De Menselijke Natuur

Veel van mijn teksten gaan er van uit dat de geachte lezer(-es) weet wat de humanosoof verstaat onder ‘de menselijke natuur’. Maar dat inzicht is nog lang geen gemeengoed. Gemeengoed is vooral wat mainstream is. Nou, dat is gewoonlijk tamelijk pessimistisch gekleurd. en niet ‘onderbouwd’. Daarom hier de humanosofische kenschets ervan. Als een ‘drietrapsraket’.

Modus 1. In de eerste plaats zijn we een vorm van leven. Modus 1 delen alle vormen van leven, bijvoorbeeld ook bacteriën en virussen  Bij deze primitiefste vorm van leven gaat het uitsluitend om graaien: blindelings binnenhalen van energie (alle energie komt van de zon) uit de omgeving, ter instandhouding en voortplanting van het eigen organisme. Het is de ikke-ikke-neiging waarmee alle levensvormen behept zijn. Dus ook wij. Allemaal.

Modus 1 maakt zich van ons meester, in zwakke dan wel sterke mate,  in (al dan niet vermeende) panieksituaties, en … als het om GROOT GELD gaat. Of MACHT (corrumpeert).  Misschien is ‘groot geld’ wel een vorm van macht.

Modus 2. Maar wij zijn geen bacteriën, wij zijn groepsdieren. Groepsdieren zijn organismen die in het onttrekken van zoveel mogelijk energie aan de omgeving (ten behoeve van de eigen instandhouding en voortplanting) beter slagen als lid van een groep, van een collectief, dan wanneer ze dat in hun eentje zouden moeten doen. Dat betekent dat het individu alle belang heeft bij het zo krachtig mogelijk zijn van de groep (het collectief) waar het deel van uitmaakt. In concurrentie met andere groepen die van dezelfde energiebron leven natuurlijk. Dit houdt in dat het individu zijn ikke-ikke-neiging ondergeschikt moet maken aan het groepsbelang. Vooral op momenten of in situaties dat de groep wordt bedreigd – zonder oorlogsdreiging kan ieder makkelijker zijn ikke-ikke-naad naaien.

Twee zielen strijden in de borst van het groepsdier: eigenbelang contra groepsbelang. Deze tegenstrijdige gevoelens kanaliseert het met de ‘normen en waarden’ welke heersen in zijn groep. Het zijn de chimpansees die, levend in permanente oorlogsdreiging, de sprekendste voorbeelden hiervan leveren. Frans de Waal heeft genoegzaam bij de chimpansees en de bonobo’s sociale gevoelens als medelijden, gevoel van rechtvaardigheid, rouw en depressiviteit aangetoond om te mogen concluderen dat we de monotheïstische Tien Geboden niet nodig hebben om ons tot betere mensen te maken dan we al vele miljoenen jaren zijn.

Het is deze Modus 2 die in ons opspeelt als we geconfronteerd worden met vreemdelingen, mensen van een andere cultuur dan de onze. Kortom: VREEMDELINGENHAAT.

Modus 3. Maar onze voorouders zijn een andere weg opgegaan dan de overige familieleden onder de groepsdieren en hebben verfijndere ‘normen en waarden’ ontwikkeld. Hoe kwam dat zo? O, nou breek je me de bek los …

Van oorsprong zijn we regenwoudmensapen. Frans de Waal neemt aan dat we oorspronkelijk het meest weg hadden van de hedendaagse bonobo’s, omdat de leefomgeving van de laatsten (binnen de omarming van de machtige Congo-rivier) gedurende vele miljoenen jaren onveranderd is gebleven. Die van de chimpansees daarentegen is vanaf 2,5 mjg wel twintig keer ingekrompen en dan weer uitgebreid onder invloed van de ijstijden, met alle overlevingsgevechten tussen hun groepen van dien; dat heeft de chimpansees tot vechtlustige machisten doen geworden.

