zich voortaan gedeisd te houden en niet langer bijeen te komen.

Khadija’s echtgenoot werd ziek en overleed. Khadija wees de talrijke aanzoeken om haar hand af en zette de leiding van hun handelshuis in haar eentje voort. Maar ze moest nu wel op zoek naar een bekwame karavaanleider. Ze kende Mohammeds kwaliteiten. Bovendien stond hij gunstig bekend, als leider van een groep jonge Mekkanen die zich ten doel had gesteld, tussenbeide te komen als er weer een gevecht uitbrak. Ze stuurde haar dienstmaagd naar Abu Talib om te polsen of Mohammed bereid zou zijn tot een huwelijk met haar.
Abu Talib stond nog steeds in hoog aanzien maar had een grote familie te onderhouden en vaak moeite om alle monden te voeden. Want  het welvarende Mekka kende goede maar ook slechte tijden en er bestond nog niet zoiets als een verzorgingsstaat. Dus Abu Talib was blij met de belangstelling van zo’n rijke dame, en Mohammed, die als armeluiszoon weinig kans had op een goede partij, stemde ook graag toe.

En hij stelde haar niet teleur. Niet alleen bleek hij een succesvol karavaanleider voor haar maar ze kregen samen ook nog een reeks kinderen. De twee jongetjes ervan stierven echter als baby, en daarom adopteerden ze een jong neefje van Abu Talib, Ali, en een jonge slaaf, Za’id. Vooral Ali zou later een onmisbare factor blijken om het hachelijke Allah-project te doen slagen.

In 605, toen Mohammed 45 jaar was, gaf hij aan Khadija te kennen dat hij, net als veel rijke Mekkanen, tannanuth wilde doen: zich voor een paar weken terug trekken in de bergen om er te mediteren. Dat nu vond Khadija een erg goed idee. Ze was op de hoogte van Za’ids geregelde verblijf in het grotje – vermoedelijk heeft ze Za’id ook al die jaren van een toelage voorzien.  Nu  haalde ze Mohammed over om voor zijn tannanuth-retraites  bij Za’id in de leer te gaan.
Hoewel Mohammed zeker niet afkerig stond tegenover de ideeën van de gespreksgroep, had hij er nooit aan deelgenomen: hij was altijd te arm geweest en te trots. Enige van zijn vrienden van de Club der vredestichters, waaronder Abu Bakr, hadden er echter nog wel aan deelgenomen toen die nog draaide.

Mohammed toog gedurende zijn tannanuth-retraites inderdaad naar Za’id in diens dorpslogies, en Za’id nam hem vaak mee naar zijn grotje in de bergen. Za’id deed zijn best om Mohammed zijn sura’s tot Allah voor te reciteren en Mohammed deed zijn best om ze van buiten te leren, als 45-jarige. Maar bij elke volgende tannanuth bleek hij ze toch weer grotendeels vergeten te zijn. Za’id had, net als zijn familie, een kort lontje en ergerde zich kapot aan Mohammeds halsstarrige weigering om te leren lezen en schrijven. Zoals iemand zich vandaag kan ergeren aan een verstokte digibeet.

Het lijkt er ook op dat de oude Za’id niet bijster veel vertrouwen heeft gehad in Mohammeds eventuele voortzetting van het Allah-project. Toen hij zijn einde voelde naderen, in 610, heeft hij zijn ‘stadsverbod’ genegeerd en heeft hij een wanhoopspoging gedaan om alsnog Mekkanen voor het project te winnen. Abu Bakr’s dochter Asma vertelde later dat ze de oude Za’id ibn Amr ibn Nufail had zien zitten, geleund tegen de muur van de Ka’aba en roepend: O mensen van de Quraysh! Bij Allah, niemand van jullie heeft de religie van Ibrahim, alleen ik!”
De volgende ochtend werd hij dood aangetroffen. Aangezien niemand zich meldde om Za’ids dood te wreken, moet hij door zijn eigen familie zijn omgebracht. Dat dit in opdracht van al-Khattab, de vader van Omar, was geschied: niemand had er belang bij dit hardop uit te spreken. De blinde Waraqa dichtte een eulogie op zijn vriend.

Khadija en Abu Bakr praatten nu op Mohammed in om Za’ids project niet verloren te laten gaan. Als er iemand was die het voort zou kunnen zetten, was hij dat. Niet alleen was hij een charismatische persoonlijkheid, zoals velen van de Hashim-clan, terwijl Abu Bakr zelf een magere en wat gebogen gestalte had en, hoewel een succesvol kledinghandelaar, niet echt imponeerde. Mohammed daarentegen werd door iedereen in Mekka gerespecteerd vanwege zijn rechtvaardigheid. Was hij niet kort tevoren door de oudsten verzocht om de heilige steen in de pas gerenoveerde Ka’aba terug te plaatsen?

En Mohammed zwichtte, al voelde hij zich bepaald geen intellectueel. Maar inderdaad, hij was wel de enige die door Za’id in diens gedachtegoed was onderwezen.
Maar hoe moest hij dit aanpakken? Het leek niet verstandig om het project als van de uitgespuugde Za’id afkomstig aan de Mekkanen te presenteren. Ze besloten om het te presenteren als afkomstig van Allah zelf, en via een engel aan Mohammed overgebracht. Zogenaamd tijdens diens geregelde tannanuths in het Hira-grotje.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*