Zowel uiterlijk als in onze onderlinge omgang hebben we echter veel meer met de vreedzame bonobo’s gemeen. Derhalve voel ik me gerechtigd om, denkend aan de vooroudersoort die wij delen met de chimpansees en de bonobo’s, deze als bonobo-achtig voor te stellen, zowel qua uiterlijk als qua gedrag. En om onze voorouders vobo’s te noemen.

Onze vobo’s leefden veel noordelijker dan de huidige bonobo’s. Namelijk waar hun oudste fossielen gevonden worden: in de ‘hoorn’ van Afrika. Door klimaat-afkoeling en uitdroging stierf daar het regenwoud af en maakte plaats voor savanne. Dat nam een paar miljoen jaar, dus dermate geleidelijk dat de vobo’s aldaar zich van hun aanpassingen zoals permanent rechtop lopen, nooit bewust zijn geweest. Tot die tweebenigheid waren ze gedwongen omdat ze hun handen nodig hadden voor het meedragen van verzameld voedsel (vrouwen) en een voorraadje stenen (mannen) ter verdediging van de groep tegen de grote katten en hyena’s. Op de open grasvlakten moest de groep hecht bijeenblijven. Dat ze geen strijd hoefden te leveren tegen concurrerende groepen zoals waartoe de latere chimpansees zich gedwongen zagen, daarvan leveren de fossiele gebitten het bewijs: de mensaap-slagtanden die bij chimpansees verdomd indrukwekkend zijn, zijn nagenoeg verdwenen in de hominiden-gebitten. Een ander sterk staaltje van aanpassing ten behoeve van de onderlinge groepsharmonie is, dat bij de vrouwen de uiterlijk merkbare vormen van oestrus – die in chimpansee-groepen voor veel hommeles zorgen – geheel verdwenen!

Het is de natuurlijke selectie geweest die onze soort hypersociaal gemaakt heeft. De vobo-groepen met de beste onderlinge harmonie hadden gewoon de beste overlevingskansen.

Mijn belangrijkste stellingname in mijn teksten is dan ook, dat wij van nature ‘edele wilden’ zijn. Het feit dat we daar al duizenden jaren weinig van laten zien, komt doordat we, net als de chimpansees maar dan wel veel recenter, eveneens in een overpopulatie-situatie terecht gekomen zijn. Want de vobo’s hebben zich tot Vroege Mensen ontwikkeld en daar zijn wij, Anatomisch Moderne Mensen (AMM’s) uit voortgekomen. Maar dat valt allemaal in de hiernavolgende teksten te lezen.

Waar mijn verhaal om draait is dus, dat we nog steeds, in onze diepste verlangens, ‘edele wilden’ zijn. Uit alle hoeken van pessimistisch denken klinkt nu smadelijk gehoon op. Zowel de academische filosofie als de leer van de kerken zijn al vanaf Plato doordrenkt van een pessimistische mensvisie. Hobbes kenmerkte ons voorgeslacht als ‘tot oorlog gedoemden’, ‘van allen tegen allen’. Het postmodernisme heeft het pessimisme alleen maar versterkt, en heeft ook de antropologie pessimistisch beïnvloed. Steven LeBlanc, een Amerikaanse archeoloog die aan de weg timmert met boeken als Prehistoric Warfare (1999), Deadly Landscapes (2001) en Constant Battles- The Myth of the Peaceful, Noble Savage (2004) put zich uit om aan te tonen dat ook de Vroege Mensen al elkaar aan het uitmoorden waren. Een ander invloedrijk antropoloog is Richard Wrangham, auteur van Demonic Males- Apes and the Origins of Human Violence (1996).

Deze, en tal van andere mainstream-antropologen die een indruk wilden geven van hoe mensen van nature zijn, hebben zich echter vooral laten inspireren door wilde stammen zoals Amazone-indianen (de Yanomami van Chagnon en Wrangham) en Bergpapoea’s (de voorbeelden van Jared Diamond in The Third Chimpanzee. The Evolution and Future of the Human Animal (1992).

Maar … dat zijn geen verzamelaars/jagers zoals onze voorouders dat 99% van de tijd dat we mensen zijn, waren. Het zijn ‘tuinbouwers’ (horticulturalisten). De mensen van genoemde stammen kunnen niet meer vrij rondstruinen in een eindeloze wereld, maar telen hun basisvoedsel in slash and burn tuinen en wonen in semi-permanente langhuizen.

Tuinbouwers staan heel anders in het leven dan de pure Verzamelaars/Jagers – waar er vandaag nog maar weinig volkjes van over zijn. 90% van de ‘primitieve wilden’ zijn ‘tuinbouwers’. Die staan totaal anders in het leven dan de (nagenoeg uitgestorven) pure verzamelaar/jagers-volkjes zoals de Hadza. Echt wezenlijk anders.

Pure verzamelaars/jagers (hier verder als VJ’s aangeduid) laten nog enigszins zien hoe onze voorouders de laatste twee miljoen jaar – ik noem maar een tijdsspanne die lang genoeg is om het toenmalige gedrag als aangeboren neiging in ons te hebben kunnen nestelen – van nature waren.

1. De VJ’s beleven het leven kinderlijk. Ik bedoel: ze beleven het zoals onze kinderen (voor zover niet door gefrustreerde ouders ‘bedorven’) het leven beleven: aanvaardend zoals ’t is, blijmoedig, leergierig, ondernemend, niet kapot te krijgen.

2. VJ’s moeten een boel weten willen ze succesvol overleven. De meisjes moeten van hun moeders leren welke van de talloze wortels en knollen eetbaar zijn, waar en hoe je ze kunt vinden, hoe je ze met de graafstok kunt opgraven en hoe je ze klaar moet maken; welke noten, zaden en groentes waar en wanneer in hun gebied te oogsten zijn; hoe en met welke bladeren je de hut moet bouwen; hoe je vuurkooltjes moet behandelen, meedragen voor onderweg, vuur maken ermee; hoe en waarmee je gordels (het belangrijkste kledingstuk) en netten en manden kunt maken; en zo nog veel meer vaardigheden en kennis en omgangsvormen.

De jongens moeten de eigenschappen van twee tot driehonderd zoogdier- en vogelsoorten kennen, hoe ze sporen kunnen volgen, hoe ze jachtwerktuigen kunnen maken en gebruiken.

Hoe leren die kinderen dat allemaal, zonder onderwijs? Wel, doordat hun ouders blind vertrouwen op de leergierigheid van hun kinderen en hen niets in de weg leggen om met van alles te oefenen en om mee te doen – ze hebben zelf immers nooit anders meegemaakt.

Kleuters leren al met vuur en werktuigen om te gaan, klimmen in bomen voor dat ze kunnen lopen, leren vooral van de oudere kinderen. Ook onze kleuters zijn leergierig en kijken gebiologeerd naar oudere kinderen. Dat is wederzijds: doorgaans hebben kinderen spontaan de neiging om kleuters te helpen.

3. Kinderen leren zichzelf en elkaar, door waarneming, spel, onderzoek en oefening. VJ-volwassenen respecteren de kinderlijke bedrijvigheid, leggen die niets in de weg, doen soms iets voor, en leggen eindeloos geduld aan de dag.

Als kinderen groter worden, wordt ook hun spel en inbreng steeds serieuzer. Zodra ze zelf willen, mogen ze mee met de moeders of de vaders, maar het blijft spelenderwijs. En als ze volwassen zijn, blijft het spel-element: VJ’s blijven het leven spelenderwijs beleven.

Ze blijven het nemen zoals ’t is. Ouderdom komt met gebreken, maar je kunt toch nog je bijdrage blijven leveren met je levenservaring. En de dood hoort er gewoon bij. Een dode wordt hevig bejammerd. Maar als het gejammer over is, gaan ze opgewekt verder met leven; want er in blijven hangen schiet niet op en het leven is kort. Opvallend is dat de naam van de overledene niet meer genoemd mag worden (schiet niet op).

4. Vanwege hun mobiele bestaan waarin ze alles aan den lijve moeten meedragen, zijn ze niet geïnteresseerd in bezit van dingen, maar alleen in hoe ze de dingen kunnen maken (als ze dat willen). Ze kennen dus geen privé-bezit. Ze kennen alleen kennis, en die wordt ook nog eens vrijelijk gedeeld.

5. Vergeleken bij boeren (en bij consumenten) scharrelen ze de kost in minder werk-uren bij elkaar. Ze genieten aanzienlijk meer vrije tijd. Die brengen ze door met slapen, kletsen, muziek maken, prutsen aan werktuigen, en zingen. De vrouwen lummelen veel minder, ze hebben altijd wat te doen, hebben minder trek in gelummel dan mannen.

Mannen vinden kinderen leuk maar vrouwen zijn er meer mee bezig.

6. Je hebt vrouwenwerk en mannenwerk. Maar aan de randen overlapt het behoorlijk. De seksen respecteren elkaars werk, wetend dat de ene sekse niet zonder de andere kan.

Blijft dat de vrouwen meer met elkaar samen doen, en de mannen idem dito.

7. Gelijkwaardigheid speelt ook sterk tussen alle leden van een leefgroep. Wanneer één man of vrouw zichzelf beter voelt dat de anderen (tenslotte zijn we allemaal verschillend begaafd), en dat in gedrag of woord laat merken, wordt dat door de anderen meteen in de kiem gesmoord met spot. Het wordt in geen geval geaccepteerd. Ze zijn overgevoelig voor aantasting van de gelijkwaardigheid, voor respectloosheid. Algemeen-menselijk.

8. Geloof? Alle mensen zijn talige wezens en dragen het gevoel met zich mee dat de wereld ooit door een scheppende figuur geschapen is.

In het verre verleden was dat namelijk de eerste groep mensen die het nieuwe leefgebied in gebruik nam en er de dingen hun namen gaf. Voor talige wezens is dat: ‘in het bestaan roepen’. Zoals dichters ook als scheppende kunstenaars beschouwd mogen worden.

Dat eerste groepje leefde voor hun nakomelingen voort als ‘De Grote Voorouder’-figuur, wiens scheppende daden elke avond gedanst/gezongen werden rond het kampvuur.

Dat kampvuur was om de roofdieren op afstand te houden, maar voor ons betekent het nog steeds gezelligheid …

Maar later, zoals bij de Mbuti-pygmeeën, is die Scheppende God een vage Figuur hoog in de lucht. Is de naaste leefomgeving met haar bepalende elementen belangrijker geworden. Zo is voor de Mbuti pygmeeën het Regenwoud de Gever van alle goeds, en wordt toegezongen bij elke passende gelegenheid, in goede en slechte dagen.

De humanosoof denkt dat dit is gekomen toen de Toba-explosie van 74.000 jg het vertrouwen in de Grote Voorouder (immers een talige-wezens-bedenksel) geschokt heeft, en dat nabijer elementen zoals het Woud of de Aarde vanaf toen Diens plaats zijn gaan innemen; terwijl Zij/Hij/Het zich als een zich niet langer betrokken tonend Wezen ergens hoog in de lucht bleef ophouden … tenminste als iemand er echt naar vroeg. Ja, dit is een stukje humanosofische theologie.

9. Zang, creativiteit in woord en verhalen vertellen zijn een groot goed. Spirituele vermogens, zoals gemakkelijk in trance raken (is de één meer gegeven dan de ander) worden gewaardeerd, maar niet zodanig dat zo’n bijzonder iemand niet meer hoeft te jagen of te verzamelen. De gelijkwaardigheid van punt 7 is de enige wet die voor allen geldt.

Natuurverschijnselen als donder en bliksem of aardbeving, verhalen daarover worden zeer op prijs gesteld, maar het blijft spel: de werkelijkheid wordt aanvaard zoals die nou eenmaal is. Voorbeeld: waarom zie je de sterren overdag niet? Verhaal: de sterren zijn aardwormen die bij teveel licht wegkruipen in hun holletje; en als het donker wordt, komen ze één voor één weer tevoorschijn om te twinkelen. Werkelijkheid? Ja, als de zon schijnt, zie je die gewoon niet, oen! Allebei waar.

10. De vrouwen staan vanwege hun kunnen bloeden zonder verwonding en hun kunnen kinderen dragen, baren en voeden, het hoogste in aanzien. Daar valt niet mee te spotten: dat kunnen vrouwen nou eenmaal. De vrouwen accepteren dit als de vanzelfsprekendste zaak van de wereld. De mannen ook. De eerste menstruatie van een meisje wordt als het belangrijkste evenement van hun evenementen (de dood is er ook één, en een geboorte, maar ook het eerste zelf gejaagde grote dier door een jongeman; maar allemaal van iets mindere belangrijkheid) gevierd, in een aparte hut, en met veel franje van rituelen en muziek.

De illustratie hierboven is een oude Bushmen-schildering, voorstellende de menstruatie-hut (elima) , waarin de meisjes onderricht krijgen van ervaren vrouwen. De overige vrouwen doen de elanddans.
In een wijdere kring staan jongemannen en in nog wijdere kring volwassen mannen, deel te nemen in de zangen.
[Er is onder een schilfer afgebladderd, maar rechtsonder zie je de schildering doorgaan.]

Edele wilden. De belangrijkste factoren die bij ons de boel verzieken: privé-bezit en geld, speelden in het leven van onze voorouders geen enkele rol. Ieder individu, maakt niet uit hoe jong of hoe oud, man of vrouw, is eigen baas. Baas spelen over een ander is ondenkbaar.

Maar verder is niets menselijks hen vreemd, o nee (kom nou, in enkele ondergeschikte opzichten zijn wij vandaag ‘beschaafder’). Ze leven in kleine groepen, maken veel grappen, en er ontstaan geregeld fricties, die soms hoog kunnen oplopen. Soms raakt iedereen met elkaar slaags, en is de aanleiding ertoe dan al vergeten. Maar op het hoogtepunt komen oudere vrouwen en mannen tussenbeide. De rust keert terug en na een paar dagen is het hele voorval vergeten. De vechtjassen weten maar al te goed dat ze elkaar nodig hebben bij de volgende jachtpartij, en leefbaarheid gaat voor alles.

Ook: ze zijn zo xenofoob als de pest. Vreemde groepen zijn voor hen nog minder dan schadelijk ongedierte. Maar daar krijgen ze als VJ’s zelden of nooit mee te maken: ze leven nog in het aards paradijs: in een eindeloze wereld (die reikt voor hen niet verder dan hun ‘territorium’, de verste plekken waar ze komen op hun jachten), vol te oogsten vruchten en te jagen prooidieren.

Het zijn mensen zoals wij: hun leven en denken wordt bepaald door hun economie. Die is nagenoeg de hele mensheid lang onveranderd gebleven, en dus veranderden zij niet. Wat ons in onze voorouders het meest verbaast is hun onveranderlijkheid.

De weinige nog overgebleven Verzamelaars-Jagers-gemeenschapjes gunnen ons een blik in hoe die geleefd hebben. Maar ook die weinige pure VJ-groepjes zijn vandaag al lang niet zo puur meer als de Vroege Mensen, zoals de Neanderthalers nog helemaal waren.

De San Bushmen zijn de nazaten van de oorspronkelijke AMM’s van rond 100.000 jaar geleden. 50.000 jg bevolkten ze nog het hele Afrika-continent, met de aan hen verwante pygmeeën die zich aan de regenwouden van Centraal Afrika hadden aangepast. Maar toen begonnen de ‘als konijnen fokkende’ AMM’s hen al naar uithoeken te verdringen.

Rond 2000 vC, in de regio tussen het huidige Nigeria en Kameroen, ontwikkelden de Bantoe-AMM’s – door welke invloed weet ik zo gauw niet, zoeken we op – landbouw en veeteelt. Rond 1000 vC begonnen de Bantoe-boeren langs de grote rivieren zich naar het huidige Congo en Tanzania uit te breiden, en vervolgens zuidwaarts. De San werden verdrongen naar voor boeren oninteressante, woestijnachtige streken.

Dat heeft bij de Bushmen de nodige frustratie, mannensuperioriteit en verandering teweeg gebracht, ook bij deze ‘edele wilden’.

Voor de pygmeeën geldt dat ook. De Bantoes hadden ijzer, en bananen, en rijst, en palmwijn. Nou, daar hadden de pygmeeën wel heel veel belangstelling voor. De Mbuti hebben er zelfs hun taal voor ingeruild, ze spreken Bantoe, zij het met nog veel Mbuti-restanten.

Maar ze behielden hun kinderlijk-blije instelling en hun levenskracht, en lachten stiekem om die bange en bijgelovige boeren. Althans, tot 1965, toen Colin Turnbull bij hen leefde.

Hoe het er vandaag met hen gesteld is? Congo? Maar ik heb er veel van geleerd.

De boeren-economie is een totaal andere dan die van de Verzamelaars-Jagers. Dus de boeren en veehouders, alsook de herders die wel weer nomadisch zijn gaan leven maar nu van veeteelt, met de nadruk op teelt, staan totaal anders in het leven. We vatten ze allemaal samen onder AGR’s.

1. AGR’s hebben één vaste woonplaats, verankerd als ze zijn aan hun velden Ze kunnen geen kant meer op zonder op andermans terrein te komen. De velden zijn eigendom, bezit: ze hebben, en hun ouders, en grootouders hebben, de grond bewerkt in het zweet hunner aanschijns.

2. Waar VJ’s een aanvaardende houding hebben tegenover de natuur waar ze net als de overige dieren deel van zijn, en dankbaar zijn voor wat de natuur hen in de schoot werpt, hebben AGR’s, die hun planten en dieren telen, een gevoel van instrumentele macht over de natuur. Ze staan controlerend in het leven. Als de grond of de regen of de zon in gebreke blijven, moeten die ter verantwoording geroepen worden. Dreigementen halen niets uit, dus dan maar smeekbeden, offers, bezwerende rituelen, magie, liefst uitgevoerd door sjamanen die in contact heten te staan met de geesten.

3. Wat geesten betreft: voor VJ’s waren dromen interessant maar ze hechtten er geen bijzondere betekenis aan. Als je moeder dood gegaan was, verscheen ze in je droom. Dus ergens was ze er nog. Ook al wist je nog zo zeker dat ze in de grond gestopt was: in je droom was ze er echt, en ze zei ook dingen tegen je. Dus ‘iets’ blijft er over na je dood. En zo waren hun voorouders al lang op het idee van ‘ziel’ of ‘geest’ gekomen. Maar voor de VJ’s speelde dat geen rol in hun economie van verzamelen/jagen.

Voor AGR’s nu werden geesten uiterst belangrijk: de geesten hadden invloed. De geesten van de overledenen moesten te vriend gehouden worden, met of door wat dan ook. Anders zouden hun geesten boos worden en de oogst laten mislukken. En de sjamanen bedachten en nog ettelijke andere gevaarlijke dan wel goedgezinde geesten bij waaraan geofferd moest worden om ze te paaien.

4. De graven van de overledenen werden heilige plekken, met bouwsels, en offergaven –  ze zouden uitgroeien tot  tempels. De verering van de overledenen nam vaak zodanig vorm aan dat de onderwereld van de overledenen een belangrijkere plaats innam in hun spiritualiteit dan de bovenwereld van de levenden.

Sjamanen: bepaalde mensen hadden bijzondere gaven, konden in trance raken en contact hebben met de geesten. Dat werd een ‘beroep’ op zich. De voorlopers van de priesters.

5. Steeds meer geesten, van allerlei allooi. Hun wereld raakte vol geesten, en dan vooral die van de overledenen, de voorouders. Bijgeloof, taboe’s  en toverij namen hun hele leven in beslag. Van het kinderlijke blije van hun VJ-voorouders in niets meer over. Het bekende boek (1955) van Claude Lévi-Strauss heet dan ook Tristes Tropiques

Hoewl het contrast tussen hun angstvolle AGR-bestaan en het onbekommerde VJ-bestaan niet groter kan zijn,  voelen ze zich toch superieur aan die primitieven..

6. AGR’s hebben niet alleen een einde gemaakt aan de gelijkheid tussen de seksen, ze hebben ook de religieuze praktijken van de vrouwen gekaapt. Het belangrijkste vrouwenfeest, de elima van hierboven, moest vervangen worden door een equivalent initiatieritueel voor de jongens. Het hoogtepunt van de vrouwenmagie, het kunnen bloeden zonder verwonding, als teken van hun magische vermogen tot kinderen baren en voeden, vervingen de mannen door het laten bloeden van de jongens: het besnijden. Zielige en armzalige patriarchale gebruiken, voortgesproten uit onzekerheid (angst/haat) voor de natuurlijke zekerheid van de vrouwen.

7. Angst voor seks. De patriarchen, bij wie de hormonen grotendeels uitgewerkt waren, zagen met afgrijzen dat hun jongemannen zich bleven uitsloven om bij de meiden in de smaak te vallen. Dat kwam door de seksuele aantrekkingskracht van die meiden! Toch nog vrouwenmacht. Dus seks was zondig. Wat een ellende dát veroorzaakt heeft in de mensheid, tot op de dag van vandaag. Het dreef patriarchen bij herdersstammen zover dat ze zelfs hun meisjes lieten besnijden, zodat dit hun later de lust in seks zou benemen.

Nou, hier laat ik het bij. Ik ga niet verder het gras voor de voeten van mijn teksten maaien. Ik heb het hier tenslotte alleen over de menselijke natuur. Dat is een ‘drietrapsraket’.

We kunnen allemaal nog steeds in elk van de drie modus-en vervallen, afhankelijk van de situatie.

Wat modus 1 betreft: als we ons te midden van een menigte bevinden en er wordt BRAND!!! geschreeuwd, dan trachten we ons vege lijf te redden voor zover we niet zelf onder de voet gelopen worden. Dan is het ‘ieder voor zich’.

Opvallenderwijs maakt ook GROOT GELD die ikke-ikke-neiging in ons wakker. Vooral nu er geen Verhaal meer heerst in onze samenleving dat ons inzicht geeft in waar echt GELUK in gelegen is voor een mens (in het gevoel, van betekenis te zijn voor een ander). We leven vanaf de jaren 80 met NIX.

Wat modus 2 betreft: we vervallen gemakkelijk die groepsdieren-modus als we ons bedreigd menen door vreemdelingen, zoals nu door de vluchtelingenstroom uit Syrië en Eritrea. Of als onze dochter verkering krijgt met een buitenlander. Of onze zoon het aanlegt met een zwarte. Of als in het huis naast ons ineens een Marokkaans gezin zijn intrek neemt.

Modus 3 echter is als een ondergeduwde kurk. Die tjoept boven water waar die maar even de kans krijgt. Die beheerst ons overal waar modus 1 of modus 2 geen rol spelen.

Het is de drijvende kracht waar humanosofie op rekent in haar mensbeschouwing. Humanosofie is geloof. Nee, niet zomaar geloof: vertrouwen, gebaseerd op verworven inzicht in de menselijke natuur.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*